GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer 200.239.095/01 (zaaknummer rechtbank C/17/18/113 R) arrest van 19 juli 2018 inzake [appellant] , wonende te [A] , appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J. Pieters, kantoorhoudende te Sneek. 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 24 april 2018 is ten aanzien van [appellant] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 2 mei 2018, heeft [appellant] verzocht voornoemd vonnis van 24 april 2018 te vernietigen en primair de zaak terug te wijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden met het aanvullende verzoek om CMIS Nederland B.V. te bevelen in te stemmen met de door [appellant] aangeboden schuldenregeling, althans subsidiair dat het hof zulks zal beslissen. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de door mr. Pieters overgelegde producties 1 tot en met 7, zijnde de stukken in eerste aanleg en de stukken waarnaar in het beroepschrift wordt verwezen. Van mevrouw [B] (hierna te noemen: de bewindvoerder) is een brief van 3 juli 2018 met bijlagen ontvangen. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2018, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de bewindvoerder is de heer [C] verschenen. 3De beoordeling Vaststaande feiten 3.1 [appellant] heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Er is geen verzoek op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) tot het bevelen van een dwangakkoord gedaan. De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] toegewezen. De ontvankelijkheid van het hoger beroep 3.2 [appellant] heeft tegen deze toewijzing hoger beroep ingesteld. Het hof overweegt ambtshalve dat op grond van artikel 292 lid 2 Fw hoger beroep tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling uitdrukkelijk is uitgesloten. De wetgever heeft voor dit rechtsmiddelenverbod van betekenis geacht dat de eenmaal uitgesproken schuldsanering zo efficiënt mogelijk van start moet kunnen gaan, zonder een hangend hoger beroep (TK 22942, nr. 3 (MvT) p. 23). 3.3. Aangaande het standpunt van [appellant] dat sprake is van gronden tot doorbreking van het appelverbod overweegt het hof het volgende. Doorbreking van het appelverbod is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 29 maart 1985, LJN AG4989; NJ 1986/242 (Enka/Dupont) en HR 30 juni 2000, LJN AA6342; NJ 2000/674) slechts mogelijk indien blijkt dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.