GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummers gerechtshof 200.183.396/01 en 200.183.398/01 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/19/107616 HA ZA 14-234 en C/19/107616 / HA ZA 14-234) arrest van 23 januari 2018 in de zaak met nummer 200.183.396/01 van Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., statutair gevestigd te ’s-Gravenhage en kantoorhoudende te Assen, appellante,hierna: NAM, in eerste aanleg: gedaagde, advocaat: mr. M.A. Leijten, kantoorhoudend te Amsterdam, die met zijn kantoorgenootmr. J. de Bie Leuveling Tjeenk heeft gepleit, tegen 1Christelijke Woningstichting Patrimonium Groningen, gevestigd te Groningen, 2. Stichting Lefier, mede als rechtsopvolgster onder algemene titel van Stichting Woningbouw Slochteren, voorheen gevestigd te Schildwolde, gevestigd te Hoogezand-Sappemeer, 3. Stichting Acantus Groep, gevestigd te Veendam, 4. Stichting De Huismeesters, gevestigd te Groningen, 5. Stichting De Delthe, gevestigd te Usquert, 6a. Woonstichting Groninger Huis, mede als rechtsopvolgster onder algemene titel van Stichting Steelande Wonen, voorheen gevestigd te Groningen,gevestigd te Zuidbroek,6b Woningstichting Wierden en Borgen, als rechtsopvolgster onder algemene titel van Stichting Steelande Wonen, voorheen gevestigd te Groningen,gevestigd te Bedum,7. Stichting Uithuizer Woningbouw, gevestigd te Uithuizen, geïntimeerden,hierna gezamenlijk te noemen: de corporaties, in eerste aanleg: eisers, advocaat nu: mr. R.N.E. Visser, kantoorhoudend te Amsterdam, die met zijn kantoorgenoot mr. M.F. Bartels ook heeft gepleit, en in de zaak met nummer 200.183.398/01 van Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., statutair gevestigd te ’s-Gravenhage en kantoorhoudende te Assen, appellante,hierna: NAM, in eerste aanleg: gedaagde, advocaat: mr. M.A. Leijten, kantoorhoudend te Amsterdam, die met zijn kantoorgenoot mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk heeft gepleit, tegen 1Stichting Waardevermeerdering door Aardbevingen Groningen,gevestigd te Groningen,hierna: WAG,advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudend te Groningen, die met zijn kantoorgenoot mr. R. Glas heeft gepleit,2. Stichting Woonzorg Nederland,gevestigd te Voorschoten,3. Woningstichting Wierden en Borgen, gevestigd te Bedum,4. Stichting Christelijke Woongroep Marenland, gevestigd te Appingedam,geïntimeerden 2 tot en met 4 hierna gezamenlijk te noemen: de corporaties, advocaat nu: mr. R.N.E. Visser, kantoorhoudend te Amsterdam, die ook heeft gepleit,in eerste aanleg: eisers. De corporaties zullen in beide zaken gezamenlijk als “de corporaties” worden aangeduid. 1Het geding in eerste aanleg (in beide zaken) 1.1 Voor het geding in eerste aanleg in beide zaken verwijst het hof naar het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland afdeling privaatrecht locatie Assen van 2 september 2015. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met nummer 200.183.396/01blijkt uit: - de appeldagvaarding van 1 december 2015;- de memorie van grieven van NAM (met producties);- de memorie van antwoord van de corporaties (met producties);- de akte uitlating producties van NAM;- de akte overlegging producties van NAM (producties 45 tot en met 56);- de akte overlegging producties van de corporaties (producties 123 tot en met 126). 2.2 Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met nummer 200.183.398/01 blijkt uit: - de appeldagvaarding van 1 december 2015;- de memorie van grieven van NAM (met producties);- de memorie van antwoord van WAG en de corporaties (met producties);- de akte uitlating producties van NAM;- de akte overlegging producties van NAM (producties 45 tot en met 56);- de akte overlegging productie van WAG (producties 109 tot en met 122 en productie 127);- de akte overlegging producties van de corporaties (producties 123 tot en met 126). 2.3 Vervolgens is een pleidooi in beide zaken gehouden, waarbij de hiervoor genoemde aktes overgelegde producties zijn genomen, pleitnota's zijn overgelegd (inclusief een aanvullende pleitnota van NAM) en waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ten slotte is op verzoek van partijen arrest bepaald. 2.4 De vordering van NAM in hoger beroep strekt ertoe dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat WAG alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, althans dat haar vorderingen, evenals de vorderingen van de corporaties, worden afgewezen, een en ander met veroordeling van WAG en de corporaties in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. 3De wijziging van enkele procespartijen (in beide zaken) 3.1 In de zaak met nummer 200.183.396/01 is aanvankelijk onder meer geprocedeerd door Stichting Woningbouw Slochteren en Stichting Zeelande Wonen. Gedurende de procedure in hoger beroep is Stichting Woningbouw Slochteren gefuseerd met Stichting Lefier, waarbij Stichting Woningbouw Slochteren is opgehouden te bestaan, en is Stichting Steelanden Wonen gesplitst, waarbij het vermogen van Stichting Steelande Wonen deels is overgegaan naar Stichting Wierden en Borgen en deels naar Stichting Groninger Huis, terwijl Stichting Steelande Wonen is opgehouden te bestaan. Met deze wijzigingen is bij de vermelding van de procespartijen in dit arrest rekening gehouden. 3.2 Het hof zal de corporaties in beide zaken tezamen ook als “de corporaties” aanduiden. 4. De vaststaande feiten (in beide zaken)4.1 Inleiding 4.1.1 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1.1 tot en met 2.6.1) van haar vonnis de feiten vastgesteld. Tegen de feitenvaststelling zijn geen grieven gericht en is ook overigens niet van bezwaren gebleken, zodat van de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten kan worden uitgegaan. 4.1.2 Na het vonnis van de rechtbank hebben partijen diverse nieuwe feiten aangevoerd en zijn rapporten die de rechtbank in de feitenvaststelling heeft aangehaald of samengevat aangevuld of geactualiseerd. Het hof zal, uitgaande van de feitenvaststelling van de rechtbank en rekening houdend met de verder aangevoerde feiten, de feiten opnieuw vaststellen. 4.2 Partijen 4.2.1 NAM houdt zich bezig met de opsporing en winning van aardgas en aardolie. Shell Nederland B.V. en Exxon Mobil Holding Company houden ieder de helft van de aandelen in NAM. De winningsactiviteiten van NAM in Nederland verricht zij op basis van door de Minister van Economische zaken (hierna: de Minister) op grond van de Mijnbouwwet verleende winnigsvergunningen (voorheen concessies). 4.2.2 WAG is door [A] opgericht bij notariële akte van 24 april 2013. In de statuten van WAG is onder meer het volgende vermeld:"Artikel 1:In deze statuten zijn de volgende begrippen als volgt omschreven:(…)d. Deelnemers: De (rechts)personen en instellingen, aan wie één of meer onroerende zaken in eigendom toebehoren, waaraan tengevolge van gaswinning door de NAM ontstane aardbevingen en/of bodemdaling in de provincie Groningen of elders schade is opgetreden dan wel daardoor in waarde zijn gedaald, die de deelnemersvoorwaarden hebben onderschreven en een overeenkomst met rechtsbijstand met [B] Advocaten & Notarissen hebben ondertekend of zullen ondertekenen.(…) Artikel 3:1. Het doel van de Stichting is:a. Het behartigen van de belangen van de Deelnemers, in de ruimst mogelijk zin van het woord, waaronder begrepen de vaststelling van de schade bestaande uit waardevermindering van hun onroerende zaken, die de Deelnemers hebben geleden door gaswinning door de NAM en/of handelen of nalaten van de NAM en/of de Staat welk handelen de bodemdaling en/of aardschokken tot gevolg heeft gehad.(…)e. Het namens de Deelnemers eisen van schadevergoeding voor het handelen en/of nalaten van de NAM en/of de Staat, het voeren van onderhandelingen, het voeren van procedures en het treffen van andere rechtsmaatregelen tegen de NAM en/of de Staat teneinde de waardevermindering van het onroerend goed van de Deelnemers te verhalen.”De statuten van WAG voorzien in een bestuur, bestaande uit ten minste drie leden, benoemd door de Raad van Deelnemers, die bestaat uit alle deelnemers en waarin alle deelnemers stemrecht hebben. 4.2.3 Op het moment van het pleidooi in hoger beroep had WAG ongeveer 4.000 deelnemers. Deze deelnemers hebben een deelnemersovereenkomst gesloten met WAG, waarin tevens een procesvolmacht aan het bestuur van WAG is opgenomen. Op grond van de deelnemersovereenkomst zijn de deelnemers een bedrag van € 100,- verschuldigd. In de deelnemersovereenkomst is onder meer het volgende bepaald: "Artikel 3 -Taak Stichting. 1. Tot de taak van (het Bestuur van) de Stichting behoort onder meer: (…) b. het voeren van gerechtelijke procedures tot verkrijging van een verklaring voor recht en/of tot schadevergoeding namens de Deelnemers tegen de NAM en/of de Staat; Artikel 4- Volmacht 1. De deelnemer verleent hierbij een schriftelijke volmacht aan het Bestuur om voor en namens hem: a. alle in artikel 3 vermelde rechtshandelingen te verrichten (…) 3. Indien het voor het voeren van een procedure of het verkrijgen van een schikking rechtens noodzakelijk is dat de Deelnemer zijn vordering overdraagt aan de Stichting, kan (het Bestuur van) de Stichting deze overdracht op basis van de in het eerste lid van dit artikel vermelde volmacht bewerkstelligen.” In de deelnemersovereenkomst verplichten de deelnemers zich een overeenkomst van rechtsbijstand aan te gaan met [B] Advocaten & Notarissen, het kantoor waaraan [A] verbonden is en waarvan hij de naamgever is. Deze overeenkomst voorziet onder meer in een succesfee voor [B] Advocaten & Notarissen wanneer een vergoeding wordt uitgekeerd aan de deelnemer. De fee bestaat uit een vast bedrag van € 100,- te vermeerderen met een percentage van 5%, 7,5% of 10% - al naar gelang het moment dat de deelnemer is 'ingestapt' - van de te ontvangen vergoeding. 4.2.4 Op 11 mei 2015 hebben de toenmalige deelnemers in WAG vertegenwoordigd door deelnemers [C] , [D] en [E] bij onderhandse akte hun vorderingen op NAM ter zake van waardevermindering van hun onroerende zaken als gevolg van aardbevingen ontstaan door gaswinning door NAM "ter incasso gecedeerd" aan WAG. Het betrof daarbij de deelnemers als vermeld op een bij genoemde akte behorende lijst (productie 75 van WAG in eerste aanleg). Bepaling 2) van die akte luidt als volgt: "Deze cessie ter incasso behelst tevens de lastgeving aan WAG om op eigen naam de in de considerans genoemde procedure [hof; de onderhavige procedure] te voeren en daartoe al het nodige te doen, zulks in de ruimste zin van het woord." 4.2.5 De corporaties zijn zogenaamde toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19 Woningwet. Zij zijn tezamen eigenaar van ongeveer 64.000 ‘verhuureenheden’ in hun werkgebieden. 4.3 Exploitatie Groningenveld 4.3.1 Vanaf 1963 wint NAM vanuit 22 productielocaties (laagcalorisch) gas uit het zogenaamde ‘Groningenveld’, dat zich uitstrekt onder de gemeenten Appingedam, Bedum, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Loppersum, Menterwolde, Slochteren, Oldambt, Ten Boer en - gedeeltelijk - Bellingwedde en Haren. NAM exploiteert het Groningenveld als ‘operator’ voor rekening en risico van de Maatschap Groningen, een maatschap tussen Energie Beheer Nederland B.V. en NAM. Energiebeheer Nederland B.V., een vennootschap waarvan de aandelen worden gehouden door de Staat der Nederlanden, en NAM hebben een belang van respectievelijk 40% en 60% in de Maatschap Groningen. 4.3.2 De geschatte oorspronkelijke hoeveelheid winbaar aardgas in het Groningenveld was 2.800 miljard m³. Eind 2012 bevatte het Groningenveld nog ongeveer 780 m³ miljard aardgas. Sindsdien is er nog ongeveer 170 miljard m³ aardgas gewonnen, zodat nog ongeveer 610 miljard m³ aardgas resteert. 4.3.3 De hoeveelheid gewonnen aardgas in de loop der jaren verminderd. Werd in 1976, het jaar van de hoogste jaarlijkse gaswinning, nog ruim 87 miljard m³ aardgas gewonnen, in het gasjaar 2016 - 2017 (een gasjaar loopt van 1 oktober tot en met 30 september) was dat ongeveer 24 miljard m³. De hoeveelheid gewonnen gas is over een jaar niet constant, gelet op de veel grotere vraag naar gas in de winterperiode. Deze ‘seizoensfluctuatie’ is vanaf medio 2015 teruggebracht. NAM streeft nu naar een zo gelijkmatig mogelijke winning, een ‘vlakke winning’. 4.4 Aardbevingen, schade en schademeldingen in Groningen 4.4.1 Als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld vindt in de regio Noordoost- Groningen bodemdaling plaats. Deze daling gaat gepaard met aardbevingen op ongeveer 3 kilometer onder de grond. In de loop der tijd zijn de aardbevingen in frequentie en zwaarte toegenomen. De tot op heden zwaarste aardbeving - op 16 augustus 2012 nabij Huizinge - had een kracht van 3.6 op de schaal van Richter. Omdat de door de gaswinning geïnduceerde aardbevingen relatief ondiep plaatsvinden - de meeste (tektonische) aardbevingen vinden plaats op een diepte van 20 tot 100 kilometer onder de grond - zijn ze relatief goed voelbaar. 4.4.2 In een door het Koninklijk Nederlands Metereologisch Instituut (KNMI) naar aanleiding van de aardbeving bij Huizinge opgesteld rapport van januari 2013 is geconstateerd dat de hoeveelheid bevingen door de tijd toeneemt en dat dit verschijnsel lijkt te correleren met de toegenomen productie. Op basis van een vergelijking met gas- en olievelden buiten Nederland en daar voorkomende bevingen met een maximale magnitude van 4.2 tot 4.8, concludeert het KNMI dat niet verwacht wordt dat de maximaal mogelijke magnitude groter dan 5 zal worden. 4.4.3 Naar aanleiding van de aardbeving bij Huizinge heeft Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) onderzoek gedaan naar de vraag waarom er in een relatief korte tijd zoveel aardbevingen boven de 3 (Richter) hebben plaatsgevonden. SodM heeft haar bevindingen beschreven in het rapport “Reassessment of the probability of higher magnitude earthquakes in the Groningen Gas Field” van 16 januari 2013. 4.4.4 Bij brief van 22 januari 2013 heeft SodM de Minister geïnformeerd over gewijzigde inzichten in de aardbevingsgevoeligheid van het Groningse gasveld. In voornoemde brief schrijft SodM onder meer: “De belangrijkste conclusies op basis van het rapport zijn: 1. Het jaarlijkse aantal aardbevingen in het Groningse gasveld en de energie die daarbij vrijkwam zijn de afgelopen jaren toegenomen. Daarmee is voor Groningen ook de kans toegenomen op het optreden van aardbevingen met een hogere sterkte dan tot nu toe is waargenomen. 2. Hogere waarden voor de thans aangenomen maximum sterkte van 3,9 (Richter) kunnen op voorhand niet worden uitgesloten zonder aanvullende schattingen op basis van niet-seismische methodes zoals geomechanische berekeningen. Zulke data is momenteel niet beschikbaar voor Groningen. 3. Omdat op dit moment geen uitspraak kan worden gedaan over de maximum sterkte is de verwachtingswaarde voor de kans op een aardbeving met een sterkte van 3,9 of hoger in Groningen niet nauwkeurig te bepalen. Gedurende de komende 12 maanden is de verwachtingswaarde voor die kans ongeveer 7% (indien de maximaal mogelijke sterkte 5 zou zijn)” SodM adviseert in haar brief vervolgens: “Uit het onderzoek van SodM blijkt dat het niet te verwachten is dat op korte termijn het aantal aardbevingen in Groningen zal afnemen. Alleen door de gasproductie heel drastisch te reduceren of zelfs te stoppen is te verwachten dat er na enkele jaren vrijwel geen voelbare aardbevingen zullen optreden in het Groningenveld. SodM is zich er terdege van bewust dat een dergelijke ingrijpende maatregel, vanuit een breder perspectief dan alleen veiligheid, niet heel realistisch is. Echter een significante reductie in de gasproductie: - is de enige maatregel die op korte termijn genomen kan worden én waarvan het effect na 12 tot 16 maanden gemerkt zou moeten worden; - geeft een evenredig effect: bijvoorbeeld een 40% gasproductievermindering van 50 naar 30 miljard m³ per jaar zal leiden tot 40% minder verwachte aardbevingen per jaar een navenante reductie in de kans op een aardbeving groter dan 3,9. (…) Omdat de NAM, als primair verantwoordelijke partij, niet van plan is uit zichzelf de gasproductie te reduceren (zie brief NAM), adviseert SodM vanuit het oogpunt van veiligheid voor de inwoners van de provincie Groningen, die boven de aardbevingsgevoelige gebieden van het Groningse gasveld wonen en werken, en geredeneerd vanuit het voorzorgsbeginsel, om de NAM de volgende maatregel voor te schrijven: De gasproductie uit het Groningse gasveld zo snel mogelijk en zo veel als mogelijk en realistisch is, terug te brengen (…)” 4.4.5 De Minister heeft de Tweede Kamer bij brief van 25 januari 2013 op de hoogte gebracht van de conclusies en aanbevelingen uit het rapport van SodM (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 529, nr. 1). De Minister kondigt door NAM te verrichten nader onderzoek aan naar de maximaal te verwachten sterkte en door NAM te nemen passende maatregelen ter voorkoming en beperking van schade. Een besluit over de beperking van productie acht de Minister, zonder nadere informatie, niet verantwoord. 4.4.6 Van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2016 heeft het KNMI ongeveer 370 aardbevingen geregistreerd, waarvan ongeveer 175 met een kracht van 1.0 tot 1.9, 25 met een kracht van 2.0 tot 2.9 en 4 met een kracht vanaf 3.0 (3.2 op 9 februari 2013, 3.0 op 3 juli 2013, 3.0 op 13 februari 2014 en 3.1 op 9 oktober 2015). Het aantal bevingen met een kracht van meer dan 2.0 is in de loop van de tijd afgenomen van 11 in 2013, tot 8 in 2014, 5 in 2015 naar 1 in de eerste helft van 2016. In de tweede helft van 2016 hebben 2 bevingen met een zwaarte tussen 2.0 en 2.9 op de schaal van Richter plaatsgevonden, in 2017, tot en met 31 oktober 2017, nog 3. Het aantal bevingen met een kracht van 1.0 tot en met 1.9 bedroeg in die periode 42. 4.4.7 Op 8 januari 2018 vond bij Zeerijp (gemeente Loppersum) een aardbeving met een kracht van 3.4 op de schaal van Richter plaats. Deze aardbeving was de zwaarste sinds de aardbeving bij Huizinge van 16 augustus 2012. 4.4.8 Een aardbeving leidt tot een grondversnelling, het schudden van de grond. De grondversnelling wordt met versnellingsmeters aan het aardoppervlak gemeten en is afhankelijk van de diepte van de aardbeving, de afstand tot de aardbeving en de lokale grondgesteldheid en wordt vaak aangeduid met de afkorting PGA, Peak Ground Acceleration. De mate van de grondversnelling wordt uitgedrukt in (een fractie van
- de)g‑kracht, de valversnelling. Van de grondversnelling wordt de grondsnelheid (Peak Ground Velocity - PGV) afgeleid, uitgedrukt in minimeter per seconde. De grondversnelling/grondsnelheid is maatgevender voor het ontstaan en de omvang van schade als gevolg van een aardbeving aan gebouwen en infrastructurele werken dan de kracht van de aardbeving op de schaal van Richter. Daarnaast is voor het ontstaan en de omvang van schade uiteraard ook de aardbevingsbestendigheid van de desbetreffende gebouwen en infrastructurele werken van belang. 4.4.9 Het KNMI heeft op basis van metingen en berekeningen een ‘seismische hazardkaart’ voor Groningen gemaakt (door partijen ook wel aangeduid als de ‘contourenkaart’). Deze kaart geeft een inschatting weer van de mogelijke grondversnellingen door aardbevingen in de toekomst (met een overschrijdingskans van eens in de 475 jaar) en beschrijft daarmee de dreigingen en gevolgen van bevingen. De meest recente kaart is van 15 juni 2017. Uit deze kaart volgt dat in het gebied van het Groningenveld de te verwachten maximale grondversnelling varieert van 0,05 g aan de randen tot 0,24 g in de omgeving van Ten Boer. 4.4.10 Uit gegevens van NAM volgt dat tot en met 30 mei 2017 ongeveer 85.000 meldingen bij NAM zijn gedaan van schade in verband met aardbevingen of bodemverzakkingen. Het grootste aantal meldingen - ongeveer 30.000 - werd volgens die gegevens in 2015 gedaan. Vanaf het tweede kwartaal van 2016 schommelt het aantal meldingen tussen de 2.000 en 3.000 per kwartaal. 4.5 Winningsbesluiten 4.5.1 Bij besluit van 30 januari 2015, zoals gewijzigd bij besluit van 29 juni 2015, tot instemming met het door NAM ingediende winningsplan 2013 heeft de Minister voor het gasjaar 2015-2016 de toegestane gaswinning beperkt tot 33 miljard m³. 4.5.2 In haar uitspraak over dit winningsplan van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3578) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deze besluiten vernietigd en bij voorlopige voorziening de te winnen hoeveelheid verlaagd tot in beginsel maximaal 27 miljard m³. 4.5.3 In april 2016 heeft NAM een actueel winningsplan ingediend. In dat winningsplan stelt NAM voor om in het gasjaar 2016-2017 de hoeveelheid te winnen gas in beginsel gelijk te houden aan de in het gasjaar 2015-2016 gewonnen hoeveelheid (27 miljard m³). In de toekomst zou, zo vermeldt het winningsplan, de gaswinning jaarlijks neerwaarts of opwaarts op een beheerste en gelijkmatige wijze kunnen worden aangepast. De bovengrens voor gaswinning voor de langere termijn is in het winningsplan 33 miljard m³ per gasjaar. Volgens de meest recente inzichten is bij die hoeveelheid een gelijkmatige winning mogelijk en is de veiligheid voor bewoners in voldoende mate gewaarborgd, zo staat in het plan. In het hierna te vermelden instemmingsbesluit wordt hetgeen in het winningsplan is vermeld over schades als volgt samengevat:“Naast het risico op slachtoffers leidt gaswinning ook "tot schades die niet levensbedreigend zijn, maar toch hinder veroorzaken". Voor de karakterisering van schade maakt NAM gebruik van een internationaal aanvaarde schaal voor "schadegrenstoestanden". Dat is een vijfpuntsschaal. Schadegrenstoestand 1, doorgaans aangeduid met Damage State 1, kortweg DS1, houdt in, dat er geringe schade is opgetreden: geen structurele schade, haarscheuren in enkele muren, loslaten van stukken pleisterwerk, en dergelijke. Het andere uiterste van de schaal (schadegrenstoestand 5, DS5) houdt in dat het gebouw geheel of gedeeltelijk is ingestort. DS2 tot en met DS4 zitten daar tussenin. NAM stelt in het winningsplan: "In het geval van een voortgezette productie blijven de schade- en hindereffecten voor de bewoner bestaan. (…)" (p. 55). NAM heeft de verwachting voor nieuwe DS3-schades dat "het gaat om een gering aantal, aangezien de drempel voor het verwachte optreden van dergelijke schade wordt overschreden vanaf ongeveer 0,15 g (p.56). NAM stelt dat van DS1 en DS2 schades "meer een maatschappelijk effect dan een levensbedreigend effect" uitgaat (p.56). Volgens NAM zullen "DS1 en in mindere mate DS2 schades blijven optreden" (p. 71). NAM probeert een eerste inschatting van het aantal toekomstige schades te maken, maar concludeert dat het meldingspatroon van schades sinds de Huizinge-aardbeving niet het patroon van de bevingen volgt. In het winningsplan gaat NAM ervan uit, dat de schade naar verwachting proportioneel is in verhouding met de winning (p.77).” 4.5.4 Bij besluit van 30 september 2016 heeft de Minister met dat winningsplan ingestemd en daarbij, in artikel 2 lid 1, bepaald dat in beginsel maximaal 24 miljard m³ aardgas per gasjaar mag worden gewonnen. In artikel 2 lid 2 is met het oog op de kans dat het een relatief koud jaar is, bepaald dat een volgens in dit artikellid opgenomen formule te bepalen aanvullende gaswinning is toegestaan - tot een maximum van 6 miljard m³ - indien het aantal effectieve graaddagen (als uiteengezet in de bijlage bij het besluit) hoger is dan 2300. In artikel 5 lid 4 is bepaald dat wanneer boven het Groningen gasveld 0,25 of meer aardbevingen met een sterkte van 1.0 op de schaal van Richter of meer per vierkante km per jaar plaatsvinden, of wanneer een grondversnelling van meer dan 0,05 g is vastgesteld NAM moet rapporteren welke beheersmaatregelen worden genomen om het seismisch risico verder te beperken. In artikel 10 is bepaald dat NAM uiterlijk op 30 september 2020 een nieuw en geactualiseerd winningsplan moet indienen. 4.5.5 Nadat enige tijd weinig bevingen in de regio Loppersum plaatsvonden, liep het jaarlijkse aantal bevingen met een sterkte van 1.0 op de schaal van Richter per vierkante kilometer in de periode 31 oktober 2016 tot 11 maart 2017 op tot 0,22 bevingen per vierkante km. Daarmee werd de in artikel 5 lid 4 van het instemmingsbesluit opgenomen signaleringswaarde van 0,25 bevingen per vierkante km per jaar genaderd.SodM heeft bij brief van 13 april 2017 aan de Minister geadviseerd om bij een overschrijding van de signaleringswaarde de gaswinning te verlagen met een eerste reductiestap van 10%. De Minister heeft vervolgens op 24 mei 2017 een Wijzigingsbesluit genomen. In dat besluit heeft de Minister op basis van dit advies van SodM geconstateerd dat niet kan worden vastgesteld dat thans aan de veiligheidsnorm wordt voldaan. Tegen die achtergrond en gelet op de kans dat de signaleringswaarde binnen niet al te lange tijd zal worden overschreden heeft de minister onderzocht of een verlaging van de jaarlijkse gaswinning met 10% mogelijk is.Uit een op 17 mei 2017 door Gasunie Transport Service (GTS) uitgebracht rapport, blijkt dat het ook mogelijk is om bij een jaarlijkse winning van circa 21 miljard m³ gas in een qua temperatuur gemiddeld jaar de winning van het gas gelijkmatiger te spreiden over het jaar zonder afbreuk te doen aan de leveringszekerheid, aldus de Minister. Een besluit tot verdere verlaging van het productieplafond vanuit de belangen van veiligheid en het voorkomen van schade raakt de belangen van NAM fors, maar desondanks acht de minister deze aantasting niet disproportioneel. Daarbij acht de Minister van belang dat bij de huidige stand van zaken niet kan worden vastgesteld of gedurende de looptijd van het instemmingsbesluit aan de veiligheidsnorm wordt voldaan, zodat aan het veiligheidsbelang meer gewicht moet worden toegekend. Op basis van het voorgaande heeft de Minister bij het wijzigingsbesluit de in artikel 2 lid 1 van het instemmingsbesluit toegestane gaswinning uit het Groningenveld van maximaal 24 miljard m³ per gasjaar verlaagd tot 21,6 miljard m³ met ingang van het gasjaar 2017-2018. Daarnaast is het tweede lid gewijzigd door te bepalen dat een aanvullende gaswinning is toegestaan tot een maximum van 5,4 miljard m³ (in plaats van 6 miljard m³) indien het aantal effectieve graaddagen hoger is dan 2370 (in plaats van 2300). 4.5.6 In een uitspraak van 15 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3156), derhalve na het pleidooi in hoger beroep, heeft de Afdeling zowel het beroep tegen het instemmingsbesluit van 30 september 2016 als dat tegen de wijziging van het instemmingsbesluit van 24 mei 2017 gegrond verklaard en beide besluiten vernietigd. De Afdeling heeft de Minister opgedragen binnen één jaar een nieuw besluit te nemen en de voorlopige voorziening getroffen dat hetgeen bij de besluiten van 30 september 2016 en 24 mei 2017 is bepaald in stand blijft totdat een besluit over het winningsplan is genomen en in werking is getreden. 4.6 In verband met de aardbevingen aangekondigde en reeds genomen maatregelen 4.6.1 Na 2012 zijn diverse maatregelen genomen om verdere schade vanwege de gaswinning te voorkomen, ontstane schade te herstellen en te vergoeden en om de vitaliteit van de regio boven het Groningenveld te stimuleren. In een brief aan de Tweede Kamer van 17 januari 2014 (TK 2013-2014, 33 529, nr. 28) heeft de Minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de te nemen maatregelen langs drie sporen:1. Gerichte vermindering van de gaswinning ten behoeve van de veiligheid;2. Grootschalige preventieve versterking van woningen, gebouwen en infrastructuur en adequate schadeafhandeling;3. Verbetering van het economisch perspectief van de regio door bedrijvigheid te stimuleren. 4.6.2 De genoemde maatregelen komen overeen met het pakket aan maatregelen dat is neergelegd in een bestuurlijk akkoord met de titel “Vertrouwen op Herstel en Herstel van Vertrouwen”. Dit akkoord is gesloten tussen de Minister, de provincie Groningen en de gemeenten in het risicogebied. De NAM heeft aan de totstandkoming van dit document meegewerkt en onderschrijft de inhoud ervan. De maatregelen uit het akkoord worden door NAM verder uitgewerkt en geïmplementeerd in overleg met diverse betrokkenen, verenigd in de “Dialoogtafel”. 4.6.3 In mei 2015 is de Nationaal Coördinator Groningen (hierna: NCG) ingesteld, die is belast met “het bevorderen van de totstandkoming van het Programma Aardbevings-bestendig en Kansrijk Groningen”. In dat programma worden de hiervoor vermelde drie sporen uitgewerkt. De NCG heeft in december 2015 het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen 2016 - 2020 uitgebracht en een jaar later de geactualiseerde versie voor de jaren 2017 - 2021, waarin een overzicht wordt gegeven van alle genomen maatregelen. Het gaat om een integrale aanpak op het gebied van veiligheid, leefbaarheid, duurzaamheid en regionale economie. De NCG dient ervoor te zorgen dat private en publieke partijen hun verantwoordelijkheden nemen. 4.6.4 Vanaf 2013 heeft NAM woningen en publieke gebouwen die risico lopen laten analyseren op bouwkundige aspecten. Vanaf 2014 zijn door NAM acute onveilige situaties verholpen en maatregelen getroffen om gebouwen veiliger te maken. In het NCG Meerjarenplan 2016-2020 is beschreven hoe particuliere woningen duurzaam zullen worden versterkt op grond van de KNMI Contourenkaart, het ‘Versterkingsprogramma’. Door de bouwkundige versterking wordt de kwetsbaarheid van de woningen ondervangen, waardoor ze (beter) bestand zijn tegen zwaardere bevingen. In het Meerjarenprogramma 2017 - 2021 heeft de NCG over het versterkingsprogramma onder meer het volgende geschreven (blz. 40 en 45, 46): “ Onderzoek is nodig om de versterkingsopgave in beeld te krijgen. NCG is hiermee gestart in het gebied met de hoogste seismische dreiging. De verdere prioritering is vervolgens bepaald op basis van de kwetsbaarheid van een gebouwtype, de opbouw van de ondergrond en door de gebiedsgerichte aanpak (om maximaal koppelkansen te kunnen benutten). Voor wat betreft de sterkte van gebouwen zijn nagenoeg alleen nog statistische gegevens beschikbaar. Door uit te voeren onderzoek en beoordelingen krijgt NCG steeds meer zicht op welke gebouwtypen feitelijk het meest kwetsbaar zijn.(…) De eerste beoordelingen (na inspecteren, sonderen, modelleren en berekenen) van gebouwen komen nu beschikbaar. Doordat gerekend is met de meest geavanceerde rekenwijze die de NPR kent, geven de eerste (voorlopige) berekeningen een behoorlijke duiding. De opgave is naar nu lijkt omvangrijk. Als alle woningen binnen vijf jaar beoordeeld moeten worden of zij aan de norm van 10-5 voldoen, dan moet het tempo van beoordelingen fors omhoog. Alleen al om de circa 22.000 woningen binnen de 0,2g pga-contour te beoordelen. Het gebied daarbuiten wordt zo snel mogelijk opgepakt, maar pas na afronding van de opgave binnen de 0,2g pga-contour. Tenzij nieuwe inzichten ten aanzien van risico’s noodzaken dat hier tussentijds moet worden begonnen.(…)Het is de ambitie van de NCG om binnen vijf jaar in beeld te krijgen of de woningen en andere gebouwen binnen de 0,2g pga-contour (op basis van de KNMI-kaart van oktober 2015) voldoen aan de norm van 10-5 (een kans van 1:100.000 per jaar om te overlijden door het instorten van de woning). Zodra de resultaten van inspecties en berekeningen bekend zijn, moeten woningen die versterkt moeten worden, zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen vijf jaar worden versterkt om ze te laten voldoen aan de norm. De aanpak gaat dus niet alleen over versterking, maar ook over versterking binnen een korte periode. De maatregelen in het MJP 2017-2021 zijn er op gericht dat dit kan worden bereikt. (…) De aantallen moeten echter ondergeschikt blijven aan die van de gebiedsgerichte aanpak, omdat in lijn met de prioriteringsaanpak het grootste deel van de beschikbare capaciteit daar ingezet moet worden waar het hoogste risico is. Binnen de 0,2g pga-contour bevinden zich ongeveer 22.000 woningen en 1.500 gebouwen waar veel mensen bijeenkomen. Dat betekent dat er gemiddeld 5.000 woningen en 300 overige gebouwen per jaar beoordeeld moeten worden om het doel binnen vijf jaar te halen. Dit eerste jaar is gestart met ongeveer 1.450 woningen en andere gebouwen, waarvan de eerste beoordelingen beschikbaar zijn. Daarom moet de aanpak worden versneld. Hoe de versnelling wordt vormgegeven, is in dit hoofdstuk verder uitgewerkt in 3.4.1.4.” 4.6.5 Voor herstel van fysieke schade hanteerde NAM een in de zogenaamde ‘Schaderegeling’ neergelegde schadeafhandelingsprocedure. Met de uitvoering van de regeling was het Centrum Veilig Wonen belast, dat op afstand wordt aangestuurd door NAM, maar onder onafhankelijk toezicht staat. Met ingang van 31 maart 2017 heeft NAM zich teruggetrokken uit het schadeproces. Sindsdien ligt de schadeafwikkeling stil in afwachting van een nieuw schadeprotocol. 4.6.6 In de periode van 6 november 2014 tot 1 februari 2016 was een waardevermeerderingsregeling van kracht, die inhield dat woningeigenaren met minimaal € 1.000,- fysieke aardbevingsschade een vergoeding van € 4.000,- ontvingen als zij investeerden in energiebesparende maatregelen. Ruim 38.000 woningeigenaren hebben een aanvraag gedaan onder deze regeling. Per 3 april 2017 is een nieuwe regeling opengesteld voor schades vanaf 1 januari 2016. In 2017 is € 40.000.000,- beschikbaar voor de regeling. Uit de kwartaalrapportage april - juni 2017 van de NCG volgt dat ruim 1.000 aanvragen zijn ingediend. 4.6.7 NAM heeft een Waarderegeling opgesteld om woningeigenaren te compenseren bij verkoop of toescheiding van de woning in het kader van een boedelscheiding indien blijkt dat hun woning als gevolg van waardedaling veroorzaakt door aardbevingen minder heeft opgebracht dan zonder aardbevingen het geval zou zijn geweest. De Waarderegeling is alleen van toepassing op transacties waarbij minimaal één van de betrokken partijen niet bedrijfsmatig handelt. Tot 1 november 2017 zijn ruim 8.000 aanvragen om een vergoeding op basis van de Waarderegeling ingediend.In de Regeling Waardedaling, waarin de voorwaarden van de Waarderegeling zijn vastgelegd, is onder meer het volgende bepaald: “1.1 NAM biedt deze Regeling aan ter compensatie van aantoonbare waardedaling na een volledig afgeronde verkoop en de daaropvolgende juridische levering (deze juridische levering hierna te noemen “levering”) van woning(
- en)als gevolg van het risico op aardbevingen die het gevolg zijn van de gaswinning door NAM in het Groningen-veld. Vaststelling en vergoeding van deze waardedaling vindt plaats volgens de in deze Regeling genoemde procedures. 1.2 De Regeling is bestemd voor eigenaren van een woning gelegen in een van de volgende gemeenten: Appingedam, Bedum, Delfzijl, Eemsmond, Loppersum, Slochteren, Ten Boer, Winsum, De Marne, Hoogezand-Sappemeer of Menterwolde (hierna aangeduid als het “Gebied”) die hun woning hebben verkocht en geleverd na 25 januari 2013 (hierna in het enkelvoud aangeduid als de “Verkoper”). Hieronder wordt ook begrepen transacties van woningen waarbij: (
- i)Verkoper bedrijfsmatig handelt, maar koper niet bedrijfsmatig handelt of (
- ii)Verkoper niet bedrijfsmatig handelt, maar koper wel bedrijfsmatig handelt of (iii) sprake is van een (echt)scheiding of (
- iv)sprake is van een erfrechtelijke verkrijging.(…)3.3 Voor de beoordeling zal NAM voor de betreffende woning en op basis van de kenmerken van die woning een inschatting (laten) maken van het verschil tussen de gerealiseerde verkoopprijs, en de verkoopprijs zoals die gerealiseerd zou zijn door de Verkoper in een situatie zonder aardbevingsrisico. Dit verschil, met inachtneming van de verdere bepalingen van deze Regeling, betreft de waardedaling als omschreven onder 3.4 (“Waardedaling”). 3.4 Voor de beoordeling zullen alle invloeden en marktcondities die niet het gevolg zijn van het risico op aardbevingen en een eventuele marktverstorende werking van de Regeling worden geëlimineerd. De Verkoper heeft daarnaast de plicht zijn schade zo veel mogelijk te beperken door een zo hoog mogelijke verkoopprijs te realiseren, die recht doet aan de marktwaarde definitie. Indien NAM bij beoordeling van de aanvraag tot het oordeel komt dat Verkoper niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht, zal NAM dit meenemen bij de bepaling van de Waardedaling.”In een voetnoot bij artikel 3.4 wordt opgemerkt:“Voor de definitie van marktwaarde wordt aangesloten op de IVS 2013: Marktwaarde is het geschatte bedrag waartegen een object tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marketing in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de waardepeildatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld. De marktwaardedefinitie is in 2009 geadopteerd door NVM, NVR, VBO, RICS en Vastgoedpro.” 4.6.8 NAM heeft een bedrag van € 10.000.000,- beschikbaar gesteld aan de NCG voor het door de NCG ontwikkelde Koopinstrument, in het kader waarvan in het gebied binnen de 0,2 PGA-contour woningen worden opgekocht die onverkoopbaar blijken te zijn. De woningeigenaren ontvangen 95% van de taxatiewaarde (de marktwaarde) van hun woning. In het Meerjarenprogramma 2017 - 2021 van de NCG is vermeld dat 55 woningen zijn opgekocht en dat zal worden onderzocht of en op welke wijze een vervolg zal worden gegeven aan het Koopinstrument. Eigenaren die menen dat hun woning door de aardbevingen onverkoopbaar zijn geworden kunnen onder bijzondere omstandigheden ook een beroep doen op de Commissie Bijzondere Situaties. 4.6.9 In meergenoemde rapporten van de NCG wordt melding gemaakt van tal van initiatieven en projecten die zijn gericht op de bevordering van de leefbaarheid, duurzaamheid en economische bedrijvigheid van de regio. 4.7 Het regeerakkoord 2017 - 2021 4.7.1 Het regeerakkoord 2017 - 2021 bevat een uitgebreide passage (par. 3.3) over de gaswinning, waarin onder meer het volgende is vermeld:“3.3 Gaswinning De impact van de aardbevingen in Groningen is enorm. Alle facetten daarvan blijven hoog op de agenda. Bij alles geldt: veiligheid staat voorop. We nemen maatregelen om de behoefte aan Groningengas te verminderen. Dit maakt de verdere stapsgewijze verlaging van de winning mogelijk, die noodzakelijk is voor de veiligheid in het gaswinningsgebied én de veiligheid bij afnemers. Daarnaast werken we aan preventie, herstel en perspectief boven de grond. Herstel en versterking van woningen, gebouwen, monumenten en infrastructuur moet centraal staan; niet de discussie over de verantwoordelijkheidsverdelingen. De afhandeling van schade en herstel wordt onafhankelijk van de NAM. Voor de investeringen in de leefbaarheid en economie van de regio wordt een fonds ingesteld. Veilige en verantwoorde gaswinning De maatregelen die nodig zijn om de veiligheid van de gaswinning te verankeren worden doorgevoerd. Tegelijkertijd zal bij besluiten over gaswinning ook gekeken worden naar de veiligheidsrisico’s die samenhangen met leveringszekerheid. Doel is om in de periode tot 2021 de vraag naar Groningengas met 3 miljard kubieke meter (bcm) te verminderen ten opzichte van 2017. Volgens de huidige inzichten verkleint zowel minder winning als een vlakkere winning het aardbevingsrisico. Tegelijkertijd is duidelijk dat we ruimte moeten maken en behouden om in de toekomst snel te kunnen reageren op nieuwe inzichten en gebeurtenissen als de veiligheid daarom vraagt. Het meet- en regelprotocol dat door NAM is ontwikkeld en door het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) getoetst wordt, kan helpen om het gasveld op een verantwoorde manier te exploiteren. Deze aanbeveling van het SodM nemen we over. De daling van de vraag zal daarom voor ongeveer de helft gebruikt worden om ruimte te creëren om ´vlakker” te winnen. (…) Aan het eind van de kabinetsperiode zal de winning naar verwachting circa 1,5 bcm lager kunnen liggen dan volgens het meest recente winningsbesluit van 21.6 bcm (per okt 2017). Het verschil in de daling van de vraag (3 miljard kubieke meter) en de daling van de winning (1,5 miljard kubieke meter) geeft de buffer die nodig is om veiligheid in de ondergrond te combineren met een stabiele en veilige gasvoorziening bij de mensen thuis. Dit is de vlakke winning zoals het SodM die adviseert. Na 2021 kan een verdere verlaging worden verwacht. Scenario’s hiervoor worden door het kabinet uitgewerkt. (…)Investeringen in herstel en preventie De schade in het gaswinningsgebied is groter dan alleen materieel. Veel mensen zijn geconfronteerd met onzekerheid, waar perspectief op een nieuwe toekomst nodig is. Competentieconflicten tussen publieke en private partijen verergeren deze situatie. De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) krijgt in overleg met de regio een wettelijk verankerde onafhankelijke positie. De NAM wordt op afstand gezet bij de afhandeling van schade en herstel en bij versterking. Onder onafhankelijke publieke regie komt er een schadefonds. Dit laat onverlet de financiële verantwoordelijkheid van de NAM. Er komt een met de regio afgestemd schadeprotocol waarmee bewoners worden geholpen en waardoor zij geen last hebben van strijd tussen publieke en private partijen. De NCG zal bezien hoe gegarandeerd kan worden dat bewoners tegen redelijke kosten toegang tot rechtsbijstand kunnen krijgen. De huidige arbitrage-regelingen blijven bestaan. De versterking van woningen en gebouwen blijft noodzakelijk. Want de realiteit is dat door gaswinning spanning in de ondergrond is opgebouwd die ook in de toekomst kan leiden tot aardbevingen, ook nu de gaswinning wordt afgebouwd. Met een programmatische aanpak zal onder regie van de NCG de herstel en versterkingsopgave ter hand worden genomen. De NCG wordt eveneens gevraagd een opkoopregeling uit te werken in het verlengde van de Pilot Koopinstrument. Regiofonds voor nieuw perspectief op economische versterking en leefbaarheid Met ingang van 2018 valt een jaarlijks bedrag ter grootte van 2½ % van de aardgasbaten ten deel aan een fonds voor de regio, hetgeen op dit moment neerkomt op 50 miljoen euro per jaar. Voor de versterking van de economie en leefbaarheid sluit het Rijk met de provinciale en gemeentelijke bestuurders een tripartiet bestuursakkoord voor een investeringsprogramma gericht op het versterken van de economische structuur van het gebied, waarbij een prominente rol voor Groningen op het gebied van energietransitie en duurzaamheid centraal staan. In het fonds komt geld beschikbaar voor zorgprofessionals en geestelijke verzorgers voor de begeleiding van mensen die psychische klachten hebben overgehouden aan de aardbevingsproblematiek. Het Erfgoedloket en het Erfgoed-adviesteam worden gecontinueerd. De financiering hiervan zal, via het fonds voor de regio kunnen lopen. De herstel- en versterkingswerkzaamheden, waarvoor de NAM financieel verantwoordelijk is, worden zo veel mogelijk gecombineerd met werkzaamheden die gericht zijn op verduurzaming van huizen en economische structuurversterking waarvoor middelen in het fonds voor de regio bestemd zijn. De provincie Groningen kan de nationale koploper worden bij de energietransitie en als kenniscentrum op dit gebied functioneren. Het fonds kan hierbij helpen.” 4.8 De corporaties 4.8.1 Stichting Acantus Groep heeft in haar jaarverslag 2016 onder meer het volgende geschreven:“Effecten van aardbevingen op de waarde en waardering van woningenAardbevingen kunnen een effect hebben op de waarde en daarmee de waardering van het onroerend goed van Acantus. Dit kan effect hebben op de waardering in de jaarrekening en raakt zowel de marktwaarde in verhuurde staat als de bedrijfswaarde. De rechtbank in Assen heeft in 2015 uitspraak gedaan waardoor waardedaling van onroerend goed als gevolg van aardbevingen aangemerkt kan worden als schade en daarmee in aanmerking komt voor een vergoeding van de exploitant, de NAM. De NAM is tegen deze uitspraak in beroep gegaan. Het effect van aardbevingen op de marktwaarde is per definitie onderdeel van de marktwaarde zoals deze is opgenomen in de balans van Acantus. Externe deskundigen (taxateurs) geven aan dat voor de gemeente Delfzijl vertraging waar te nemen is op verkopen. In de gemeente Delfzijl is sprake van daling van de leegwaarde. Het aantal transacties neemt hier af en transacties vinden vooral plaats tussen lokale partijen en bewoners. Voor de toekomst verwacht Acantus een toename van het risico op waardedaling als gevolg van aardbevingen in Delfzijl. Acantus heeft in 2016 samen met de andere corporaties in het aardbevingsgebied Prof. Dr. G. de Kam (RUG) gevraagd de waardedaling te kwantificeren. Een eerste doorrekening komt uit op een waardeverlies voor alle 48.616 corporatiewoningen van afgerond € 134 miljoen, 3,0 procent van de totale waarde van de portefeuille (op WOZ-basis) in het aardbevingsgebied. Het aandeel van Acantus hierin bedraagt rond 3.000 woningen, met een totale WOZ-waarde in 2012 van ruim € 327,7 miljoen. Voor de woningen van Acantus is hierop een waardeverlies berekend van € 15,3 miljoen, zijnde 4,7 procent. De genoemde waardedaling is gebaseerd op een methode ontwikkeld aan de TU-Delft, waarbij de waardedaling wordt afgeleid van het aantal schademeldingen in een viercijferig postcodegebied. Deze methode is (net als andere benaderingen) niet vrij van kritiek. In 2017 gaan de gezamenlijke corporaties verder met het doen van onderzoek naar waardedaling. Hiervoor is onder meer contact gezocht met het kadaster.Voor DAEB-vastgoed gewaardeerd op basis van bedrijfswaarde c.q. de bedrijfswaarde zoals opgenomen in de toelichting bij de jaarrekening, is het effect slechts beperkt waarneembaar, omdat dit vastgoed gewaardeerd is op basis van de contante waarde van de exploitatiekasstromen. Voor de daarbij gehanteerde uitgangsposities wordt verwezen naar de toelichting in paragraaf 5.4 (waarderingsgrondslagen) en paragraaf 5.5 (toelichting op de balans) zoals opgenomen in de toelichting op de jaarrekening. Het effect van afnemende verhuurbaarheid in de toekomst c.q. dalende restwaarde aan einde levensduur door aardbevingsschade is op dit moment onbekend en daarmee niet in de waardering begrepen. De gehanteerde parameters bij de bedrijfswaardebepaling zijn echter aan toenemende onzekerheden onderhevig als gevolg van de huidige ontwikkelingen.(…)Gevolgen voor de jaarrekeningAls gevolg van bovenstaande omstandigheden bestaan belangrijke onzekerheden ten aanzien van de waardering van het DAEB- en niet-DAEB-vastgoed per 31 december 2016. Gezien de status van de inventarisatie van de technische en economische schade aan het vastgoed, de status van de Nederlandse Praktijkrichtlijn voor aardbevingsbestendig bouwen, het ontbreken van voldoende referentie-transacties (zeker bij complexgewijze verkopen die de basis vormen voor een marktwaarde waardering) en de lopende gesprekken en procedures met de NAM en overige stakeholders zijn de financiële consequenties hiervan vooralsnog niet op voldoende betrouwbare wijze te bepalen. Acantus heeft tevens beoordeeld of zij financieel in staat is om de gevolgen van de aardbevingsschade (timingverschil tussen uitgaande kasstromen als gevolg van schadeherstel en -beperking en extra kosten in haar bedrijfsvoering én te ontvangen vergoedingen) op te vangen en de toekomstige bedrijfsvoering te kunnen continueren. Naar de mening van het bestuur, met de kennis per balansdatum is er geen aanleiding om te veronderstellen dat Acantus hier niet toe in staat zou zijn. Een mogelijke lagere waardering van het vastgoed heeft geen effect op de leningsvoorwaarden, de financiering is geborgd bij het Waarborgfonds waarbij per balansdatum aan de criteria van het Waarborgfonds (zijnde rentedekking, Debt-Service-Coverage-Ratio en Loan-to-value) wordt voldaan. Deze situatie leidt niet tot directe opeisbaarheid van de financiering. Acantus schat dit risico ten aanzien van de continuïteit op dit moment nog als laag in.” 4.8.2 In de jaarverslagen van de andere corporaties betreffende het jaar 2016, voor zover gereed, is een vergelijkbare tekst opgenomen. 4.8.3 In een brief van 11 februari 2015 aan de tweede kamer heeft de Vereniging van Woningbouwcorporaties, Aedes, onder meer het volgende geschreven:“Waardedaling en compensatieregeling voor woningcorporatiesEen ander probleem voor corporaties doet zich voor door de waardedaling van woningen. Dit komt op termijn tot uitdrukking in de financiële positie en de mogelijkheid die corporaties hebben te investeren dan wel financiering aan te trekken. De huidige compensatieregeling is beperkt, geldt alleen voor particulieren en wordt (pas) uitgekeerd bij verkoop. Voor corporaties moet dus een andere regeling komen en deze moet gaan gelden voor het hele aardbevingsgebied.” 4.8.4 In een brief van 9 februari 2016 aan de bestuurders van de verschillende corporaties heeft de Autoriteit woningcorporaties (hierna: Aw) onder meer het volgende geschreven:“De Aw constateert dat de aardbevingsproblematiek in Groningen extra risico’s oplevert voor de corporaties in dit gebied. In deze brief leest u welke waarnemingen de Aw deed tijdens de bijeenkomst van 2 december 2015 over de problematiek (…). U leest ook welke (financiële) risico’s en consequenties de Aw aan deze problematiek verbindt en de wijze waarop het toezicht op de corporaties in het aardbevingsgebied wordt ingekleed.(…)Vanwege de grote onzekerheden en risico’s neemt de Aw bijna alle C14-corporaties op in de reguliere monitoring. Alleen Stichting Wold- en Waard is hiervan uitgezonderd, omdat deze geen bezit heeft in het aardbevingsgebied. De aangeleverde dPi 2015 is het uitgangspunt voor individuele gesprekken. Deze gesprekken kunnen leiden tot nadere afspraken en interventies.” 4.9 Rapporten over de waardevermindering van woningen in het aardbevingsgebied 4.9.1 In de loop van de procedure hebben partijen tal van rapporten in het geding gebracht over de effecten van aardbevingen op de waardeontwikkeling van woningen in het gebied van het Groningenveld. Een aantal van die rapporten heeft een periodiek karakter, in die zin dat deze van tijd tot tijd worden aangepast aan de nieuwste gegevens en inzichten. Het hof zal enkele van die rapporten, waar het verder in het arrest op zal teruggrijpen, hier aanhalen. 4.9.2 In opdracht van onder meer de provincie Groningen heeft onderzoeksbureau OTB van de TU Delft een uitgebreide studie gedaan naar de mogelijke effecten van de aardbevingen op de woningmarkt in het risicogebied. Deze studie, die is opgebouwd uit een aantal deelstudies, heeft in januari 2016 geresulteerd in het rapport “Woningmarkt- en leefbaarheidsonderzoek aardbevingsgebied Groningen. De inleiding van het hoofdstuk met de samenvatting en de conclusies luidt als volgt:“In dit laatste hoofdstuk zijn de belangrijkste bevindingen uit de negen deelonderzoeken naar de effecten van de aardbevingen op het functioneren van de woningmarkt in de negen gemeenten uit het kerngebied van de bevingen in kaart gebracht. De meest in het oog springende resultaten uit deze negen deelonderzoeken zijn het gevoel van onzekerheid en onveiligheid, de sterk gedaalde leefbaarheid, het gebrek aan vertrouwen en transparantie met betrekking tot het ontwikkelde beleid en de ingezette procedures bij de bewoners in het aardbevingsgebied. Deze uitkomsten leiden tot psychosociale problemen bij een deel van de bewoners uit het aardbevingsgebied. Van de bijna 53.000 huishoudens in de negen aardbevingsgemeenten voelen ruim 15.000 huishoudens zich onveilig. Dat is 29% van het totaal aantal huishoudens. Bijna 4.000 huishoudens kampen met psychische problemen als gevolg van de aardbevingsproblematiek. Over het algemeen geldt, hoe groter de aardbevingsintensiteit (gemeten aan de hand van het aantal vastgestelde schades), hoe groter de impact van de aardbevingen op het wonen. Van een heel sterke samenhang is echter geen sprake: in de gebieden met een lagere aardbevingsintensiteit is de impact van de aardbevingen vaak groter dan op basis van het aantal schades verwacht kan worden, terwijl voor het gebied met een hoge aardbevingsintensiteit juist het omgekeerde geldt. Ook de bewoners van gebieden met een lagere aardbevingsintensiteit ervaren duidelijk de negatieve gevolgen van de aardbevingsproblematiek. Hierbij gaat het niet alleen om de concrete fysieke effecten van de aardbevingen, maar ook om onzekerheid over de impact van toekomstige aardbevingen en het negatieve beeld dat de regio als gevolg van de aardbevingsproblematiek heeft gekregen. Kortom, overal in het aardbevingsgebied heeft de aardbevingsproblematiek een substantiële impact op het wonen en het woongenot, waarbij de aardbevingsintensiteit (samen met een aantal andere determinanten waaronder bevolkingskrimp) vervolgens zorgt voor een nadere ruimtelijke differentiatie van deze impact. Ook gaat het feitelijk niet alleen over de aardbevingsproblematiek maar over de gaswinningsproblematiek over de volle breedte.” 4.9.3 In opdracht van NAM heeft Atlas voor gemeenten (hierna: Avg) op 17 oktober 2017 een rapport uitgebracht “Vijf jaar na Huizinge”. Het rapport is het resultaat van een onderzoek naar onder meer een nauwkeuriger definiëring van het risicogebied en het prijseffect van het uitkeren voor een vergoeding van fysieke schade. De samenvatting van het rapport luidt als volgt: “• In dit onderzoek is het effect van aardbevingen en aardbevingsrisico op de huizenprijzen in een nieuw afgebakend risicogebied in de provincie Groningen onderzocht. Het onderzoek richt zich op de periode van augustus 2012 (de beving in Huizinge) tot en met juni 2017. Er is zowel naar een eventueel imago-effect voor het gebied als geheel, als naar het effect van de bevings- en schadehistorie op de verschillende plekken in het gebied gekeken. • Uit het onderzoek blijkt dat een imago-effect binnen een gebied met dertig procent of meer geaccepteerde schadegevallen ten opzichte van de totale woningvoorraad aannemelijk is en binnen een gebied met twintig procent of meer schadegevallen niet uit te sluiten. Het risicogebied is daarom gedefinieerd als het gebied met twintig procent of meer geaccepteerde schadegevallen ten opzichte van de totale woningvoorraad. • Binnen dat risicogebied komt het netto prijseffect voor de gehele periode gemiddeld uit op 2,2% per woning. Omdat de bevings- en schadehistorie sterk variëren, is het prijseffect afhankelijk van de specifieke ligging binnen het risicogebied en zijn er grote individuele verschillen. • Ook lijkt het prijseffect van aardbevingen en aardbevingsrisico te variëren in de tijd. Aan het begin van de periode – van augustus 2012 (‘Huizinge’) tot en met januari 2014 (de aankondiging van diverse compenserende maatregelen) – was het gemiddelde prijseffect het grootst. Sindsdien – en met name sinds juni 2016 (de aankondiging van verdere productiebeperkingen) – is het gemiddelde prijseffect afgenomen, en lijken de verschillen binnen het risicogebied juist verder toe te nemen.” 4.9.4 Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) brengt in opdracht van de NCG periodiek een rapport uit over de woningmarktontwikkelingen in het Groningenveld. In het rapport over de ontwikkeling van de woningmarkt in het vierde kwartaal van 2016 ten opzichte van het derde kwartaal van 2012 zijn de resultaten als volgt samengevat: “ Ontwikkeling verkoopprijzen De ontwikkeling van de woningprijzen is onderzocht met behulp van een kenmerkenmodel dat de gemeten prijsontwikkeling corrigeert voor de kenmerken van de verkochte woningen. Hieruit blijkt dat de verkoopprijzen in de risicogebieden met een gemiddelde en hoge kans op aardbevingsschade achter lijken te blijven bij de prijsontwikkeling van woningen in enerzijds het risicogebied met een lage kans op aardbevingsschade en anderzijds het referentiegebied. Het laatste jaar ontwikkelen de gebieden zich nagenoeg gelijk aan elkaar, waardoor de achterstanden groter noch kleiner worden. Deze verschillen zijn echter niet significant. Daarom kan niet met zekerheid gesteld worden dat de ontwikkeling van woningprijzen in de twee zwaarste risicogebieden achterblijft bij de ontwikkeling van de prijzen in het referentiegebied. Ontwikkeling verkoopbaarheid De ontwikkeling van de verkoopbaarheid van woningen is met behulp van de volgende vijf indicatoren onderzocht:
(1)aandeel verkochte woningen;
(2)aandeel te koop staande woningen;
(3)verkoopduur (aantal dagen dat verkochte woningen te koop hebben gestaan);
(4)te-koopduur (aantal dagen dat nog niet verkochte woningen te koop staan);
(5)verhouding tussen vraag- en verkoopprijs. De ontwikkeling van het aandeel te koop staande woningen is in het risicogebied met de laagste schade-intensiteit nagenoeg gelijk aan die in het referentiegebied. Ook voor de ontwikkeling van de verkoopduur en de ontwikkeling van de verkoopprijs ten opzichte van de vraagprijs is er geen significant verschil tussen beide gebieden. Het risicogebied met de laagste schade-intensiteit lijkt wel wat achter te blijven bij het referentiegebied als het gaat om het aandeel verkochte woningen. Het is echter vooral de ontwikkeling van de te-koopduur (het aantal dagen dat een woning te koop staat) die duidelijk achterblijft ten opzichte van het referentiegebied. Alleen dit laatste verschil is significant. Er zijn grotere verschillen tussen het referentiegebied en de risicogebieden met een gemiddelde of grote kans op aardbevingsschade. Alhoewel het verschil met het referentiegebied iets lijkt af te nemen, herstelt de woningmarkt zich in deze twee gebieden minder sterk. Zo is het aandeel verkochte woningen weliswaar in alle gebieden toegenomen, maar is die toename duidelijk minder groot in de risicogebieden dan in het referentiegebied. Het verschil tussen het referentiegebied en het risicogebied met de hoogste schade-intensiteit is significant. Het verschil tussen het referentiegebied en het risicogebied met een gemiddelde schade-intensiteit is iets kleiner en net significant. De toename van het aandeel verkochte woningen gaat gepaard met een daling van het aandeel te koop staande woningen en een afname van de verkoopduur. Voor deze twee indicatoren geldt dat de ontwikkeling in beide risicogebieden minder sterk is dan in het referentiegebied. Wel zijn deze verschillen alleen significant als het referentiegebied met het risicogebied met gemiddelde schade-intensiteit vergeleken wordt. In het referentiegebied is ook de te-koopduur van woningen afgenomen, terwijl in de risicogebieden met gemiddelde of grote kans op aardbevingsschade de te-koopduur verder is toegenomen. De ontwikkeling in te-koopduur verschilt voor beide risicogebieden significant van het referentiegebied. De verkoopprijs in verhouding tot de oorspronkelijke vraagprijs is zowel in de risicogebieden als in het referentiegebied gestegen. De toename in het referentiegebied is wederom groter dan in de risicogebieden. De ontwikkeling in prijsverhouding in het risicogebied met de hoogste schade-intensiteit verschilt significant van die in het referentiegebied. Het verschil met het risicogebied met een gemiddelde schade-intensiteit is iets kleiner, maar wel net significant. Ontwikkeling WOZ-waarde In alle onderzochte gebieden is de WOZ-waarde gedaald. De verschillen tussen de gebieden zijn klein. In het risicogebied is iets vaker bezwaar aangetekend tegen de WOZ-waarde dan in het referentiegebied. (…) ” 4.9.5 Prof. E. de Kam en E. Mey van de Rijksuniversiteit Groningen hebben in juli 2017 hun eindrapport “Ervaringen bij verkoop woningen in aardbevingsgebied” afgerond. Het rapport bevat de bevindingen van een onderzoek naar de ervaringen van ruim 1.200 woningeigenaren uit het risicogebied die in juli/augustus 2016 hun woningen te koop hadden aangeboden. De belangrijkste bevindingen en conclusies van het onderzoek luiden als volgt (blz. 6-8):“Bij het merendeel van de respondenten is sprake van een probleem met de verkoop. Het motief om te verkopen is voor een deel van de respondenten rechtstreeks verbonden aan de impact van aardbevingen, voor veel anderen is het een bijkomend motief. Daarnaast is er een groep die min of meer los van de aardbevingsimpact hoe dan ook wil verkopen, maar daarin wel belemmerd wordt door de moeilijke markt in het aardbevingsgebied. (…) Wanneer een woning eenmaal in een ‘prop in de markt’ is terecht gekomen, heeft een kleine verlaging van de vraagprijs niet veel effect meer. Voor verkopers die weigeren de vraagprijs substantieel te verlagen, of dat zich simpelweg niet kunnen veroorloven, leidt het uitblijven van de verkoop tot grote frustratie. Men kan de eigen toekomstplannen niet meer realiseren en heeft het gevoel gevangen te zitten. Datzelfde overkomt na verloop van langere tijd ook de groep respondenten met een minder acute urgentie, maar niettemin een onmiskenbare wens om te verkopen. Daarbij horen bijvoorbeeld ouderen die naar een meer geschikte andere woning zoeken. Van de woningen die nog niet verkocht zijn, is de tekoopduur bij het sluiten van de enquête bijna 2 jaar. Dat is beduidend hoger dan wat in NVM rapportages en CBS onderzoek wordt gerapporteerd. Ook de mate waarin de vraagprijs wordt verlaagd, is groter dan de trend van de prijsontwikkeling van verkochte woningen die in CBS onderzoek wordt gerapporteerd. Het zelfde patroon is ook zichtbaar bij de woningen die wel verkocht zijn, deze springen er op beide punten eveneens ongunstiger uit dan de trends van NVM en CBS. We zien naar verhouding de meest ongunstige afwijkingen bij vrijstaande woningen. De laatste vraagprijs (die geldt op het moment dat een woning verkocht wordt) ligt gemiddeld genomen bij onze respondenten 6% boven de verkoopprijs. In dit opzicht wijkt de uiteindelijke transactieprijs niet veel af van wat in andere niet-overspannen woningmarkten rond de zomer van 2016 gebruikelijk was. Datzelfde geldt voor de verhouding met de WOZ waarde, zij het dat voor specifieke woningen in aardbevingsgemeenten de WOZ waarden soms extra zijn verlaagd in verband met het prijsdrukkend effect dat aan aardbevingen wordt toegeschreven. De mate waarin de verkoopduur langer wordt en vraagprijzen verlaagd worden, hangt samen met de intensiteit van aardbevingsinvloed in het 4 pc gebied waar de woning staat, maar ook met de vraag of de woning zelf schade heeft. Of die schade hersteld is, of zichtbaar is voor kopers heeft voor een aantal uitkomsten van het verkoopproces minder invloed. Er is een duidelijke samenhang tussen schademeldingspercentage per pc 4 gebied en variabelen die significant van invloed zijn op het verkoopproces. Hierbij kan worden gedacht aan impact op woongenot, stress, ongenoegen over de rompslomp van schadeherstel, verhuisgeneigdheid, al dan niet weer een woning in het aardbevingsgebied willen kopen. Maar ook de daadwerkelijke schade aan de te verkopen woning (hoe vaak, hoe zwaar, al dan niet hersteld of zichtbaar) heeft invloed: vaak gaat het dan om de eerste twee aspecten van schade, voor sommige aspecten van het proces ook herstel en/of zichtbaarheid. (…)Naast de impact van aardbevingen hangt het succes van de verkoop ook samen met het type woning: vrijstaande woningen en twee onder een kap woningen worden moeilijker verkocht dan rijwoningen en de enkele appartementen in de respons. Voor een deel daarmee samenhangend doen zich ook meer problemen voor in het hogere prijssegment. (…)Het onderzoek maakt duidelijk dat er als gevolg van de aardbevingen in hoge mate sprake is van een gesloten regionale woningmarkt. Voor zover verkopen slagen is er uitstroom naar buiten de regio, maar er komen heel weinig kopers van buiten de regio naar binnen. Het stigma effect van aardbevingen zorgt ervoor dat kopers van buiten de regio wegblijven. Die lijken niet gevoelig te zijn voor verschillen in aardbevingsimpact binnen de regio, maar mijden het gebied in zijn totaliteit. Dit verzwakt de onderhandelingspositie van verkopers. Binnen de regio zoeken mensen heel gericht naar mogelijkheden om een betere of meer gewilde / meer geschikte woning te kopen, en in specifieke marktsegmenten is er daarom nog steeds omzet, soms ook met een korte verkoopduur en een redelijke prijs. Schade aan de individuele woning maakt niet dat deze onverkoopbaar wordt, maar heeft wel invloed op prijs en verkoopduur, en op de manier waarop verkopers in het proces staan. Omdat een belangrijk deel van de transacties die nog wel plaats vinden gesloten wordt tussen personen uit de regio betekent dit dat de (potentiële) verkopers van vandaag de kopers van morgen zijn die op hun beurt weer kunnen bijdragen aan het oplossen van het probleem van een volgende verkoper – een ‘treintje dat moet gaan rijden’. Er is een hoge mate van overeenstemming tussen wat de respondenten zeggen over wat kopers belangrijk vinden (met een accent op ‘schademanagement’) en wat de dingen zijn waar zij zelf als koper op zouden letten. Daaruit concluderen we dat het segment van de markt dat nog dynamiek heeft gedomineerd wordt door een bijzonder goed geïnformeerde groep potentiele kopers die bekend is met de regio. (…)Tegelijk is er een segment woningen dat feitelijk buiten de marktcirculatie staat. Dat wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door de onverminderd slechte verwachtingen over vraagprijs en verkoopsucces in de logboeken. Het feit dat woningen uit dit gestagneerde segment niet of nauwelijks worden verkocht draagt er wel aan bij dat de prijzen in de segmenten waar nog wel omzet is redelijk op peil blijven. Binnen dit globale beeld zijn nog een groot aantal deeluitkomsten te vermelden: (…) De aardbevingen zijn bij een kwart van de respondenten een belangrijke reden om hun woning te koop te zetten. Ruim de helft van de respondenten heeft de vraagprijs tussentijds verlaagd. Aardbevingen zijn als reden om de vraagprijs te verlagen belangrijker dan de algemene situatie op de woningmarkt (zoals de crisis die achter ons ligt) of krimp. Publiciteit over aardbevingen draagt bij aan een stigma van woningen dat negatief uitwerkt op het verkoopproces van individuele woningen, maar respondenten beseffen tegelijk dat aandacht voor de aardbevingsproblematiek in landelijke media nodig is om het beleid te beïnvloeden. Bijna een kwart van de woningen is in de loop van het verkoopproces een of meerdere keren kort van de markt genomen. In dit onderzoek is de verkoop / tekoopduur bepaald door alle perioden dat een woning te koop stond samen te nemen. Een meerderheid van de respondenten dacht in augustus 2016 het komende jaar de vraagprijs te moeten verlagen; de respondenten die van oktober 2016 tot april 2017 logboeken hebben bijgehouden verwachten (nog) geen keer ten goede. Driekwart van de woningen heeft schade, voor het merendeel is deze (gedeeltelijk) erkend door NAM/CVW. Het erkende bedrag ligt echter gemiddeld ongeveer de helft lager dan het geclaimde bedrag. Vier van de vijf geïnteresseerde kopers houden rekening met aardbevingen, en vooral de verschillende aspecten van schade aan de woning hebben hun belangstelling. (…) Bijna de helft van de respondenten doet voor eigen rekening aanvullende investeringen bij schadeherstel en/of toepassing van de waardevermeerderingsregeling. Hiervan kon geen significant effect op de kans op verkoop worden aangetoond, maar het is wel een factor die bijdraagt aan een hogere verkoopprijs. (…) Voor een woning met goed en netjes gerepareerde schade zou het grote merendeel van de respondenten (toch) minder bieden dan voor een identieke woning zonder schade. De belangrijkste argumenten hiervoor zijn de kans op nieuwe schade of verborgen schade, littekens, etc. De kleine groep die evenveel of meer zou willen betalen denkt dat een goed herstelde woning meer zekerheid biedt in de toekomst.” 4.10 Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties 4.10.1 De Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties heeft in een (periodiek) rapport van 23 juni 2017 over de situatie in Nederland onder meer de volgende aanbeveling gedaan:“Take measures to ensure physical safety and mental health of the people residing in the area of gas extraction in Groningen, as well the security and safety of their homes; provide proper compensation to the victims; and prevent future occurences of damage related to gas extractions.” 4.11 Aansprakelijkstelling 4.11.1 WAG en de corporaties hebben NAM bij afzonderlijke brieven aansprakelijk gesteld voor schade door waardevermindering van onroerend goed als gevolg van aardbevingen door gaswinning. 4.11.2 WAG heeft op 15 augustus 2017 een stuitingsbrief verstuurd naar NAM. Bij deze brief is een geactualiseerde lijst gevoegd met de gegevens van de deelnemers van WAG. 5Het geschil en de beslissing in eerste aanleg (in beide zaken) 5.1 WAG en de corporaties hebben NAM gedagvaard voor de rechtbank Noord- Nederland. 5.2 WAG heeft na (tweemaal) wijziging van eis bij akte van 8 juni 2015 gevorderd dat de rechtbank:Primair: a. op de voet van artikel 3:305a BW voor recht zal verklaren dat NAM onrechtmatig handelt en heeft gehandeld op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW en/of artikel 6:174 lid 3 BW en/of artikel 6:162 BW jegens eigenaren van onroerende zaken die gelegen zijn in het gebied waar aardbevingen als gevolg van gaswinning door de NAM voorkomen; b. op de voet van artikel 3:305a BW voor recht zal verklaren dat NAM aansprakelijk is voor de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken gelegen in het gebied waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen, ten gevolge van het hiervoor in sub a bedoelde onrechtmatig handelen; c. op de voet van artikel 3:305a BW voor recht zal verklaren dat als peilmoment voor de vaststelling van de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken in het gebied waar aardbevingen voorkomen door gaswinning van NAM moet worden gehanteerd: - voor onroerende zaken met fysieke schade ontstaan vóór 25 januari 2013, vanaf het moment waarop deze fysieke schade is ontstaan; - voor alle overige onroerende zaken, vanaf 25 januari 2013, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, ongeacht of de onroerende zaken al of niet op één van deze peilmomenten zijn verkocht; d. op de voet van artikel 3:305a BW voor recht zal verklaren dat de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken door aardbevingen als gevolg van de gaswinning door NAM wordt geleden vanwege de ligging in het gebied met aardbevingsrisico door gaswinning van NAM, ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is of zal ontstaan; e. op de voet van artikel 3:305a BW voor recht zal verklaren dat de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken in het gebied waar aardbevingen voorkomen door gaswinning van NAM volgens de leer van de abstracte schadeberekening dient te worden berekend; Subsidiair: f. op grond van daartoe aan de Stichting WAG verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming voor recht zal verklaren dat NAM onrechtmatig heeft gehandeld op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW en/of artikel 6:174 lid 3 BW en/of artikel 6:162 BW jegens de huidige en toekomstige deelnemers van de Stichting WAG, althans jegens de deelnemers van de Stichting WAG als vermeld in productie 75, althans jegens een door de rechtbank in goede justitie te bepalen aantal deelnemers uit productie 75, althans jegens de eigenaren van de onroerende zaken die zijn getaxeerd in productie 41; g. op grond van daartoe aan de Stichting WAG verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming voor recht zal verklaren dat NAM aansprakelijk is voor de door de deelnemers van de Stichting WAG geleden en nog te lijden schade door de aardbevingen die het gevolg zijn van gaswinning door NAM, bestaande uit de waardevermindering van de onroerende zaken die eigendom zijn van de huidige en toekomstige deelnemers van de Stichting WAG en zijn gelegen in het gebied waar aardbevingen door gaswinning van NAM voorkomen, althans de waardevermindering van de onroerende zaken van de deelnemers zoals weergegeven in productie 75, althans de waardevermindering van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen aantal onroerende zaken uit productie 75, althans de waardevermindering van de onroerende zaken die zijn getaxeerd in productie 41, en tevens NAM te veroordelen tot betaling van deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; h. op grond van daartoe aan de Stichting WAG verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming voor recht zal verklaren dat de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken door aardbevingen als gevolg van de gaswinning door NAM wordt geleden vanwege de ligging in het gebied met aardbevingsrisico door gaswinning van NAM, ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is of zal ontstaan; i. op grond van daartoe aan de Stichting WAG verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming voor recht zal verklaren dat als peilmoment voor de vaststelling van de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken van de deelnemers van de Stichting WAG in het gebied waar aardbevingen voorkomen door gaswinning van NAM moet worden gehanteerd: - voor onroerende zaken met fysieke schade ontstaan vóór 25 januari 2013, vanaf het moment waarop deze fysieke schade is ontstaan: - voor alle overige onroerende zaken, vanaf 25 januari 2013, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, ongeacht of de onroerende zaken al of niet op één van deze peilmomenten zijn verkocht; j. op grond van daartoe aan de Stichting WAG verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming voor recht zal verklaren dat de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken van de deelnemers van de Stichting WAG in het gebied waar aardbevingen voorkomen door gaswinning van NAM volgens de leer van de abstracte schadeberekening dient te worden berekend. 5.3 De corporaties hebben na wijziging van eis gevorderd, dat de rechtbank:k. voor recht zal verklaren dat NAM jegens de corporaties onrechtmatig handelt en heeft gehandeld op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW en/of artikel 6:174 lid 3 BW en/of artikel 6:162 BW; l. voor recht zal verklaren dat NAM aansprakelijk is voor de door de corporaties geleden en nog te lijden schade door de aardbevingen die het gevolg zijn van gaswinning door NAM, bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken die eigendom zijn van deze woningcorporaties zoals weergegeven op de lijsten van producties 45A tot en met 45C althans de waardevermindering van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen omvang van de onroerende zaken uit de producties 45A tot en met 45C, althans de waardevermindering van de onroerende zaken die zijn getaxeerd in productie 44 en tevens NAM zal veroordelen tot betaling van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; m. voor recht zal verklaren dat de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken als hiervoor in sub l bedoeld door aardbevingen als gevolg van de gaswinning door NAM wordt geleden vanwege de ligging in het gebied met aardbevingsrisico door gaswinning door NAM, ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is of zal ontstaan; n. voor recht zal verklaren dat als peilmoment voor de vaststelling van de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken van de corporaties in het gebied waar aardbevingen voorkomen door gaswinning van NAM moet worden gehanteerd: - voor onroerende zaken met fysieke schade ontstaan vóór 25 januari 2013, vanaf het moment waarop deze fysieke schade is ontstaan; - voor alle overige onroerende zaken, vanaf 25 januari 2013, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, ongeacht of de onroerende zaken al of niet op één van deze peilmomenten zijn verkocht; o. voor recht zal verklaren dat de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken van de woningcorporaties in het gebied waar aardbevingen voorkomen door gaswinning van NAM volgens de leer van de abstracte schadeberekening dient te worden berekend; 5.4 WAG en de corporaties hebben in de zaak met nummer 200.183.398/01 gezamenlijk gevorderd (p.) dat de rechtbank NAM zal veroordelen tot vergoeding van de door de WAG en de in die zaak betrokken corporaties gemaakte deskundigenkosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW ad in totaal € 38.820,08, alsmede de buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW, althans de juridische kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW ad in totaal € 63.666,56, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding en (q.) NAM zal veroordelen in de kosten van deze procedure. De andere corporaties hebben in de zaak met nummer 200.183.396/01 eveneens gevorderd NAM te veroordelen tot vergoeding van de per corporatie gemaakte deskundigenkosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW, bestaande uit de kosten van gemaakte taxatierapporten, en in de proceskosten. 5.5 NAM heeft verweer gevoerd. Zij heeft allereerst aangevoerd dat WAG niet-ontvankelijk is in haar primaire vorderingen nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:305a BW en zij ook overigens geen belang heeft bij haar vorderingen. Ook heeft NAM aangevoerd dat de vorderingen van WAG en de corporaties niet toewijsbaar zijn. Volgens NAM is verkoop van een onroerende zaak het enige moment waarop de waardeverminderingsschade kan worden vastgesteld en door NAM kan worden vergoed. Er is onvoldoende reden om te abstraheren van verkoop. In deze procedure, waarin niet de individuele situatie van een woningeigenaar centraal staat maar waarin een algemene uitspraak en veroordeling wordt verlangd die betrekking heeft op onderling zeer verschillende woningen, kan dat al helemaal niet. Abstract vergoeden per ieder ander peilmoment dan verkoop leidt tot onder- of overcompensatie en daarmee tot willekeur, aldus NAM. 5.6 De rechtbank heeft de ontvankelijkheidsverweren van NAM verworpen en de vorderingen van WAG (in de primaire variant) en de corporaties in grote lijnen toegewezen. Zij heeft het volgende beslist:“5.1 verklaart jegens Stichting WAG en de woningcorporaties in beide zaken voor recht dat NAM aansprakelijk is voor de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken gelegen in het gebied waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen, en dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is opgetreden en ongeacht of de onroerende zaken al dan niet zijn verkocht, 5.2 veroordeelt NAM jegens de woningcorporaties tot betaling van de onder 5.1 bedoelde schade, nader op te maken bij staat, 5.3 veroordeelt NAM tot betaling aan eisers in beide zaken gezamenlijk van de gemaakte deskundigenkosten, de juridische kosten en de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW tot een totale omvang van € 61.026,36 exclusief BTW”,en NAM veroordeeld in de proceskosten, onder uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de veroordelingen tot betaling van een geldsom en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. 5.7 Aan de hierboven geciteerde veroordelingen onder 5.1 en 5.2 van het dictum heeft de rechtbank - in het kort - het volgende ten grondslag gelegd:a. NAM is op grond van artikel 6:177 BW aansprakelijk voor schade door bodemdaling ten gevolge van gaswinning. NAM heeft die aansprakelijkheid ook erkend (r.o. 4.22);b. Het staat niet ter discussie dat de aardbevingen in Groningen worden veroorzaakt door de gaswinning (r.o. 4.2.3);c. Indien de aardbevingen tot schade leiden, dient NAM deze schade te vergoeden. Deze schade kan in beginsel ook bestaan uit waardedaling van onroerende zaken, zelfs als deze waardedaling uitsluitend wordt veroorzaakt door het risico op toekomstige bevingen (r.o. 4.2.3 slot);d. De vorderingen van WAG en de corporaties zijn slechts toewijsbaar indien de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat betekent dat er voldoende aanwijzingen moeten bestaan dat onroerende zaken in het gebied waar aardbevingen door gaswinning voorkomen als gevolg daarvan in waarde zijn gedaald, ook als zij geen fysieke schade hebben geleden (r.o. 4.3.1); e. Op basis van de beschikbare informatie geldt ten aanzien van alle woningen in het getroffen gebied dat, ook wanneer in aanmerking wordt genomen dat andere factoren de waarde van het onroerend goed in de regio drukken, de mogelijkheid van schade door waardevermindering als gevolg van door gaswinning veroorzaakte aardbevingen aannemelijk is. In dit verband kan ook gewezen worden op de door NAM in het kader van de Waarderegeling toegekende schadevergoedingen, ook in gevallen waarin geen sprake is van fysieke schade (r.o. 4.3.2 t/m 4.3.5);f. In de beschikbare onderzoeksrapporten is sprake van een gemiddelde waardedaling van enkele procenten. Of in een bepaald geval daadwerkelijk sprake is van waardedaling zal in afzonderlijke procedures moeten worden vastgesteld. Er kan niet worden uitgesloten dat bepaalde woningen niet of nauwelijks in waarde zullen zijn gedaald en andere woningen meer in waarde zijn gedaald dan de in de rapporten vermelde gemiddelde percentages (r.o. 4.3.6 en 4.3.7);g. Bij het antwoord op de vraag of de schade abstract kan worden begroot, dient voorop te worden gesteld dat abstracte schade(berekening) geen wettelijk begrip is. Artikel 6:97 BW bepaalt dat de rechter de schade dient te begroten op de wijze die het meest met zijn aard in overeenstemming is. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand dient te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de rechter de schade abstract kan begroten mits deze wijze van begroting in overeenstemming is met de schade. Er kan niet uit worden afgeleid in welke gevallen een abstracte wijze van schadevergoeding op zijn plaats is. Ook in de jurisprudentie is geen duidelijke lijn te onderkennen als het gaat om de vraag wanneer de abstracte methode kan worden toegepast (r.o. 4.4.8 en 4.4.9);h. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt wel dat kan worden geabstraheerd van de vraag of de waardevermindering door verkoop wordt gerealiseerd en van het feit dat de schade naar het moment van de beschadiging wordt begroot van het feit dat de schade door tijdverloop wegebt. Uit het Oranje Nassaumijnen-arrest kan worden afgeleid dat schadevergoeding wegens waardevermindering van een onroerende zaak kan worden afgeleid door de enkele belasting met een duurzaam risico. Uit de besproken arresten kan worden geconcludeerd dat rechtvaardiging voor toepassing van een abstracte schadeberekening kan worden gevonden in de omstandigheid dat sprake is van een blijvende of duurzame waardevermindering en dat abstracte berekening van schade haar grens vindt waar deze ertoe leidt dat meer dan de werkelijk geleden schade wordt vergoed (r.o. 4.4.10 t/m 4.4.12);i. De eigenaren van onroerende zaken kunnen reeds op dit moment door de aannemelijk geachte waardevermindering (zie hiervoor onder
- e)in hun vermogen worden getroffen, zodat sprake kan zijn van schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De aard van deze schade verzet zich er niet tegen dat zij wordt vastgesteld ongeacht verkoop. De begroting van de schade behoeft dan ook niet te worden uitgesteld enkel en alleen omdat nog niet tot verkoop van de woning is overgegaan (r.o. 4.4.14);j. De fluctuatie in de waardeontwikkeling noch de door NAM verwachte gunstige effecten van bovengrondse en ondergrondse maatregelen staan eraan in de weg om de schade reeds nu (ongeacht verkoop) te begroten. Daarbij is van belang dat er geen enkel aanknopingspunt is voor de gedachte dat de waardevermindering binnen afzienbare termijn volledig zal verdwijnen (r.o. 4.4.15);k. Bij de begroting van de schade vanwege schadevermindering mag enkel de invloed van de aardbevingen meewegen; normale marktomstandigheden dienen buiten beschouwing te worden gelaten. Ook kan rekening worden gehouden met bestaande en toekomstige ontwikkelingen (waaronder het risico op aardbevingen met een heviger frequentie) die naar verwachting een aantoonbaar en duurzaam effect kunnen hebben op de uiteindelijke omvang van de schade. Dat dient in een vervolgprocedure te geschieden. Vergoeding van een dergelijk risico en verdiscontering van goede en kwade kansen staat eraan in de weg dat de benadeelden op dezelfde gronden en op hetzelfde feitencomplex een nieuwe vordering kunnen indienen indien dat risico zich daadwerkelijk realiseert (r.o. 4.4.16);l. Het reeds nu vergoeden van schade bestaande uit waardevermindering leidt niet tot een onredelijk resultaat. Dat sprake is van schade vanwege waardevermindering is voldoende zeker. Nu niet te verwachten is dat binnen afzienbare tijd een eindtoestand zal worden bereikt en nu bij de begroting rekening kan worden gehouden met goede en kwade kansen, staat het feit dat het moeilijk is de omvang van de schade te begroten op zichzelf niet aan vergoeding in de weg. Het is onrechtvaardig wanneer vergoeding van de waardevermindering, die het gevolg is van de gaswinning door NAM - waarbij NAM, de Staat en de samenleving veel baat hebben - pas kan plaatsvinden bij verkoop van de woning en/of staking van de gaswinning (r.o. 4.4.17);m. De slotsom is dat WAG en de corporaties in beginsel nu - ongeacht verkoop en ongeacht of sprake is van fysieke schade - aanspraak kunnen maken op vergoeding van schade vanwege waardevermindering van onroerende zaken ten gevolge van de gaswinning (r.o. 4.4.18);n. Een afzonderlijke verklaring voor recht dat deze schade volgens de leer van de abstracte schadeberekening dient te worden begroot is niet toewijsbaar. De methode van schadeberekening kan niet voor alle betrokken woningen worden vastgesteld omdat de situatie zich door verkoop van de woningen kan wijzigen. Bij verkoop ligt concrete begroting van de schade vanwege waardevermindering in de rede (r.o. 4.4.18);o. Niet valt in te zien waarom de corporaties niet dezelfde vorm van schade lijden als particuliere woningeigenaren, zodat ook zij belang hebben bij de gevorderde verklaring voor recht dat deze schade reeds nu voor vergoeding in aanmerking komt. Indien de schade van de corporaties bestaat uit bijvoorbeeld financieringsschade lijkt een concrete berekening voor de hand te liggen (r.o. 4.4.18 slot);p. Indien schade bestaande uit waardevermindering ongeacht verkoop wordt vastgesteld, is de schade ontstaan en de vordering tot schadevergoeding opeisbaar op het tijdstip waarop de waardevermindering is opgetreden. Dat tijdstip is vanwege het karakter van de waardevermindering - die zich “glijdend” heeft gemanifesteerd - hier niet exact vast te stellen. In de gegeven omstandigheden is het hanteren van de taxatiedatum als uitgangspunt voor de waardering het meest in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid. Opgemerkt moet worden dat individuele belanghebbenden in beginsel niet een tweede keer een schadevergoeding kunnen claimen (r.o. 4.4.20); q. Gelet op het voorgaande komt de door gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de peildatum niet voor toewijzing in aanmerking. Er bestaat geen grond om op dit punt een onderscheid te maken tussen woningen met en zonder fysieke schade (r.o. 4.4.20). 6Ontvankelijkheid 6.1 Met de grieven 10 tot en met 12 bestrijdt NAM het oordeel van de rechtbank dat WAG in haar (primaire) vorderingen kan worden ontvangen. In grief 11 wordt voorts betoogd dat de woningcorporaties niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken. 6.2 WAG heeft in eerste aanleg (primair) op de voet van artikel 3:305a BW gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat (
- i)NAM onrechtmatig handelt en heeft gehandeld op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW en/of artikel 6:174 lid 3 BW en/of artikel 6:162 BW jegens eigenaren van onroerende zaken die gelegen zijn in het gebied waar aardbevingen als gevolg van gaswinning door de NAM voorkomen, (
- ii)dat NAM aansprakelijk is voor de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken gelegen in het gebied waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen, ten gevolge van bedoeld onrechtmatig handelen, (iii) dat de rechter (door WAG genoemde, althans door de rechter te bepalen) peilmomenten zal bepalen voor de vaststelling van de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken in het gebied waar aardbevingen voorkomen door gaswinning van NAM, onder de toevoeging (
- iv)"ongeacht of de onroerende zaken al of niet op één van deze peilmomenten zijn verkocht" en "ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is of zal ontstaan" en ten slotte (
- v)voor recht zal verklaren dat de hiervoor bedoelde schade "volgens de leer van de abstracte schadeberekening dient te worden berekend". 6.3 Art. 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt [cursivering Hof]. Met de regeling van art. 3:305a BW is beoogd een effectieve en efficiënte rechtsbescherming te bieden aan personen voor wier belangen een rechtspersoon als bedoeld in die bepaling opkomt. Een collectieve actie is in beginsel mogelijk als de bij de vordering betrokken belangen zich voor bundeling lenen. 6.4 De statutaire doelbepaling van WAG (hiervoor volledig geciteerd in r.o. 4.2.2) houdt verkort weergegeven in dat WAG de belangen behartigt van haar deelnemers (in de ruimste zin van het woord), waaronder begrepen de vaststelling van schade bestaande uit waardevermindering van hun onroerende zaken door gaswinning en het namens de deelnemers eisen van schadevergoeding, het voeren van onderhandelingen, het voeren van procedures en het treffen van maatregelen. 6.5 NAM heeft ter onderbouwing van haar beroep op niet-ontvankelijkheid onder meer betoogd dat in de statutaire doelomschrijving van WAG niet wordt bepaald dat zij de gelijksoortige belangen behartigt van anderen dan WAG (grief 10, MvG 354, 355). WAG (zie de MvA vanaf blz. 130) heeft die stelling niet (gemotiveerd) weersproken. Het hof kan de statutaire doelbepaling van WAG ook niet anders lezen dan dat zij de belangen behartigt van de bij haar aangesloten deelnemers door het namens hen eisen van schadevergoeding. De statuten bepalen niet dat WAG de belangen behartigt van (
- al)diegenen die schade hebben geleden aan hun onroerende zaken als gevolg van gaswinning door NAM. NAM (MvG 355) heeft in dit verband nog verwezen naar de wetsgeschiedenis inzake de aanpassing van 3:305a BW per 1 juli 2013 (Kamerstukken 33126, nr. 7) waarin de Minister opmerkt: "Een eis inhoudende dat een belangenorganisatie voor de meerderheid van de benadeelden opkomt is een overbodige eis. In een collectieve actie wordt immers per definitie opgekomen voor de belangen van alle door een gebeurtenis gedupeerde benadeelden. Artikel 3:305a BW biedt niet de mogelijkheid om in rechte op te komen voor bijvoorbeeld alleen de eigen leden of aangeslotenen. Indien een belangenorganisatie dat zou wensen, kan c.q. dient geprocedeerd te worden krachtens volmacht of lastgeving. " En: "Tevens wil ik het misverstand wegnemen dat voor de ontvankelijkheid thans niet vereist is dat belangenbehartiging in de statuten moet zijn opgenomen. Een belangenorganisatie kan ingevolge artikel 3:305a lid 1 BW alleen ter bescherming van een bepaald belang een rechtsvordering instellen indien dit in overeenstemming is met de doelstelling van deze organisatie. Uit de statuten dient derhalve te blijken welke belangen een organisatie beoogt te behartigen, en alleen voor die belangen kan zij in rechte opkomen. Men kan dit zien als een voortvloeisel van de zogenaamde ultra vires-leer; een rechtspersoon kan slechts handelingen verrichten die binnen het doel liggen waarvoor hij in het leven is geroepen" 6.6 De verwijzing door WAG (MvA 5.11.11) naar de uitspraak van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 19 december 2003, ECLI:NL:RBARN:2003:AO0618, werpt geen ander licht op de zaak. In die procedure was niet in geschil dat ABVAKABO statutair kon opkomen voor de belangen van alle werknemers, waaronder ook niet leden (zie “de vaststaande feiten” onder 1) maar was de vraag of de belangen van de niet-leden behartigd werden door de ingestelde vordering ex artikel 3:305a BW (zie "de vordering en de beoordeling daarvan" onder 2). 6.7 Het hof concludeert dat WAG op grond van de tekst van de wet en ook naar haar strekking niet in haar primaire vorderingen kan worden ontvangen. 6.8 In zoverre slaagt grief 10 en behoeven wat WAG betreft de grieven 10 tot en met 12 voor het overige geen bespreking meer. Op grond van de devolutieve werking van het appel dient het hof zich te buigen over de (ontvankelijkheid in
- de)subsidiaire vorderingen die door WAG zijn ingesteld. Subsidiair heeft WAG vorderingen ingesteld "op grond van daartoe aan de Stichting WAG verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming". Het hof gaat er daarbij vanuit dat de "cessie ter incasso" zoals die is neergelegd in de onder r.o. 4.2.3 genoemde akte van 11 mei 2015 in dit geval niet moet worden uitgelegd als een cessie in eigenlijke zin waarbij vorderingen (ten titel van "incasso") worden overgedragen maar (zoals dat doorgaans ook bedoeld wordt met een cessie ter incasso) als een lastgeving krachtens welke WAG als lasthebber op eigen naam kan ageren en bevoegdelijk de vorderingen van de lastgevers kan innen, zonder dat die vorderingen aan haar zijn overgedragen (vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/359 en de daar vermelde rechtspraak). Het hof baseert die uitleg mede op het feit dat WAG de subsidiaire vordering in haar akte inbreng producties tevens houdende wijziging van eis van 8 juni 2015 (genomen na ondertekening van de akte van 11 mei 2015) heeft ingesteld "op grond van daartoe aan de Stichting WAG verstrekte volmachten en/of lastgevingen". Ook de bewoordingen van die akte van 11 mei 2015 zelf (als geciteerd in r.o. 4.2.3), in het bijzonder bepaling 2), bieden steun aan die uitleg. NAM heeft ook niets aangevoerd dat tot een andere uitleg zou moeten leiden. In de genoemde akte tot eiswijziging van 8 juni 2015 wordt de subsidiaire vordering ingesteld ten behoeve van "de huidige en toekomstige deelnemers van de Stichting WAG, althans de deelnemers als vermeld in productie 75 (althans ….)". NAM heeft bij gelegenheid van de pleidooien in eerste aanleg hiertegen aangevoerd dat WAG in de inleidende dagvaarding de vordering heeft ingesteld op basis van artikel 3:305a BW en dat dit haar belet de vorderingen later (subsidiair) als gevolmachtigde of lasthebber in te stellen, waarbij NAM heeft verwezen naar HR 2 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0919, NJ 1993, 573. Echter, in hoger beroep heeft NAM dit ontvankelijkheidsverweer, wat daar verder van zij, prijsgegeven door op een uitdrukkelijk vraag van het hof te antwoorden dat tegen de subsidiaire vorderingen geen ontvankelijkheidsverweer wordt gevoerd. Het hof ziet mede daarom ook ambtshalve geen aanleiding voor een ander oordeel, temeer nu de vorderingen oorspronkelijk (inleidende dagvaarding) al strekten tot verklaringen voor recht aangaande "door de deelnemers aan de Stichting WAG geleden en nog te lijden schade" en NAM in geen enkel procedureel belang is geschaad door het ontbreken van een incident tot voeging of tussenkomst (door WAG, die zelf al partij was in die procedure ten aanzien van vorderingen gebaseerd op precies dezelfde grondslagen). Het voorgaande betekent dat WAG in haar subsidiaire vorderingen gebaseerd op volmacht en lastgeving ten aanzien van de in productie 75 genoemde deelnemers kan worden ontvangen. Waar in de eerste subsidiaire verklaring voor recht mede wordt gevorderd namens "toekomstige deelnemers" is de vordering echter te onbepaald. Die toekomstige deelnemers konden op dat moment vanzelfsprekend nog geen volmacht of last aan WAG hebben gegeven. Het hof tekent hierbij aan dat in hoger beroep bij gelegenheid van de pleidooien weliswaar een actuele deelnemerslijst door WAG is overgelegd , echter zonder dat dit heeft geleid tot aanpassing van de (subsidiaire) vorderingen. 6.9 Wat de woningcorporaties betreft, is door NAM gesteld dat de vorderingen in strijd zijn met de goede procesorde omdat de vraag naar de (omvang van
- de)schadevergoeding pas in de schadestaatprocedures aan de orde dient te komen (grief 11, MvG 361). Voorts heeft zij gesteld dat de woningcorporaties geen belang hebben bij hun vorderingen (grief 11, MvG 363). 6.10 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Volgens vaste rechtspraak volgt uit de strekking van art. 612 Rv, begrepen in het licht van art. 6:97 BW, dat de rechter, indien hij een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, in zijn vonnis in beginsel de schade begroot voor zover hem dit mogelijk is, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. Eerst als deze begroting niet mogelijk is, spreekt hij - desnoods ambtshalve - een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit. Hieruit volgt dat de rechter, voor zover hem dat mogelijk is in het licht van het debat van partijen en met inachtneming van het contradictoire beginsel (hoor en wederhoor), de geschilpunten die partijen verdeeld houden dadelijk kan beslissen, ook als dat geschilpunten zijn die op zichzelf genomen in de schadestaat nog (verder) aan de orde kunnen worden gesteld, zoals vragen van causaal verband (o.a. HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010: BL2229, NJ 2010, 229 en, recent, HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2774). In dit licht valt niet in te zien waarom een beslissing over de vraag of de woningcorporaties recht hebben op vergoeding van waardevermindering ongeacht fysieke beschadiging en ongeacht verkoop niet reeds in de hoofdzaak kan worden genomen, juist nu in die hoofdzaak uitvoerig hoor en wederhoor op dit punt heeft plaatsgevonden. Grief 11 wordt dus in zoverre verworpen. 6.11 De betwisting van het belang bij de vorderingen heeft blijkens de toelichting door de advocaat van NAM tijdens de zitting bij het hof naast de overige gronden voor het beroep op niet-ontvankelijkheid geen zelfstandige betekenis. 6.12 Het hof tekent nog aan dat voor zover in de toelichting op de grieven 10 tot en met 12 stellingen zijn aangevoerd (of herhaald) die ook betekenis hebben voor de inhoudelijke beoordeling van de subsidiaire vorderingen, daarop hieronder zal worden ingegaan. Het betreft met name het betoog van NAM dat waardedalingsschade als gevolg van aardbevingen in geen geval voor vergoeding in aanmerking komt indien de woning niet is verkocht, althans dat dit in ieder individueel geval moet worden bezien (grief 10, MvG 348). Alsmede het betoog dat in de door WAG gevorderde verklaring voor recht ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigenaren die hun woning hebben verkocht (of op afzienbare termijn zullen verkopen), waarbij de schade concreet kan worden berekend, en zij die hun huis niet hebben verkocht (grief 10, MvG 356). 7Prejudiciële vragen? 7.1 Het hof heeft partijen bij gelegenheid van het pleidooi uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Het is het hof gebleken dat WAG en de corporaties er de voorkeur aan geven dat geen prejudiciële vragen worden gesteld. Zij zien het nut van het stellen van prejudiciële vragen (in deze stand van de procedure) niet in. 7.2 Ofschoon het hof zich ervan bewust is dat de instemming van partijen met het stellen van prejudiciële vragen niet vereist is - de wet voorziet er uitdrukkelijk in dat de rechter ambtshalve beslist prejuciële vragen te stellen, tegen welke beslissing geen hogere voorziening openstaat - ziet het, alles afwegend, in de bezwaren van WAG en de corporaties reden het stellen van vragen achterwege te laten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het stellen van de prejudiciële vragen in deze fase (na het pleidooi in hoger beroep) zou leiden tot vertraging van de appelprocedure, terwijl gelet op de belangen van partijen, behoefte bestaat aan een spoedige uitspraak van de appelrechter over het geschil tussen partijen. Daar komt bij dat, zoals hierna zal blijken, de bestaande rechtspraak van de Hoge Raad al de nodige aanknopingspunten biedt voor de beantwoording van de partijen verdeeld houdende rechtsvraag. 8Bespreking van de (overige) grieven Reikwijdte van het appel 8.1 De rechtbank heeft van de hierboven in rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4 vermelde vorderingen de vorderingen onder b., d., l., p. en q. toegewezen. Met het slot van het dictum onder r.o. 5.1 (“ongeacht of de onroerende zaken al dan niet zijn verkocht”) heeft de rechtbank ook de slotregel van de vorderingen onder c. en n. toegewezen. Tegen afwijzing van de andere vorderingen hebben WAG en de corporaties geen incidenteel appel ingesteld. Aan de bespreking van de hierboven onder f. tot en met j. vermelde vorderingen van WAG is de rechtbank, vanwege het subsidiaire karakter ervan niet toegekomen. Het hof stelt vast dat deze vorderingen van WAG slechts voor wat betreft de positie van WAG verschillen van de primaire vorderingen onder a. tot en met e, waarvan de rechtbank de vorderingen onder a., c. (behoudens het slot) en e. niet heeft toegewezen. Indien het hof deze vorderingen van WAG nu, in het kader van een beoordeling van de subsidiaire vorderingen, waar ze terugkomen onder respectievelijk f., i. en j. alsnog zou toewijzen, zou WAG zonder dat zij incidenteel appel heeft ingesteld meer toegewezen krijgen dan in eerste aanleg en zou de positie van NAM door het ingestelde appel zijn verslechterd. Het hof zal dan ook, om een dergelijke reformatio in peius te voorkomen, slechts beoordelen of de subsidiaire variant van de door de rechtbank toegewezen vorderingen van WAG toewijsbaar zijn. Voor wat betreft de vorderingen van de corporaties geldt dat in hoger beroep alleen de toewijsbaarheid van de vordering onder l. en het slot van n. nog aan de orde is. Het voorgaande betekent dat in het hoger beroep, naast de in eerste aanleg toegewezen vorderingen onder b., d., l., p., q., slot van c. en slot van n., de toewijsbaarheid van de vorderingen onder g., h., slot van i. (WAG), l., en p. en q. (WAG en de corporaties) aan de orde is. Ten aanzien van de vorderingen onder i. en m. - de vorderingen betreffende de peildatum - geldt dat de rechtbank in de overwegingen wel een peildatum heeft genoemd en dat daartegen ook een grief is gericht. De peildatum zal in dat kader aan de orde komen. 8.2 Het hof merkt nog op dat WAG in het slot van de vordering onder g. ook verwijzing naar de schadestaat heeft gevorderd. In de primaire variant van deze vordering (de vordering onder b.) is geen verwijzing naar de schadestaat gevorderd. Dat ligt ook voor de hand, omdat de laatste zin van artikel 3:305a lid 3 BW aan toewijzing van een dergelijke vordering in de weg zou staan. De belemmering van laatstgenoemde bepaling is er niet indien de vorderingen van WAG in het kader van de subsidiaire grondslag (zie r.o. 6.8) worden beoordeeld. Naar het oordeel van het hof staat het verbod van reformatio in peius in dit geval niet aan toewijzing van de vordering tot verwijzing naar de schadestaat in de weg. Met de door de rechtbank in eerste aanleg toegewezen verklaringen voor recht werd de weg gebaand voor vervolgprocedures waarin op basis van de inhoud van deze verklaringen de schade kon worden begroot. Indien de subsidiaire vordering wordt toegewezen, wordt de weg gebaand voor een schadestaatprocedure, waarin - zij het binnen het kader van artikel 612 e.v. Rv. - de schade dient te worden begroot. Naar het oordeel van het hof verkeert NAM in dat geval - materieel - niet in een nadeliger positie dan zij zou hebben verkeerd indien het vonnis in eerste aanleg in stand zou zijn gebleven. Kernvraag 8.3 Tussen partijen staat niet (meer) ter discussie dat NAM aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van (bodemdalingen en aardbevingen vanwege) de gaswinning. Evenmin staat ter discussie dat deze schade ook kan bestaan uit de waardevermindering van onroerende zaken, zoals woningen. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de eigenaren van woningen - waarmee het hof ook doelt op de corporaties - aanspraak kunnen maken op vergoeding van de waardevermindering van hun woningen indien zij hun (al dan niet fysiek beschadigde) woningen niet verkopen. Het gaat er dus om of, en zo ja onder welke voorwaarden, bij de begroting van de schade vanwege waardevermindering van een (al dan niet fysiek beschadigde) woning kan worden geabstraheerd van het feit dat de woning niet is verkocht, en dus of de schade vanwege waardevermindering in zoverre abstract kan worden begroot. 8.4 De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord en heeft tevens geoordeeld dat voor de begroting van de schade vanwege waardevermindering als peildatum de datum van taxatie van de woning heeft te gelden. NAM legt dit oordeel van de rechtbank, gelet op de inhoud van de grieven 1 tot en met 9 en 15, in volle omvang aan het hof voor. De grieven hangen met elkaar samen. Het hof zal ze dan ook tezamen behandelen. Toetsingskader 8.5 Op grond van de eerste zin van artikel 6:97 BW begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Deze zin biedt ook de grondslag voor abstracte begroting van de schade. In de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6, p. 339) is daarover opgemerkt:“Aan dit artikel is een nieuwe eerste zin toegevoegd, die beoogt een wettelijke basis te geven aan abstracte en andere wijzen van schadebegroting. Het komt erop neer dat de rechter bij de begroting van schade en ook bij de keuze op welke wijze de begroting moet plaatsvinden, een grote mate van vrijheid heeft (…). Zoals reeds aangestipt, geeft de regel aan de rechter mede de vrijheid om tot een abstracte wijze van schadeberekening te komen. Op de vraag in welke gevallen deze op haar plaats is, is moeilijk een algemeen antwoord te geven. Dit antwoord is dan ook in beginsel aan de rechter overgelaten. Wel bevat het nieuwe wetboek voor een aantal belangrijke gevallen bijzondere regels op dit punt, met name in de artikelen (…).”De rechter heeft dus een aanzienlijke, maar niet een onbegrensde vrijheid. Deze vrijheid betekent immers niet dat de rechter in een bepaald type gevallen naar believen kan kiezen en nu eens concreet en dan weer abstract mag begroten. In gevallen waarin in de rechtspraak van de Hoge Raad is gekozen voor een abstracte benadering (zoals bij beschadiging van roerende zaken) is daarmee duidelijk dat zij ook in vergelijkbare gevallen aangewezen is (AG Hartlief, ECLI:NL:PHR:2016:1123, nr. 4.11). 8.6 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat concrete schadebegroting het uitgangspunt is. In het arrest Rijnstate/Reuvers (Hoge Raad 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009, 387) overwoog de Hoge Raad:“3.3 (…) Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval.3.4 Op dit uitgangspunt zijn in de rechtspraak echter, zowel op praktische gronden als om redenen van billijkheid, in bijzondere gevallen uitzonderingen aanvaard.” 8.7 De rechtbank heeft overwogen dat uit de parlementaire geschiedenis niet in algemene zin kan worden afgeleid in welke gevallen een abstracte wijze van schadeberekening op zijn plaats is. Deze vaststelling is, terecht (mede gelet op het hiervoor aangehaalde citaat uit de parlementaire geschiedenis), niet aangevallen door NAM. NAM heeft ook, eveneens terecht, niet bestreden dat in de jurisprudentie van de Hoge Raad geen duidelijke lijn is te onderkennen als het gaat om de vraag wanneer de abstracte methode van schadeberekening kan worden toegepast. NAM heeft, onder verwijzing naar een door haar overgelegd advies van prof. mr. A.S. Hartkamp, juist benadrukt dat de Hoge Raad zeer terughoudend is met het formuleren van algemene regels op dit gebied (MvG nr. 231). 8.8 Ook al is de Hoge Raad terughoudend met het formuleren van algemene regels inzake abstracte schadebegroting, uit de rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. onder meer het aangehaalde arrest Rijnstate/Reuvers en - recent - HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208 (Donata/New England) r.o. 3.3.3) volgt wel dat doorslaggevend is of op praktische gronden en/of om redenen van billijkheid kan worden geabstraheerd van een of meer (concrete) omstandigheden. Het hof is het dan ook met prof. Hartkamp (in het eerder aangehaalde advies) eens dat voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval bij de begroting van schade geabstraheerd moet worden van een of meer omstandigheden, groot belang toekomt aan de redelijkheid en doelmatigheid. Wat redelijk is, wordt mede bepaald door de maatschappelijke opvattingen (vgl. artikel 3:12 BW). Dat de redelijkheid van het met de abstractie bereikte resultaat een belangrijke rol speelt, volgt overigens ook uit een analyse van prof. mr. S.D. Lindenbergh van de rechtspraak van de Hoge Raad over abstracte schadeberekening (S.D. Lindenbergh, Abstracties bij vaststelling van schade, in Lindenbergh en Franken, Abstracte schadevergoeding, Deventer 2013, p. 29 en 30) en is eveneens opgemerkt door AG Hartlief in zijn hiervoor aangehaalde conclusie (nr. 4.13). Het hof overweegt in dit verband dat in de dissertatie van A.R. Bloembergen uit 1965 (vgl. blz. 48) al is verdedigd dat de redelijkheid en aanvaardbaarheid van het resultaat in een concreet geval kan pleiten voor abstracte schadeberekening. 8.9 Voor het antwoord op de vraag of, en in hoeverre, in dit geval bij de begroting van de schade vanwege waardevermindering van woningen als gevolg van de aardbevingen kan worden geabstraheerd van het feit dat de (al dan niet beschadigde) woning niet wordt verkocht, is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen doorslaggevend of er op praktische gronden en om redenen van billijkheid voldoende grond voor abstractie is. Daarbij is van belang of deze abstractie tot een redelijk resultaat leidt (vanuit een ander perspectief: of het afzien van abstractie een onredelijk resultaat tot gevolg heeft) en doelmatig is. Bij dit alles moet ook de aard van de schade (vgl. de formulering van artikel 6:97 BW) in aanmerking worden genomen. Het hof stelt vast dat ook prof. mr. J.M. van Dunné, in zijn in opdracht van WAG en de corporaties uitgebrachte advies ten behoeve van de appelprocedure, benadrukt dat het redelijke resultaat (waarin ook elementen van doelmatigheid van belang zijn) en de aard van de schade bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de abstracte methode kan worden toegepast. 8.10 Partijen hebben diverse arresten van de Hoge Raad waarin bij de begroting van schade (in een bepaald opzicht) is geabstraheerd van concrete omstandigheden, uitgebreid besproken en geanalyseerd. Zij zijn het er, bij alle verschillen in hun interpretatie van die arresten, over eens dat de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan in een zaak als deze, waarin de vraag centraal staat of de eigenaar van een woning in het gebied waarin door gaswinning aardbevingen hebben plaatsgevonden en mogelijk nog meer bevingen zullen plaatsvinden, aanspraak heeft op vergoeding van schade bestaande uit de waardevermindering van zijn woning, ook als de woning niet wordt verkocht en ongeacht of de woning zelf is beschadigd.Dat betekent niet dat deze arresten niet van belang zijn. Ze kunnen helpen om het gebied waarbinnen abstracte schadebegroting in beginsel mogelijk (dus niet: geboden) is, af te bakenen. Om die reden zal het hof nagaan wat de Hoge Raad in die arresten over de aan hem voorgelegde situaties heeft beslist. Wanneer uit de te bespreken arresten volgt dat de aan het hof voorgelegde situatie in lijn ligt met situaties waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat abstractie niet mogelijk is, dan wel geheel uit de toon valt bij de door de Hoge Raad berechte situaties waarin werd geoordeeld dat abstractie wel kon plaatsvinden, vormt dat een aanwijzing dat abstractie in dit geval niet voor de hand ligt. Wanneer uit de bespreking van de arresten volgt, dat abstractie ook in dit geval in beginsel mogelijk is, zal het hof daarna beoordelen of abstractie in dit geval ook daadwerkelijk moet plaatsvinden. Bij die beoordeling is, zoals overwogen, doorslaggevend of abstractie tot een redelijk resultaat leidt en doelmatig is. Arresten van de Hoge Raad over abstracte schadebegroting van waardevermindering 8.11 In het arrest Schreuder/Van Driesten (HR 13 december 1963, NJ 1964, 449) overwoog de Hoge Raad dat de eigenaar van een bij een aanrijding beschadigde auto naast de (abstract begrote) herstelkosten ook aanspraak heeft op resterend waardeverlies, ook al ‘realiseert’ dat waardeverlies zich niet omdat hij niet verkoopt, en ook al zal dit waardeverlies naarmate de tijd verstrijkt ‘wegebben’. De Hoge Raad overwoog:“dat dit een en ander echter niet wegneemt, dat het vermogen van den eigenaar door de aanrijding terstond een vermindering ondergaat gelijk aan de vermindering van de waarde van den auto, die het gevolg is van de omstandigheid, dat bij de waardebepaling in aanmerking moet worden genomen het op dat ogenblik te waarderen, door de aanrijding geschapen risico van het blijken van een gebrek; O. dat de eigenaar recht heeft op vergoeding van deze vermogensvermindering al gaat hij tot verkoop of inruil in het geheel niet of eerst op een later tijdstip over, en ook al verwezenlijkt het risico, hetwelk hij door den auto te blijven gebruiken op zich heeft genomen, zich niet;" 8.12 Het arrest Binnendijk/EMI (HR 2 februari 1979, NJ 1979, 384) betreft een geschil over de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Op grond van deze wet heeft Binnendijk aanspraak op vergoeding van zijn schade vanwege de aanleg en instandhouding door EMI van een hoogspanningsleiding boven zijn perceel. Binnendijk heeft onder meer aanspraak gemaakt op schade vanwege waardevermindering van zijn perceel, maar deze schadepost is in hoger beroep door de rechtbank afgewezen omdat “een zodanige waardevermindering zonder meer nog niet een (concrete) schade oplevert, welke ingevolge art. 1 Belemmeringenwet Privaatrecht voor vergoeding in aanmerking komt.”De Hoge Raad casseerde:“In de in art. 1 der wet voorkomende woorden 'behoudens schadevergoeding' is geen beperking van het recht op schadevergoeding gelegen, en uit de geschiedenis van de wet blijkt, dat is gedacht aan een recht op volledige schadevergoeding. De opvatting dat de in waardevermindering gelegen schade op zichzelf niet voor vergoeding in aanmerking komt, vindt derhalve in de wet geen steun. Aan het recht op vergoeding van deze schade staat niet in de weg, dat de omvang ervan in geschil is. Het systeem der wet brengt mede dat het de rechter vrijstaat zijn beslissing omtrent de gevorderde vergoeding uit te stellen, indien hem dit geraden voorkomt omdat de betekenis van de gestelde schadefactoren wegens hun verband met toekomstige onzekere gebeurtenissen nog niet met voldoende duidelijkheid kan worden bepaald. Dienaangaande heeft de Rb. echter niets vastgesteld.” Ten aanzien van de laatste alinea merkt annotator Mijnssen op dat de Hoge Raad deze alinea niet heeft aangepast aan de gewijzigde tekst van artikel 6.1.9.10 NBW (nu artikel 6:105 BW). Mijnssen vervolgt:“Dat betekent dunkt mij niet dat de rechter, bij toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht, bevoegd zou zijn begroting van schade uit te stellen ook indien deze reeds zou zijn ingetreden. De bevoegdheid de beslissing uit te stellen bestaat alleen t.a.v. schade die afhankelijk is van toekomstige factoren, dat is schade die nog niet, of nog niet geheel, is ingetreden. Schade die bestaat in waardevermindering is echter al ingetreden op het tijdstip dat het werk werd aangebracht. De rechter kan dan ook zijn beslissing omtrent schade door waardevermindering niet uitstellen, alleen omdat de rechthebbende nog niet tot verkoop van zijn recht is overgegaan.”Het hof is met annotator Mijnssen van oordeel dat de mogelijkheid van uitstel alleen bestaat t.a.v. nog niet ingetreden schade. 8.13 In het arrest Oranje Nassau Mijnen (HR 23 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6897; NJ 1980, 466) heeft woningeigenaar Van den Broeck vergoeding gevorderd van Oranje Nassau Mijnen van de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de verzakking van zijn woning vanwege de mijnbouw. Naast de kosten van herstelwerkzaamheden heeft hij een vergoeding gevorderd voor de blijvende minderwaarde van zijn woning, die volgens hem ook na het herstel nog scheef staat. Het hof heeft een schadevergoeding van fl. 40.000,- toewijsbaar geoordeeld. Dit bedrag was door deskundigen berekend en Van den Broeck had zich bereid verklaard met betaling van dit bedrag de schade als definitief geregeld te willen beschouwen. De Hoge Raad verwierp het tegen deze beslissing gerichte cassatiemiddel met de volgende overweging:“Hetgeen het Hof hieromtrent heeft geoordeeld komt hierop neer: dat het feit dat de schade ook thans nog doorgaat en dat de nawerking van de mijnexploitatie nog wel tien jaren meetbaar kan zijn, reeds thans een waardeverminderende invloed op het pand uitoefent omdat de verkoopwaarde daardoor reeds thans nadelig wordt beïnvloed; dat deze reeds thans bestaande schade moet worden gewaardeerd op ƒ 40 000; dat dit bedrag tevens is te beschouwen als een afkoopsom ter zake van toekomstige waardevermindering. Dit oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, ook niet indien de mogelijkheid in aanmerking wordt genomen dat een nieuwe eigenaar in de toekomst vergoeding van eventuele nieuwe mijnschade van Oranje Nassau Mijnen zou kunnen vorderen.” 8.14 In het arrest Gemeente Maassluis/Van Koppen c.s. (HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0707, NJ 1994, 286) wordt de gemeente Maassluis aansprakelijk gehouden voor de bouw van woningen op door de gemeente verkochte verontreinigde grond. Verschillende kopers hebben de gemeente aangesproken tot vergoeding van waardedaling van hun woningen. Enkelen van hen hebben hun woning inmiddels verkocht, Van Koppen c.s. niet. De gemeente heeft betoogd dat Van Koppen c.s., indien al sprake is van waardedaling, geen schade kunnen lijden zolang zij hun woning niet hebben verkocht en dat wanneer de bodem zal zijn gesaneerd van schade geen sprake meer kan zijn. Het hof heeft geoordeeld dat in een geval als dit de schade in verband met de waardedaling van een woning abstract mag worden berekend en dat, daarvan uitgaande, reeds op dit moment aannemelijk is dat Van Koppen c.s. door de bodemverontreiniging schade hebben geleden. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bodemsanering een beperkt karakter zal hebben en dat ”een waardedaling als gevolg van een geruchtenstroom, verband houdende met de onderhavige bodemverontreiniging, wel degelijk vergoedbare schade oplevert en dat psychosociale-effecten eveneens relevant zijn.” De oordelen van het hof moeten volgens de Hoge Raad “aldus worden verstaan dat aannemelijk is dat Van Koppen c.s. niettegenstaande het feit dat zij hun woning niet hebben verkocht, schade hebben geleden in de vorm van waardedaling van de woning als gevolg van de bodemverontreiniging, en dat deze schade voor abstracte berekening in aanmerking komt.” Met dat oordeel heeft het hof volgens de Hoge Raad niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de motivering