GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.189.080/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/136560 / HA ZA 12-316) arrest van 3 juli 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. M. Kremer, kantoorhoudend te Groningen. 1Het geding in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen in deze zaak op 16 januari 2013, 28 augustus 2013, 19 maart 2014, 9 december 2015 en 20 april 2016 (weigering herstel) heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] is bij dagvaarding van 7 maart 2016 in hoger beroep gekomen van de hiervoor genoemde vonnissen van 28 augustus 2013, 19 maart 2014 en 9 december 2015, waarna de volgende stukken zijn gewisseld/proceshandelingen hebben plaatsgevonden: - memorie van grieven (met producties); - akte niet dienen van memorie van antwoord; - pleidooien door mrs. Kremer en J.S. Knot aan de zijde van [geïntimeerde] en door mr. Van Wijngaarden aan de zijde van [appellant] . Aansluitend is arrest gevraagd. 3. De vaststaande feiten 3.1 In rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.11) van vonnis van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank een aantal in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat geen geschil, behoudens voor zover [geïntimeerde] al in eerste aanleg heeft aangevoerd dat de koopovereenkomst waar het in deze zaak om gaat op 5 juli 2011 tot stand is gekomen en niet op 4 en 5 juli 2011 zoals in rov. 2.3 door de rechtbank is vastgesteld. Voorts is grief II en een aantal daarop voortbouwende grieven impliciet mede gericht tegen de eerste twee zinnen van rov. 2.3 en is grief I gericht tegen de laatste zin van rov 2.3. Met in achtneming daarvan en aangevuld met een enkel ander vaststaand feit, staan de navolgende feiten tussen partijen vast. 3.2 [geïntimeerde] is eigenaar van het pand aan de [a-straat] 17 te [A] , hierna aan te duiden als: het pand. De begane grond van het pand is ingericht als horecagelegenheid; op een bovenverdieping is een woonruimte ingericht. 3.3 In 2011 werd in het pand het Italiaanse restaurant [C] door de gelijknamige besloten vennootschap geëxploiteerd; op 10 mei 2011 is de besloten vennootschap gefailleerd. 3.4 In juni 2011 heeft [appellant] van de curator van [C] voor € 6.000,- de inventaris gekocht. Voorts heeft [appellant] aan de curator € 300,- voor de voorraden betaald en € 700,- voor goodwill. 3.5 Op hetzij 4 en 5 juli 2011, hetzij alleen 5 juli 2011 hebben [geïntimeerde] en [appellant] besprekingen gevoerd omtrent aankoop door [appellant] van het pand. Door partijen werd overeenstemming bereikt over een door [appellant] te betalen koopsom van € 470.000,- en levering uiterlijk december 2011. Bij het gesprek op 5 juli 2011 was van de zijde van [geïntimeerde] diens accountant [D] (hierna: [D] ) aanwezig. Er werd niets schriftelijk vastgelegd, ook niet bij of na een nadere bespreking tussen partijen op 15 juli 2011. 3.6 Verder werd begin juli 2011 tussen partijen overeengekomen dat [appellant] het pand terstond in gebruik zou nemen, tegen voldoening van 'sleutelgeld' ten bedrage van € 2.500,- per maand. 3.7 [appellant] heeft een aanvang gemaakt met (her)inrichting en verbouwing van het pand. Bij schrijven van 17 november 2011 wees [D] [appellant] op de afspraak dat het pand in 2011 zou worden afgenomen. [appellant] werd verzocht schriftelijk te bevestigen dat hij daadwerkelijk zou nakomen. 3.8 Op 6 december 2011 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden, waarbij aan de zijde van [geïntimeerde] de heer [D] aanwezig was en aan de zijde van [appellant] de heer [E] . Van dit gesprek is een geluidsopname gemaakt. 3.9 In december 2011 ontwikkelde de dochter van [geïntimeerde] plannen om in het pand een Italiaans restaurant onder de naam [F] te exploiteren. Deze plannen hebben uiteindelijk geen doorgang gevonden. 3.10 Op 29 december 2011 schreef de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] : Tot mij wendde zich de heer [geïntimeerde] , wonende te [B] , die mij verzocht u aan te schrijven in verband met het volgende. Tussen u en cliënt is begin juli 2011 een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de verkoop en koop van het pand aan de [a-straat] 17 te [A] . Overdracht van het pand heeft echter tot op heden niet plaatsgevonden. Uit de (recent) tussen partijen gevoerde gesprekken, al dan niet in aanwezigheid van de heer [D] , accountant, komt naar voren dat u enerzijds erkent dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen waarin een levering vóór het einde van het jaar is voorgeschreven, doch anderzijds stelt dat in de overeenkomst een (mondeling) financieringsvoorbehoud zou zijn gemaakt. Dat laatste betwist cliënt, alsook de heer [D] , die daaromtrent zou kunnen en willen getuigen. Hoe dit ook zij, vaststaat dat u inmiddels te kennen hebt gegeven niet in staat te zijn om in 2011 af te nemen. U hebt echter nagelaten om het beweerdelijke financieringsvoorbehoud in te roepen. Integendeel, u heeft verzocht om het pand over enkele maanden alsnog af te mogen nemen. Cliënt heeft daar in uw richting afwijzend op gereageerd. Van cliënt begreep ik voorts dat u inmiddels het tussentijdse gebruik van het pand minnelijk hebt beëindigd. Uit uw mededelingen heeft cliënt moeten afleiden dat u tekort zult schieten in de nakoming van de gesloten koopovereenkomst. Ten gevolge daarvan bent u in verzuim. Namens cliënt roep ik op grond daarvan hierbij de buitengerechtelijke ontbinding in van voornoemde koopovereenkomst en stel u aansprakelijk voor alle schade die cliënt heeft geleden, nog altijd lijdt en nog zal lijden ten gevolge van de ontbinding. Met betrekking tot de ontbindingsschade, voornoemd, kan ik u berichten dat cliënt vooralsnog bereid is genoegen te nemen met een schadevergoeding ter hoogte van 10% van het aankoopbedrag dat wil zeggen € 47.000,= te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot aan de dag der betaling. Hierbij sommeer ik u om binnen 7 dagen na dagtekening dezes over te gaan tot betaling van voornoemd bedrag (…)". 3.11 [appellant] heeft het pand niet afgenomen. Tot een minnelijke regeling tussen partijen is het niet gekomen; [appellant] heeft geen schadevergoeding voldaan aan [geïntimeerde] . 3.12 Vanaf maart 2012 is het pand verhuurd aan de heer [G] , die er het restaurant [H] exploiteert. 3.13 [geïntimeerde] is nog steeds eigenaar van het pand. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en (na eisvermeerdering) gevorderd, verkort weergegeven: 1. een verklaring voor recht dat [appellant] in de uitvoering van de koopovereenkomst toerekenbaar tekort geschoten is, 2. een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst bij brief van 29 december 2011 buitengerechtelijk is ontbonden, althans ontbinding van die overeenkomst door de rechtbank, 3. veroordeling van [appellant] om € 140.000,- te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 januari 2012, tot aan de dag der algehele voldoening, 4. veroordeling van [appellant] om € 5.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 juni 2012, tot aan de dag der algehele voldoening en 5. veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met rente vanaf 14 dagen na datum vonnis. 4.2 [appellant] heeft verweer gevoerd en heeft in reconventie (na wijziging van eis) gevorderd, samengevat, primair veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] te voldoen een schadevergoeding van € 23.585,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2011, althans 2 januari 2012, tot aan de dag der algehele voldoening en subsidiair vernietiging van de koopovereenkomst op grond van bedrog en betaling van € 5.000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 september 2011. 4.3 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 9 december 2015 de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en die van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in conventie en in reconventie. 5De motivering van de beslissing 5.1 Het hoger beroep strekt tot vernietiging van de vonnissen van 28 augustus 2013, 19 maart 2014 en 9 december 2015 en het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] en alsnog toewijzen van de vordering van [appellant] , met veroordeling van [geïntimeerde] tot restitutie van hetgeen uit hoofde van het eindvonnis is voldaan te vermeerderen met rente, alsmede tot veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, een en ander vermeerderd met nakosten en rente. Daartoe zijn door [appellant] 30 grieven aangevoerd. 5.2 In grief II betwist [appellant] dat tussen partijen een mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [appellant] was de afspraak tussen partijen dat er pas een koopovereenkomst zou zijn indien [appellant] uitvoering zou hebben gegeven aan een aantal door hem gedane toezeggingen, te weten dat de overeenkomst op schrift zou worden gesteld en een aantal gebreken aan het pand zouden worden verholpen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank die discussie ten onrechte in de sleutel geplaatst van overeengekomen opschortende voorwaarden waarvan hij, [appellant] , de bewijslast zou dragen. Het gaat volgens [appellant] om totstandkomingsvoorwaarden. Het feit dat [appellant] het pand in gebruik is gaan nemen en daarin is gaan investeren, is daarmee volgens hem niet in strijd nu tussen partijen tevens stilzwijgend was overeengekomen dat bij het niet doorgaan van de koop, [appellant] het pand zou huren, zo betoogt [appellant] in grief I. De grieven III, X en XV bouwen hierop voort. Met grief VI betoogt [appellant] dat tevens een financieringsvoorbehoud door hem is gemaakt. Over de precieze strekking van dat voorbehoud is hij evenwel onduidelijk. Hij noemt deze voorwaarde een "totstandkomingsvoorwaarde, althans opschortende voorwaarde". 5.3 Het hof verwerpt deze grieven. Zowel als getuige in eerste aanleg als ter zitting van het hof heeft [appellant] uitdrukkelijk verklaard dat begin juli 2011 tussen partijen een overeenkomst is gesloten en dat een mondelinge overeenkomst ook een overeenkomst is. Vaststaat tevens dat [appellant] in het pand is gaan investeren. De verklaring dat dit geschiedde omdat sprake was van een "stilzwijgende voorwaardelijke huurovereenkomst" mist iedere onderbouwing. Tegen die achtergrond mist het verweer dat geen sprake is van een koopovereenkomst omdat een aantal 'totstandkomingsvoorwaarden' zou zijn afgesproken en daaraan niet is voldaan een deugdelijke motivering. Voor zover al door [geïntimeerde] is toegezegd dat de overeenkomst op schrift zou worden gesteld en gebreken zouden worden verholpen, zou dit mogelijk binnen een andere context betekenis kunnen hebben, maar doet dat niet af aan het feit dat (ook in de visie van [appellant] ) een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Het door [appellant] gestelde (en door [geïntimeerde] betwiste) financieringsvoorbehoud kan gelet op het voorgaande dan ook hooguit in de subsidiair door [appellant] gestelde (en door [geïntimeerde] betwiste) variant van een opschortende voorwaarde zijn gemaakt. [appellant] draagt daarvan de bewijslast (HR 3 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228). In hoger beroep ontbreekt ter zake een bewijsaanbod, zodat het hof ervan uitgaat dat de gestelde voorwaarde niet is overeengekomen. 5.4 Het hof gaat dus uit van een tussen partijen in juli 2011 tot stand gekomen onvoorwaardelijke mondelinge koopovereenkomst inzake het pand. [appellant] heeft (subsidiair) een beroep gedaan op vernietiging van deze overeenkomst wegens bedrog. Hij heeft dat beroep gekoppeld aan zijn stelling dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de koop de rioolproblematiek die ten aanzien van het pand bestond heeft verzwegen (conclusie na enquête in eerste aanleg, sub 23 en 24). Grief XXVII is gericht tegen het niet honoreren van dat beroep door de rechtbank. In grief XXI wordt daarnaast terloops over bedrog gesproken waar het betreft het feit dat de bovenwoning in het pand niet legaal bewoond werd. Echter aan dat bedrog heeft [appellant] niet het gevolg van vernietiging van de overeenkomst gekoppeld, zodat deze grief nu geen bespreking behoeft. 5.5 Het hof verwerpt het beroep op bedrog nu uit de getuigenverklaring van [appellant] blijkt dat hij bij het aangaan van de koop al volledig van de rioolproblematiek op de hoogte was, ook die van binnen in het pand, en dat hij bekend was met de aansprakelijkstelling van [geïntimeerde] door de huurder vanwege die problematiek (brief [I] van 30 juli 2010, productie 16 bij conclusie na enquête van [appellant] ). Geconfronteerd met die bevinding, heeft [appellant] ter zitting van het hof daar niets tegenover kunnen stellen. 5.6 Uitgaande van een onvoorwaardelijke mondelinge koopovereenkomst die niet vernietigbaar is vanwege bedrog, komt het hof thans toe aan de bespreking van de centrale vraag of [geïntimeerde] op 29 november 2011 de overeenkomst tussen partijen met succes buitengerechtelijk heeft ontbonden. Volgens [geïntimeerde] luidt dat antwoord bevestigend omdat [appellant] zich bij de mondelinge koopovereenkomst van juli 2011 had verbonden het pand uiterlijk 1 januari 2012 af te nemen en uit het gesprek van 6 december 2011 bleek dat [appellant] die verbintenis niet zou nakomen, zodat het verzuim van [appellant] overeenkomstig artikel 6:83 BW zonder ingebrekestelling intrad (inleidende dagvaarding onder 10). Het hof leidt daaruit af dat, zoals door de advocaten van [geïntimeerde] ter zitting van het hof is bevestigd, volgens [geïntimeerde] sprake was van een fatale termijn in de zin van artikel 83 aanhef en onder a BW, die afliep op 31 december 2011 en dat het verzuim overeenkomstig artikel 6:83 aanhef en onder c BW reeds voor genoemde datum intrad omdat uit mededelingen van [appellant] op 6 december 2011 bleek dat hij niet uiterlijk 31 december 2011 zou gaan afnemen. 5.7 [appellant] heeft - naast zijn hiervoor verworpen verweren - betwist dat 31 december 2011 als fatale datum was overeengekomen. Dit blijkt uit (de toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.