GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.136.113/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Zwolle 607562 CV EXPL 12-2807) arrest van 10 juli 2018 in de zaak van 1 [appellant1] ,wonende te [A] ,
(3)sollicitaties binnen de cosmetische branche zijn zij afgewezen vanwege die concurrentiebedingen, waarna zij het verder niet meer geprobeerd hebben. Als gevolg daarvan hebben zij te kampen gehad met grote inkomstenderving. 5.7 Het hof stelt voorop dat de beoordeling van de vordering tot (gehele of gedeeltelijke) vernietiging, althans matiging van de concurrentiebedingen zich dient te beperken tot de concurrentiebedingen zoals die waren opgenomen in de arbeidsovereenkomsten met [appellant2] en [appellant1] (zie 3.3 en 3.4). Het verbod met dwangsom zoals dat door de voorzieningenrechter in het kort geding vonnis van 19 januari 2010 aan [appellanten] c.s. is opgelegd valt buiten de reikwijdte van deze procedure. De stelling van [appellanten] c.s. dat de voorzieningenrechter de concurrentiebedingen heeft verlengd, is onjuist. De voorzieningenrechter heeft een eigenstandig verbod opgelegd aan [appellanten] c.s., met daaraan verbonden een door haar bepaalde dwangsom. Dat de formulering van het verbod is ontleend aan de concurrentiebedingen doet daar niet aan af. De onderhavige (bodem)procedure kan niet fungeren als een hoger beroep voorziening tegen dat vonnis in kort-geding. Dat [appellanten] c.s. het door hen tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep later hebben ingetrokken (zie 3.6) dient voor hun rekening en risico gelaten te worden. 5.8 Het hof is van oordeel dat MedCos ontegenzeggelijk een groot belang had bij het opnemen van een concurrentiebeding in haar arbeidsovereenkomsten met [appellant2] en [appellant1] : beiden bekleedden een commerciële functie waarbij zij kennis droegen van concurrentiegevoelige informatie. 5.9 Het hof heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de markt waarop MedCos opereert, die van de (non-invasieve) medisch cosmetische apparatuur, een onderdeel (niche) vormt van de cosmetische branche. De concurrentiebedingen, gelezen in hun samenhang, beperken [appellant2] en [appellant1] slechts om na het einde van hun arbeidsverhouding gedurende de looptijd van de bedingen op die markt actief te zijn. [appellanten] c.s. hebben niet aangevoerd dat zij vanwege hun werkervaring uitsluitend op die (beperkte) markt zijn aangewezen. Zij hebben wel aangevoerd, maar niet (voldoende) onderbouwd dat de concurrentiebedingen het hun niettemin onmogelijk hebben gemaakt om ander werk te vinden binnen de cosmetische branche. Zij hebben zich slechts beroepen op een drietal sollicitaties, waarbij zij vanwege die bedingen zouden zijn afgewezen. Eén van die sollicitaties betreft het bedrijf Beautytek. Dat is echter een bedrijf waarvan juist is komen vast te staan dat die op dezelfde markt opereert als MedCos. Van de andere twee bedrijven, Talboom BV en Elha cosmetics BV, hebben [appellanten] c.s. niet onderbouwd dat zij inderdaad zijn afgewezen vanwege de bedingen. Daarmee hebben [appellanten] c.s. onvoldoende onderbouwd dat de bedingen hun daadwerkelijk hebben belet om elders binnen de cosmetische branche, maar buiten de deelmarkt van MedCos, werkzaam te zijn. Daargelaten dat voor het hof niet inzichtelijk is dat en waarom [appellanten] c.s. hun commerciële vaardigheden niet buiten de cosmetische branche zouden hebben kunnen benutten –gesteld noch gebleken is dat zij ook buiten die branche nog (tevergeefs) hebben getracht werk te vinden-, is voor het hof aldus niet voldoende aannemelijk geworden dat [appellanten] c.s. door de concurrentiebedingen onbillijk zijn benadeeld. Grief I faalt derhalve. 5.10 Voor de goede orde merkt het hof nog op dat de kantonrechter de wijziging van eis na verwijzing (bij akte van 27 november 2012) kennelijk zo heeft begrepen dat de aanvankelijk meer subsidiair gevorderde vergoeding van € 5.000,- per maand gedurende de geldigheidsduur van de concurrentiebedingen (zie 3.7), is komen te vervallen. De kantonrechter heeft over die vordering althans niet geoordeeld. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof niet toekomt aan een oordeel daarover. Provisie en achterstallig salaris ( grief II ) 5.11 Uit de toelichting op de grief blijkt dat deze zich alleen richt tegen de afwijzing van de door [appellant2] gevorderde bonus/provisie (en niet ook tegen de afwijzing van achterstallig salaris en evenmin tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellant1] ). 5.12 Volgens [appellant2] heeft hij nog aanspraak op een provisie van € 29.597,80 over
- Hij beroept zich daarvoor op een provisieafspraak die is opgenomen in Bijlage I bij de samenwerkingsovereenkomst tussen Van Mill Beauty Groep B.V. en MedCos (productie 3 bij de conclusie van antwoord/conclusie van eis), bezien in samenhang met een door hem overgelegde opstelling (productie 5 bij die conclusie). Daarnaast stelt [appellant2] dat hij op basis van de bij de arbeidsovereenkomst behorende bonusregeling (productie 4 bij de conclusie van antwoord/conclusie van eis) over 2008/2009 nog aanspraak heeft op een provisie van € 9.400,- ter zake van verkopen in Nederland, en dat hij op basis van door hem in oktober 2007 met MedCos (in de persoon van dhr. [C] ) gemaakte afspraak over provisie verkopen in België - een provisie van € 1.000,- per verkocht apparaat, waarbij verkopen in 2007 niet zouden meetellen - nog aanspraak heeft op de gevorderde bonus (van € 45.200,-), eveneens over 2008/
- 5.13 MedCos heeft als meest verstrekkend verweer tegen de gevorderde bonus/provisie aangevoerd dat na de wijziging van eis bij akte na verwijzing, deze vorderingen geen deel meer uitmaken van gewijzigde vordering. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de akte echter genoegzaam dat de wijziging van eis alleen strekte tot het herformuleren van de vordering tot vernietiging, althans matiging van de concurrentiebedingen, en niet strekte tot een algehele wijziging van eis. Dat verweer wordt derhalve verworpen. 5.14 MedCos heeft tegen de provisieaanspraak over 2006 aangevoerd dat die betrekking heeft op een overeenkomst van opdracht met Van Mill Beauty Groep B.V., dat die rechtspersoon geen partij is in dit geding en dat de vordering reeds daarom niet kan worden toegewezen. Dat verweer slaagt. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien dat [appellant2] in persoon aanspraak heeft op een provisie die is gebaseerd op een provisieafspraak die onderdeel is van een (samenwerkings)overeenkomst tussen MedCos en Van Mill Beauty Groep BV. 5.15 MedCos heeft tegen de op de arbeidsovereenkomst gebaseerde provisieaanspraken als meest verstrekkend verweer gevoerd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd (op 8 oktober 2009) door middel van een door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst, en dat [appellant2] daarin heeft verklaard geen aanspraak meer te hebben op loon of andere salarisverplichtingen. MedCos heeft zich ter onderbouwing van die stelling beroepen op de volgende passages in die overeenkomst (overgelegd als productie 33 bij conclusie van repliek/conclusie van antwoord):"
- De met door [appellant2] ondertekende arbeidsovereenkomst met MCS en daarbij behorende bijlage 1 d.d. 7 maart [hof: de bonusregeling], zijn onverbrekelijk onderdeel van deze vaststellingsovereenkomst (…)(...)
- [appellant2] erkend dat MCS per dag van ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst geen enkele loon en of andere salaris verplichtingen meer aan [appellant2] verschuldigd is, met uitzondering van het salaris van 1 oktober 2009 tot en met 8 oktober 2009 en MCS zal voor eind oktober 2009 aan [appellant2] de volledige loon eindafrekening laten toekomen" 5.16 [appellant2] heeft niet betwist dat de vaststellingsovereenkomst inhoudt dat hij geen aanspraak meer kan maken op provisie/bonus. Hij betwist wel dat hij die overeenkomst heeft ondertekend; volgens hem is de vaststellingsovereenkomst wel aan hem voorgelegd, maar heeft hij die niet ondertekend omdat hij het er niet mee eens was. 5.17 MedCos heeft weersproken dat de overeenkomst niet door [appellant2] is ondertekend. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij zich beroepen op een in haar opdracht door dhr. [D] , forensisch schriftdeskundige, vervaardigd handschriftvergelijkend onderzoek naar de op de vaststellingsovereenkomst geplaatste paraaf en handtekening van (beweerdelijk) [appellant2] (overgelegd als productie 34 bij conclusie van repliek/conclusie van antwoord). MedCos heeft aangevoerd dat de deskundige geen aanwijzingen heeft gevonden voor een vervalsing en concludeert dat de handtekening met hoge waarschijnlijkheid is geplaatst door [appellant2] . MedCos heeft zich in dat verband beroepen op de volgende passages in het rapport:"Het document-technische deelonderzoek leverde geen bevindingen op die als aanknopingspunt voor een technische manipulatie kunnen worden beschouwd." "De onderzoeksbevindingen laten zich dus onder de nabootsingshypothese niet plausibel verklaren en leiden tot een totaalbeeld, dat steun geeft aan de hypothese, dat de handtekening (...) door de heer [appellant2] is vervaardigd." "De op pagina 2 van de vaststellingsovereenkomst in de rubriek "General Manager" geplaatste handtekening is met hoge waarschijnlijkheid door de heer [appellant2] vervaardigd." 5.18 [appellant2] heeft betwist dat uit het rapport blijkt dat hij de overeenkomst heeft ondertekend. Hij heeft daarbij gewezen op de volgende passage in het rapport:'De configuratie van overeenkomstige kenmerken kan als ondersteuning voor het schrijverschap van de heer [appellant2] worden beschouwd, is echter niet specifiek en daarmee niet bewijskrachtig genoeg om een substantiële uitspraak in één van de gebruikelijke waarschijnlijkheidsgradaties te kunnen treffen” en heeft aangevoerd dat uit het onderzoek blijkt dat de handtekening niet onweerlegbaar c.q. onomstotelijk van hem is, terwijl van de paraaf op de eerste pagina door de deskundige alleen wordt gezegd dat die mogelijk van hem afkomstig is. 5.19 Het hof leidt uit de door [appellant2] aangehaalde passage af dat de onderzochte handtekening van [appellant2] te weinig specifieke kenmerken vertoont om met voldoende mate van zekerheid te kunnen oordelen dat die handtekening van hem afkomstig is. Daarmee is met het rapport niet bewezen dat [appellant2] de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend. 5.20 MedCos heeft verder aangevoerd dat [appellant2] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens MedCos zijn er in 2008/2009 geen verkopen in België gerealiseerd en is provisie telkens betaald met het loon en is dat ook op loonstroken te zien, welke door [appellant2] echter niet zijn overgelegd. 5.21 Het hof stelt vast dat [appellant2] in eerste aanleg zijn vordering op bonus/provisie enkel heeft onderbouwd met een verder niet nader toegelichte of van enige onderbouwing voorziene opstelling (overgelegd als productie 5 bij conclusie van antwoord/conclusie van eis) en dat hij, ondanks de afwijzing van zijn vordering in eerste aanleg bij gebrek aan onderbouwing, in hoger beroep die vordering niet of nauwelijks nader heeft toegelicht en/of onderbouwd. Het is voor het hof onduidelijk gebleven hoe uit de bonusregeling de in de vordering op € 1.400,- gestelde aanspraak op bonus/provisie over 2008/2009 voortvloeit. Daarbij merkt het hof op dat [appellant2] in zijn memorie van grieven rept over een aanspraak van € 9.400,-, zonder zijn vordering op dat punt echter kenbaar te vermeerderen en zonder toe te lichten hoe dat bedrag zich verhoudt tot het bedrag van € 1.400,-. Verder ontbreekt iedere onderbouwing waaruit kan blijken dat in 2008/2009 inderdaad apparaten zijn verkocht in België. Zeker gelet op de hoogte van die provisieaanspraak kon [appellant2] als onderbouwing daarvan niet volstaan met enkel een op zichzelf niets zeggend overzicht. 5.22 Het hof komt aldus tot de slotsom dat [appellant2] ook in hoger beroep zijn aanspraak op bonus/provisie onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee faalt ook grief II. 6De slotsom 6.1 De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. 6.2 Het hof zal [appellanten] c.s. als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van MedCos zullen worden vastgesteld op € € 1.862,- aan griffierecht en € 1.072,- aan salaris advocaat (1 punt x tarief II). 7De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 25 juni 2013; veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van MedCos vastgesteld op € 1.862,- voor verschotten en op € 1.072,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief. Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. M.E.L. Fikkers en mr. P.G. Vestering en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.