← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2018:9058

WAHV 200.237.540 16 oktober 2018 CJIB 209158862 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2018 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het procesverloop De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Beoordeling

  1. Artikel 11 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. Er is niet (tijdig) zekerheid gesteld.
  2. Op grond van het in artikel 11, vierde (vanaf 1 januari 2018, daarvoor derde) lid, tweede volzin, van de Wahv en het in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalde dient de officier van justitie een zekerheidsbrief aan de betrokkene te verzenden, bevattende - onder meer - de mededeling dat de zekerheidstelling binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling dient te geschieden. In geval van verzuim dient aan de betrokkene binnen een daartoe gestelde termijn de gelegenheid te worden geboden het verzuim te herstellen. Dat laatste geschiedt door toezending van een tweede brief door de officier van justitie aan de betrokkene.
  3. Het hof stelt vast dat de (tweede) brief van 6 januari 2018 die aan de betrokkene is toegestuurd teneinde hem in de gelegenheid te stellen om het geconstateerde verzuim tot zekerheidstelling te herstellen niet voldoet aan hetgeen op grond van de hiervoor weergegeven wettelijke bepaling is voorgeschreven, nu daarin geen termijn is opgenomen, waarbinnen alsnog zekerheid dient te worden gesteld.
  4. Het vorenstaande betekent in beginsel dat de beslissing van de kantonrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep niet in stand blijven. De kantonrechter zou echter, gelet op het navolgende, niet tot een ander oordeel hebben kunnen komen.
  5. De betrokkene heeft in reactie op de hem toegezonden brieven in verband met de zekerheidstelling bij brieven van 22 december 2017 en 27 januari 2018 in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven dat hij niet bereid is om zekerheid te stellen. Hij is de mening toegedaan dat de verplichting tot het stellen van zekerheid wederrechtelijk is, namelijk in strijd met de Grondwet, waaronder artikel 13 van die wet, en de beginselen van onze democratische rechtstaat. Daarnaast levert deze verplichting een obstructie van de vrije rechtstoegang op.
  6. Het beroep dat betrokkene doet op de beginselen van onze democratische rechtstaat vat het hof op als een beroep op de Grondwet, waarin de beginselen van onze democratische rechtstaat zijn neergelegd. Aan dit beroep, bijgevolg van dezelfde strekking als het betoog van de betrokkene dat de uit de Wahv voortvloeiende verplichting tot zekerheidstelling in strijd is met de Grondwet, moet het hof voorbijgaan nu de rechter ingevolge artikel 120 van de Grondwet niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten.
  7. Daarnaast stelt de betrokkene dat de uit artikel 11 Wahv voortvloeiende verplichting de toegang tot de rechter belemmert.
  8. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de Wahv in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Dat laatste is in de onderhavige zaak gesteld noch gebleken. Derhalve treft ook dit betoog geen doel.
  9. Gelet op het vorenstaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden, bevestigen. Het hof kan de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie en de handelwijze van het openbaar ministerie daarom niet behandelen.
  10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen. Voor zover de betrokkene meent dat het openbaar ministerie aansprakelijk is uit onrechtmatige daad moet de betrokkene zich tot de civiele rechter wenden. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.