GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.189.712 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland: 3767984) arrest van 23 januari 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie hierna: [appellante] , advocaat: mr. D.R. Corbeek, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. R.P. de Boer. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 juli 2017 hier over. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de op 25 oktober 2017 ter openbare terechtzitting gehouden comparitie van partijen. 1.3 [appellante] heeft de stukken voor het wijzen van arrest voorafgaand aan de comparitie van partijen aan het hof overgelegd en het hof heeft ter zitting arrest bepaald op dat dossier, zoals aangevuld met de ter comparitie alsnog door [appellante] overgelegde kopieën van de producties bij dagvaarding in eerste aanleg (die bij vergissing niet eerder waren overgelegd). 2De vaststaande feiten Het hof stelt de volgende feiten vast. 2.1 [geïntimeerde] en [appellante] zijn elkaars broer/zuster. Hun vader, acupuncturist, heeft in het jaar 1981 aan de [straatnaam] in [woonplaats] een acupunctuurpraktijk geopend, welke praktijk in 1992 in een maatschap is ingebracht waarvan de ouders van partijen en [appellante] de leden waren. Van 1998 tot 2003 maakte [geïntimeerde] eveneens deel uit van de maatschap. [geïntimeerde] is in 2003 als office manager in loondienst van de maatschap getreden. In 2008 heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst opgezegd. De moeder van partijen is per 1 januari 2008, 1 juli 2008 of 1 januari 2009 uit de maatschap getreden (productie 16 bij memorie van grieven, § 1.8 van de akte eiswijziging/conclusie van antwoord in reconventie en § 3.9 memorie van grieven noemen hiervoor verschillende data). De maatschap is per 2 april 2014 geëindigd door een rechtbankvonnis (productie 2 bij conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv), waarbij de huurrechten met betrekking tot het praktijkpand aan [appellante] werden toegedeeld. [appellante] heeft de praktijk voor eigen rekening voortgezet. 2.2 Op enig moment heeft [geïntimeerde] het perceel [straatnaam] aangeschaft, waarbij de vader van partijen een borgstelling heeft afgegeven ter zake van de financiering van de koopsom. Het gaat om een perceel met daarop een huis en een garage. [geïntimeerde] heeft het souterrain, de parterre en de eerste verdieping van het huis bij Huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte d.d. 31 maart 2003 (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) met ingang van 1 maart 2003 aan de maatschap verhuurd, met de garage en (in de achtertuin) ‘15 parkeerplaatsen’, waarna de maatschap de acupunctuurpraktijk naar dit pand heeft verhuisd. 2.3 De huurovereenkomst van 31 maart 2003 is aangegaan tot en met 31 maart 2008, maar is verlengd. Thans loopt de huur door tot en met 31 maart 2018. [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst tegen de laatstgemelde datum opgezegd.In het huurcontract staat dat de maatschap op jaarbasis aan huur € 60.000 verschuldigd is, te betalen in maandelijkse termijnen van elk € 5.000. Bovendien moet de maatschap een voorschot betalen voor kosten van het gebruik van water en energie. 2.4 De maatschap heeft steeds aan huur € 5.000 per maand betaald en heeft ook steeds de voorschotten wegens water- en energiegebruik betaald. Enkele maanden nadat de huurrechten aan [appellante] waren toegedeeld, heeft [appellante] per maand een lager bedrag overgemaakt en weer enkele maanden later is zij helemaal gestopt met het betalen van huur. 3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] na eisvermeerdering betaling gevorderd van een huurachterstand van € 66.260,07, te vermeerderen met contractuele boetes en een proceskostenvergoeding. Bovendien heeft hij gevorderd om voor recht te verklaren dat hij twee parkeerplaatsen achter het praktijkpand mag blijven gebruiken.[appellante] heeft verweer gevoerd. 3.2 [appellante] heeft bovendien in reconventie gevorderd om vast te stellen dat de huurprijs vanaf 1 december 2008 € 3.375 per maand bedraagt, in plaats van € 5.000, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van teveel betaalde huur en tot vergoeding van proceskosten.[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd. 3.3 De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis van 16 december 2015 de vorderingen in conventie (van [geïntimeerde] ) toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld, en in reconventie de hierboven beschreven vorderingen (van [appellante] ) afgewezen met bepaling dat de partijen hun eigen proceskosten dragen. 4De beoordeling van de grieven en de vorderingen 4.1 [appellante] heeft met haar grieven in het principaal hoger beroep haar standpunt, dat er een lagere huurprijs geldt of behoort te gelden, herhaald en heeft bezwaar gemaakt tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] inzake de twee parkeerplaatsen. [geïntimeerde] heeft ook in hoger beroep verweer tegen deze vorderingen gevoerd en heeft in het incidenteel hoger beroep zijn vordering tot betaling van boetes vermeerderd door tevens betaling te vorderen van ná de dagvaarding in eerste aanleg verbeurde boetes. [appellante] heeft tegen die vordering verweer gevoerd, onder meer met een beroep op matiging van de boetes. de huurprijs 4.2 Volgens [appellante] was de maatschap vanaf 2008 aan huur niet langer € 5.000 per maand verschuldigd, maar moet deze huur worden verlaagd met € 1.625 per maand omdat [geïntimeerde] die verdieping sindsdien aan een derde heeft verhuurd tegen een huurprijs van € 1.625 per maand. [geïntimeerde] bestrijdt dat hij met een lagere huur genoegen moet nemen, met een beroep op afspraken die tussen hem en de maatschap zijn gemaakt met het oog op zijn ontslag in 2008, welke afspraken inhielden dat de maatschap het gebruik van de eerste verdieping zou opgeven, maar aan huur voor de resterende ruimte € 5.000 per maand zou blijven betalen. [appellante] heeft bestreden dat een dergelijke ontslagregeling is overeengekomen. 4.3 Het hof oordeelt als volgt. [geïntimeerde] , [appellante] en hun ouders hebben op 15 juli 2008 onderling, in het bijzijn van [fiscaal/zakelijk adviseur] (hierna: [fiscaal/zakelijk adviseur] ) als fiscaal/zakelijk adviseur van de familie, de gevolgen van [geïntimeerde] ontslag besproken. Daar is op de vraag voor wie de huur van de eerste verdieping is, geantwoord: ‘Deze is voor [geïntimeerde] ! (Geen discussie welk gedeelte betrekking heeft op de eerste verdieping)’. [geïntimeerde] heeft vervolgens die verdieping verhuurd zonder de inkomsten daaruit af te dragen en de maatschap is de ‘oude’ maandhuur van € 5.000 onverkort blijven doorbetalen. Dit biedt steun voor [geïntimeerde] standpunt inzake de in 2008 gemaakte afspraken. 4.4 [appellante] heeft erop gewezen dat [geïntimeerde] geen recht had op een ontslagvergoeding omdat hij zelf ontslag nam, omdat een ontslagvergoeding bij onvrijwillig ontslag volgens de (oude) kantonrechtersformule minder zou zijn dan € 1.625 per maand en omdat [geïntimeerde] op deze wijze een dubbele ontslagvergoeding zou incasseren. 4.5 Alle omstandigheden van het geval zijn van belang bij beantwoording van de vraag welke inhoud de afspraken hebben die naar aanleiding van de uitdiensttreding van [geïntimeerde] met betrekking tot de eerste verdieping zijn gemaakt. Van belang is immers wat partijen over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen hebben mogen opmaken (‘Haviltex’). Nu vast staat dat de maatschap volgens de gemaakte afspraken vanaf 2008 de eerste verdieping niet langer zou huren, is de huurovereenkomst gewijzigd, ook in de lezing die [appellante] van de afspraken heeft gegeven. Verlaging van de huurprijs lag voor de hand, tenzij een huurprijs van € 5.000 per maand conform de marktwaarde was van het per 2008 gehuurde. Partijen zijn het daar niet over eens. Of de huurwaarde marktconform is moet worden betwijfeld omdat de fiscus een andere mening had. De fiscus is bij compromis d.d. 3 juni 2014 (productie 18 bij conclusie van antwoord in reconventie) alsnog tijdelijk akkoord gegaan met de huurprijs, maar het blijft de vraag of dit berustte op het inzicht dat deze huur toch overeenkwam met de marktwaarde. 4.6 Vast staat echter dat de maatschap de oude huur is blijven betalen. Indien dit niet zakelijk was, is dat verklaarbaar: [geïntimeerde] was lid van de familie en voormalig lid van de maatschap, zijn inkomen ging achteruit en de vader van partijen, die het binnen de maatschap feitelijk voor het zeggen had, wilde [geïntimeerde] bevoordelen. [appellante] heeft aangevoerd dat zij tegen de ontslagregeling heeft geprotesteerd, maar ook dat zij destijds niet in staat was om tegen de vader van partijen in te gaan. Gelet hierop moet uit het feit dat de maatschap de oude huur is blijven betalen, opgemaakt worden dat de matschap en [geïntimeerde] op 15 juli 2008 de huur ongewijzigd hebben gelaten, mogelijk om met het voordeel, dat kon worden behaald door de eerste verdieping aan een derde te verhuren, [geïntimeerde] inkomstenverlies te compenseren. Protesten van [appellante] hebben dit blijkbaar niet kunnen verhinderen: de maatschap is kennelijk akkoord gegaan met deze ‘ontslagregeling’, ook al nam [geïntimeerde] het initiatief tot het ontslag. [appellante] heeft daarom onvoldoende uitgewerkt dat de overeenkomst uit 2008 (de ontslagregeling) haar niet bindt of een andere strekking had. Voor een aantasting van het maatschapsbesluit van destijds (om met de ontslagregeling in te stemmen) is in deze procedure geen plaats, wat er ook zij van de door [appellante] ervaren dominantie van haar vader. 4.7 Enkel het bestaan van de mogelijkheid van nadeel voor [appellante] maakt de overeenkomst niet ongeldig. [appellante] heeft gewezen op de nadelige gevolgen die zij in het kader van de belastingheffing mogelijk zal ondervinden van het onzakelijke karakter van de ontslagregeling, maar heeft aan het bestaan van dit risico evenmin rechtsgevolgen voor de huurovereenkomst verbonden. Dit argument kan [appellante] bovendien niet helpen doordat de fiscus zich bij compromis heeft verplicht om de huurprijs van € 5.000 per maand gedurende de verdere looptijd van de huurovereenkomst te accepteren. Dat een deel van de huur als loon zal worden aangemerkt, is in het licht van dit compromis ongegrond. 4.8 [appellante] draagt thans nadelige gevolgen van de ontslagregeling, waaraan de maatschap zich heeft gebonden doordat zij als huurster in de plaats van de maatschap is getreden. Nu de huurprijs door de fiscus zal worden geaccepteerd tot het einde van de huidige looptijd van de huurovereenkomst en die overeenkomst is opgezegd, is onvoldoende toegelicht dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar handelt door [appellante] aan de gevolgen van de ontslagregeling te houden. Dit betekent dat [appellante] gebonden is aan de ontslagregeling. [appellante] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat het hof haar bewijsaanbieding op dit punt afwijst. De kantonrechter is er dus terecht vanuit gegaan dat [appellante] de huurprijs van € 5.000 per maand dient te betalen. Dit betekent dat de grieven 2 tot en met 5 in het principaal hoger beroep falen. Grief 7 in het principaal hoger beroep is toegelicht met een beroep op een opschortingsrecht. [appellante] baseert het bestaan daarvan ten onrechte op de stelling dat er tot juni 2014 teveel huur aan [geïntimeerde] is betaald. Grief 7 faalt eveneens. de parkeerplaatsen 4.9 [appellante] heeft met grief 6 in het principaal hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de in het bestreden vonnis afgegeven verklaring voor recht dat [geïntimeerde] twee parkeerplaatsen achter het praktijkpand mag blijven gebruiken. [geïntimeerde] heeft zijn standpunt onderbouwd door zich erop te beroepen dat hij niet alle parkeerruimte achter het praktijkpand aan de maatschap heeft verhuurd en subsidiair door te betwisten dat [appellante] het gebruiksrecht dat hij na 2003 heeft teruggekregen (door een al of niet stilzwijgend gesloten overeenkomst met de maatschap) op geldige wijze heeft beëindigd. De kantonrechter heeft dit laatstbedoelde verweer gehonoreerd. 4.10 In de huurovereenkomst van 31 maart 2003 staat dat 15 parkeerplaatsen aan de maatschap in gebruik zouden worden gegeven. Parkeerplaatsen zijn pas later aangelegd, in de achtertuin van het praktijkpand. Het aantal verharde parkeerplaatsen schatten partijen op 9. [geïntimeerde] , die eerst op de tweede verdieping van het praktijkpand woonde en later in het naburige huis met nummer 93, gebruikte steeds twee van die parkeerplaatsen, ook nadat hij in 2008 uit dienst van de maatschap was getreden. In zoverre zijn partijen het met elkaar eens. 4.11 De huurovereenkomst zag van de aanvang af niet op het gebruik van het gehele pand: met name was het gebruik van de tweede verdieping van de huur uitgezonderd. De vermelding in de overeenkomst van 15 parkeerplaatsen betekent alleen al daarom niet dat [geïntimeerde] in 2003 alle parkeerruimte achter het praktijkpand aan de maatschap heeft verhuurd. Hier komt nog bij dat pas later (slechts) 9 verharde parkeerplaatsen zijn gerealiseerd. De betwisting van [geïntimeerde] van de (impliciete) stelling dat [appellante] recht heeft op het gebruik van alle parkeerruimte in de achtertuin, krijgt hierdoor handen en voeten. Het had daarom op de weg van [appellante] gelegen om met feiten en omstandigheden te onderbouwen dat zij recht heeft op het gebruik van alle parkeerruimte achter het praktijkpand. De vordering van [geïntimeerde] om te bepalen dat hij twee van die plaatsen mag blijven gebruiken is, voorts nog gelet op het feit dat [geïntimeerde] de eigenaar van het perceel is, in het bestreden vonnis terecht toegewezen, zij het op een andere grond. Grief 6 faalt. Of [appellante] ter zake van die plaatsen enig overeengekomen gebruiksrecht van [geïntimeerde] op geldige wijze heeft beëindigd, kan in het midden blijven. de contractuele boetes 4.12 In eerste aanleg is [appellante] veroordeeld tot betaling van de boetes die zij tot de dagvaarding in eerste aanleg had verbeurd, waarbij haar beroep op matiging daarvan is verworpen op de grond dat zij daarvoor onvoldoende had gesteld. Met het incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] betaling van na de dagvaarding in eerste aanleg verbeurde boetes, met de wettelijke rente daarover. 4.13 In haar memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellante] haar beroep op matiging herhaald en daartoe onder meer gewezen op § 51 tot en met § 53 van haar conclusie van antwoord/eis. Zij heeft voorts toegelicht dat zij uit hoofde van het boetebeding slechts één boete per achterstallige huurtermijn kan zijn verbeurd, in plaats dat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op een boete voor iedere maand en voor iedere huurtermijn die niet op tijd is betaald. 4.14 [appellante] heeft geen grief gericht tegen de toewijzing van de vordering tot betaling van € 3.176,60 wegens vóór de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg verbeurde boetes, zodat zij over die periode dat bedrag aan boetes moet betalen. De vraag of zij na de dagvaarding in eerste aanleg boetes heeft verbeurd is daarmee niet beantwoord. Het gaat hier om uitleg van artikel 14.2 van de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte (d.d. 29 februari 1996, productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg - hierna: ROZ), dat luidt: Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege vanaf de vervaldag een direct opeisbare boete van 2% per maand van het verschuldigde met een minimum van f 250,-- per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt. 4.15 Volgens de tekst van dit beding wordt de hoogte van de boete niet alleen bepaald door de hoogte van de betalingsschuld, maar ook van de duur van de achterstalligheid: de boete is per (kalender)maand verschuldigd en uit de berekening van [geïntimeerde] die hij als productie 26 bij memorie van antwoord/grieven heeft overgelegd blijkt dat hij artikel 14.2 ROZ letterlijk neemt, zoals kennelijk ook de verhuurders dat deden, die waren verwikkeld in de procedures die tot de twee door [appellante] in het incidenteel hoger beroep overgelegde rechterlijke uitspraken hebben geleid. Het gaat daarbij om het kort geding-vonnis van de kantonrechter in Amsterdam van 17 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1037, en het arrest van dit hof van 8 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6637. In elk deze twee zaken was eveneens een vordering uit hoofde van een boetebeding aan de orde, met eenzelfde inhoud en strekking als artikel 14.2 ROZ. Ook was dit beding als algemene voorwaarde in de huurovereenkomst opgenomen en kende het een minimumboete. De minimumboete bedroeg in die beide andere zaken echter € 300 in plaats van f 250 (= € 113,45). 4.16 Hierboven is gebleken dat [appellante] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting tot het tijdig betalen van de huur. [appellante] heeft daardoor in beginsel de in artikel 14.2 ROZ bedoelde boetes verbeurd. Gelet op de tekst van artikel 14.2 ROZ gaat het daarbij om per maand verbeurde boetes: hoe langer een betaling achterstallig blijft, des te hoger de boete. Dit pleit voor de interpretatie die [geïntimeerde] aan dat artikel geeft. [appellante] heeft echter op verschillende plaatsen in haar processtukken in eerste aanleg en in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat het resultaat van een letterlijke toepassing van artikel 14.2 ROZ onredelijk is en zij heeft zich kennelijk aangesloten bij de uitleg die in het door haar overgelegde vonnis van de kantonrechter te Amsterdam is gegeven, die inhoudt: - de uitleg die de verhuurder aan het boetebeding gaf was onlogisch en onredelijk, - het beding maakt niet duidelijk of de minimumboete verschuldigd is voor elke termijn die op de vervaldag niet of onvolledig is betaald, dan wel dat deze pas in de plaats van de 2%-boete komt indien 2% van de totale betalingsachterstand minder is dan de minimumboete,- deze onduidelijkheid moet voor rekening komen van de gebruiker van de algemene voorwaarden, waarvan het boetebeding deel uitmaakt [het hof voegt toe: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.