GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.198.032 (zaaknummer rechtbank Overijssel 162965) arrest van 25 september 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [plaatsnaam] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. M. Goorts, tegen: 1de vennootschap onder firma [geïntimeerde 1] , gevestigd te [plaatsnaam] , 2 de vennootschap onder firma [geïntimeerde 2] ., gevestigd te [plaatsnaam] , 3 [geïntimeerde 3], wonende te [plaatsnaam] , 4 [geïntimeerde 4], wonende te [plaatsnaam] , 5 [geïntimeerde 5], wonende te [plaatsnaam] , geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagden, hierna: gezamenlijk [geïntimeerden ] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] ; [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] worden gezamenlijk ook aangeduid als [geintimeerden 3 tot en met 5] , advocaat: mr. H.R. Quint. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het in deze zaak gewezen tussenarrest (arrest in het incident) van 20 juni 2017. 1.2 Daarna heeft [appellant] een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 2.1 [geïntimeerde 2] is een familiebedrijf dat is opgericht door de vader van [appellant] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] . [appellant] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] waren allen vennoten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . De vennoten hebben bij notariële akte op 10 maart 1987 een overeenkomst opgesteld (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst - voor zover nu relevant - luidt: “(…) ten deze handelende: a. ieder voor zich in privé; b. een ieder voor zover deelnemende in de door de comparanten tezamen met hun vader (...) genoemde samenwerkingsvormen onder de naam “ [bedrijf 1] ”, en/of “ [bedrijf 2] ”. en/of “ [bedrijf 3] ”, en/of [bedrijf 4] ”en/of “ [bedrijf 5] ”, danwel onder welke benaming ook, De comparanten verklaarden: 1. dat zij hetzij tezamen met hun vader (…), danwel voor zich, danwel in enige combinatie, al dan niet met hun voornoemde vader uitoefenen een handelsonderneming en de exploitatie van een marktbedrijf alsmede een verhuurbedrijf te [plaatsnaam] , ten doel hebbende het door gemeenschappelijke inspanning en verrichten van arbeid danwel op enige andere wettelijke wijze behalen van winst. 2. dat zij daartoe hun vermogen hebben tezamen gevoegd, zonder dat men weten kan welk deel of aandeel daarin feitelijk in volle omvang aan elk der voornoemde deelnemers toebehoort. 3. dat ook door genoemde personen, al dan niet tezamen met hun voornoemde vader, danwel in enige andere combinatie, onroerende goederen zijn verworven en in de toekomst kunnen worden verworven, zonder dat de kadastrale tenaamstelling eigendom aanduidend is voor wat betreft hun interne rechtsverhoudingen. 4. dat zij al zodanige bezittingen en de daarop rustende schulden, onder welke naam ook, beschouwen als hun gemeenschappelijk vermogen en hun gemeenschappelijke schulden, ongeacht op welke wijze deze zijn ontstaan of zullen ontstaan, zonder daarbij echter een directe hoofdelijke aansprakelijkheid te willen bewerkstelligen. 5. dat zodanig gemeenschappelijk bezit waarvan niet bekend is voor welk deel een van de comparanten als bepaald deelgenoot is gerechtigd tot proces-risico’s kan leiden, welke de comparanten juist willen voorkomen, zoals deze kunnen ontstaan door huwelijk gevolgd door echtscheiding, overlijden, uittreding en/of opzegging of op andere wijze van beëindiging van het samenwerkingsverband, danwel op een tijdstip dat de rechten van een deelgenoot moeten worden bepaald. 6. dat het gewenst is een regeling te treffen dat in de sub 5 onvoorzienbare situaties het gemeenschappelijk vermogen zou kunnen worden aangesproken uit hoofde van het opeisen van een deel door een der comparanten, diens erfgenamen, wettelijk vertegenwoordiger, danwel diens schuldeiser(s). 7. dat het tevens gewenst is een regeling te treffen omtrent het in bovenbedoelde onvoorzienbare situaties opeisen van het saldo van de respectievelijke kapitaalrekeningen der comparanten, zoals deze door de accountant in jaarrekeningen worden vermeld. 8. dat de comparanten daartoe bij deze akte een ieders “recht” of “aandeel” wensen te bepalen alsmede de wijze van afwikkeling van het saldo van ieders kapitaalrekening wensen vast te stellen. (…) Vervolgens verklaarden de comparanten, handelend als gemeld, dat elk hunner casu quo hun rechtsvertegenwoordiger, casu quo hun erfgenamen ten aanzien van ieders recht of aandeel, of onder welke benaming ook, nimmer meer rechten kan doen gelden dan het recht op een eenmalige uitkering van een bedrag in kontanten groot éénhonderd duizend gulden (f. 100.000,--) welk bedrag binnen zes maanden na het ontstaan van een der hiervoor sub 5 bedoelde situaties uitbetaald dient te zijn, dit onder afstanddoening van al zijn rechten en aanspraken, waarbij aan de voortzettende deelgenoten algehele volmacht wordt gegeven eventuele tenaamstellingen van registergoederen en niet-registergoederen in samenwerking met hun voornoemde vader, indien deze uiteraard nog in leven is, te hunnen name te doen stellen als gold dit een volledige scheiding en verdeling met afstanddoening van alle rechten om de herrekening of vernietiging daarvan te vorderen of in te roepen. Ingeval de comparanten danwel hun rechtsopvolgers in gezamenlijk overleg tot een andere vaststelling van ieders aandeel zijn gekomen, zal het voorgaande buiten werking zijn gesteld. (…)”. 2.2 Op 26 juni 2013 is namens [appellant] zijn deelname in [geïntimeerde 2] opgezegd, hetgeen namens de overige vennoten is geaccepteerd. [geïntimeerde 2] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de overeenkomst aan [appellant] een bedrag van € 45.378 (NLG 100.000,-) betaald. 3De beoordeling van het geschil in hoger beroep 3.1 Tussen partijen is een geschil ontstaan over de (financiële) afwikkeling van de uittreding van [appellant] . [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: I) voor recht verklaart dat de overeenkomst en de daarin opgenomen uitkeringsregeling niet van toepassing zijn op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ; II) de wijze van verdeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en de eenvoudige gemeenschap gelast, dan wel zelf de verdeling vaststelt, en daarbij zo nodig een deskundige benoemt die de huidige waarde van het vermogen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en de eenvoudige gemeenschap vast zal stellen; III) gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding. subsidiair: I) indien de overeenkomst wel van toepassing is op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , voor recht verklaart dat [appellant] niet gebonden is aan de in de overeenkomst bepaalde eenmalige uitkering van NLG 100.000,--, maar dat hem op grond van zijn uittreding de huidige waarde van zijn economische deelgerechtigheid, te weten één vierde deel van het huidige gemeenschapsvermogen, toekomt; II) de wijze van verdeling van de gehele gemeenschap gelast, dan wel zelf de verdeling vaststelt, en daarbij zo nodig een deskundige benoemt die de huidige waarde van het gemeenschapsvermogen vast zal stellen, III) gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding. meer subsidiair: I) de rechtsgevolgen van de overeenkomst, voor zover deze en de daarin opgenomen bepaling omtrent de maximale uitkering van NLG 100.000,-- bij uittreding van toepassing is en als zodanig uitgelegd dient te worden, wijzigt, dan wel de overeenkomst (gedeeltelijk) ontbindt; II) de wijze van verdeling van de gehele gemeenschap gelast, dan wel zelf de verdeling vaststelt, en daarbij zo nodig een deskundige benoemt die de huidige waarde van het gemeenschapsvermogen vast zal stellen; III) gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding. nog meer subsidiair: I) indien en voor zover de Overeenkomst (ongewijzigd) in stand gehouden wordt, de door [appellant] gedane opzegging ten aanzien van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] vernietigt; II) alsmede gedaagden veroordeelt overzichten aan [appellant] te verstrekken van stukken waaruit blijkt wat de huidige waarde is van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , te weten onder meer de definitieve jaarstukken van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] uit 2011, 2012 en 2013; de definitieve belastingaangiftes van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] uit 2011, 2012 en 2013; bankafschriften van de [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] uit 2013, meer in het bijzonder daterend van medio 2013; III) [geïntimeerden ] veroordeelt in de kosten van het geding. 3.2 De rechtbank heeft de vorderingen (onder subsidiair sub I en II, zo begrijpt het hof) in zoverre toegewezen dat de wijze van verdeling van [geïntimeerde 2] is gelast, in die zin dat [geïntimeerden ] in aanvulling op het reeds aan [appellant] betaalde bedrag van € 45.378 een bedrag van in totaal € 600.000 aan [appellant] dienen te betalen, waarvan op 1 februari 2016 een bedrag van € 200.000 ineens en met ingang van 1 februari 2017 een bedrag van € 400.000 in tien jaarlijkse termijnen. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat weergegeven – overwogen dat de overeenkomst van toepassing is op de uittreding van [appellant] uit [geïntimeerde 2] , dat niet valt in te zien dat een redelijke uitleg van de overeenkomst met zich brengt dat bij uittreding van een vennoot de uitkering gelijk is aan éénvierde deel van de totale waarde van de gemeenschap, dat de rechter terughoudend moet zijn met de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden, maar dat [appellant] in redelijkheid niet het door [geïntimeerden ] ter comparitie gedane aanbod (van € 600.000) mocht afwijzen. Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen, onder compensatie van de proceskosten. 3.3 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen heeft [appellant] (principaal) hoger beroep ingesteld. Hij heeft vijf grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd in die zin dat hij thans vordert de wijze van verdeling te gelasten van de gemeenschap van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , in die zin dat [geïntimeerden ] hoofdelijk worden veroordeeld om, in aanvulling op het reeds aan [appellant] betaalde bedrag van € 45.378, tegen finale kwijting een bedrag te betalen van € 1.400.000, te verminderen met het bedrag dat [geïntimeerden ] reeds uit hoofde van het vonnis waarvan beroep hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente en met veroordeling van [geïntimeerden ] in de proceskosten. 3.4 [geïntimeerden ] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld en in dat verband twee grieven aangevoerd. De conclusie van [geïntimeerden ] strekt ertoe dat de vordering van [appellant] geheel wordt afgewezen. 3.5 Met hun eerste grief in het incidenteel hoger beroep betogen [geïntimeerden ] dat de rechtbank bij de toewijzing van de vordering van [appellant] ten onrechte is uitgegaan van het ter comparitie gedane schikkingsaanbod. Deze grief slaagt. Vast staat dat [appellant] het schikkingsvoorstel niet heeft aanvaard. Daarmee is het aanbod vervallen en is tussen partijen geen overeenkomst tot stand gekomen. Dit vervallen aanbod kan dan ook geen grondslag vormen voor toewijzing van (een deel van) de vorderingen van [appellant] . In zoverre kan het bestreden vonnis dan ook niet in stand blijven. 3.6 Voor het overige lenen de grieven in het principaal en de (tweede) grief in het incidenteel hoger beroep zich voor gezamenlijke behandeling. 3.7 [appellant] heeft gevorderd de wijze van verdeling te gelasten van de gemeenschap van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , tegen vergoeding aan hem van een bedrag van € 1.4 miljoen. Bij de beoordeling van deze vordering dient als uitgangspunt dat blijkens de standpunten van partijen in deze procedure zij allen ervan uitgaan dat [appellant] als vennoot van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is uitgetreden en dat beide vennootschappen worden voortgezet door [geintimeerden 3 tot en met 5] [geïntimeerden ] hebben zich op het standpunt gesteld dat [appellant] is gebonden aan de in de overeenkomst vastgelegde rechtsverhouding tussen partijen zoals die na uittreding van een vennoot geldt en dat [appellant] daarom nimmer meer rechten kan doen gelden dan op een eenmalige uitkering van NLG 100.000. Voor zover [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat [geïntimeerden ] zich niet op de overeenkomst kunnen beroepen omdat zij hem hebben doen geloven dat de overeenkomst niet meer van toepassing was, gaat dat niet op. [appellant] heeft onvoldoende concreet en gemotiveerd feiten gesteld om te concluderen dat hij erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst niet meer gold of dat [geïntimeerden ] anderszins het recht om zich op de overeenkomst te beroepen hebben verwerkt. De schriftelijke verklaring van [naam] is daarvoor, tegenover de betwisting door [geïntimeerden ] , onvoldoende en ook de omstandigheid dat partijen in 2011 hebben nagedacht over omzetting van de vennootschap(pen) onder firma in besloten vennootschappen (en waarvoor conceptakten waren opgemaakt waarin geen verwijzing stond naar de overeenkomst in 1987 dan wel een soortgelijk uittredingsbeding niet was opgenomen) is daarvoor onvoldoende. Feit is immers dát die omzetting niet heeft plaatsgevonden. Hetzelfde geldt voor de boekhoudkundige verwerking van het resultaat over de periode 2008 tot en met 2011. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom [appellant] op grond daarvan erop mocht vertrouwen dat de in 1987 gemaakte afspraken niet meer zouden gelden. 3.8 [appellant] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de overeenkomst geen betrekking heeft op de beide vennootschappen ( [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ). Het komt daarbij aan op een uitleg van de rechtsverhouding van partijen zoals deze is vervat in de overeenkomst. Partijen hebben (terecht) geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsverhouding tussen partijen moet worden uitgelegd overeenkomstig de Haviltex-maatstaf. Dit betekent dat ook het hof ervan uitgaat dat de vraag hoe de rechtsverhouding tussen partijen moet worden geduid of uitgelegd, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de schriftelijke weergave van de afspraken in de overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen ze te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. 3.9 Vast staat dat op het moment van het sluiten van de overeenkomst [geintimeerden 3 tot en met 5] en [appellant] vennoot waren van [geïntimeerde 2] . Uit de bewoordingen van de overeenkomst volgt dat partijen bedoeld hebben om hun gehele vermogen samen te brengen ten behoeve van het gezamenlijk uitoefenen van ondernemingen en met als doel om door gemeenschappelijke inspanning en het verrichten van arbeid winst te behalen (zie onder b. van de overeenkomst, weergegeven onder rov. 2.1 van dit arrest). Voor zover privé-vermogen of eventuele eenvoudige gemeenschappen nog niet in het gemeenschappelijk vermogen waren ingebracht, voorziet de overeenkomst erin dat dit alsnog gebeurt (zie onder 2 van de overeenkomst). Uit de standpunten van partijen volgt dat dit in de praktijk en in de loop van de jaren ook is gebeurd en dat inderdaad in zeer vergaande mate sprake was van een gemeenschappelijk vermogen. Alle inkomsten van [appellant] en [geintimeerden 3 tot en met 5] (en soms ook van hun partners) en de door hen gedreven ondernemingen werden samengevoegd en zowel zakelijke als persoonlijke uitgaven werden uit het gemeenschappelijk vermogen betaald. Gelet op de wijze van samenwerking en de doelstelling van partijen, strekte al dit vermogen en de (daarmee) verrichte inspanningen van partijen tot het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten (zie onder 3-4 van de overeenkomst); of, zoals [geïntimeerden ] het verwoorden in de conclusie van antwoord sub 4: “de filosofie en feitelijke werkwijze van de familie [naam familie] laat zich kenschetsen als een volledige verzorging van de wieg tot het graf, “samen uit samen thuis” van geboorte tot overlijden.” 3.10 Gelet op de wijze waarop partijen samenwerkten en tezamen beslissingen namen over de uitgaven voor de (gezinnen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.