Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004353-17 Uitspraak d.d.: 26 oktober 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juli 2017 met parketnummer 18-930265-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep Verdachte is bij het hiervoor genoemde vonnis vrijgesproken van het primair ten laste gelegde (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde (overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet) veroordeeld tot een geldboete van € 500,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden. De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en veroordeling ter zake van dit feit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. Eefting, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: primair:hij op of omstreeks 18 december 2015, te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, rijdende over de binnen de bebouwde kom gelegen weg, de [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op die weg heeft gereden met een snelheid van tenminste 85 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan (voor een veilig verkeer ter plaatse) was toegestaan en/of (voor een veilig verkeer ter plaatse) verantwoord was, in elke geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, bij het naderen van of ter hoogte van een in de rijbaan van die [straat] gelegen oversteekplaats voor fietsers zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde voertuig aangereden of opgebotst tegen een fietsster, die bij die oversteekplaats voor fietsers de rijbaan van die [straat] was gaan oversteken, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, in elk geval zodanig (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dat die daaraan is overleden; subsidiair:hij op of omstreeks 18, december 2015, te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig, rijdende over de binnen de bebouwde kom gelegen weg, de [straat] , op die weg heeft gereden met een snelheid van tenminste 85 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan (voor een veilig verkeer ter plaatse) was toegestaan en/of (voor een veilig verkeer ter plaatse) verantwoord was, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, bij het naderen van en/of ter hoogte van een in de rijbaan van die [straat] gelegen oversteekplaats voor fietsers zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde voertuig aangereden of opgebotst tegen een fietsster, die bij die oversteekplaats voor fietsers de rijbaan van die [straat] was gaan oversteken, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vaststaande feiten Op 18 december 2015 reed verdachte als bestuurder van een personenauto over de [straat] in [plaats] . [slachtoffer] fietste in dezelfde richting als verdachte op het parallel aan de [straat] gelegen fietspad. [slachtoffer] stak vervolgens bij de oversteekplaats voor fietsers de [straat] over. Deze oversteekplaats is voorzien van haaientanden en de overstekende fietsers moeten daarom voorrang verlenen aan het autoverkeer op de [straat] . Verdachte heeft [slachtoffer] geschept met zijn auto en zij is overleden. Artikelen 5 en 6 van de Wegenverkeerswet 1994 De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat bewezen kan worden dat verdachte een overtreding in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft begaan. Hij stelt zich op het standpunt dat verdachte veel te hard heeft gereden en zijn rijgedrag niet, dan wel volstrekt onvoldoende heeft aangepast, onvoldoende op de weg voor hem heeft gelet en in niet in staat is gebleken om een botsing te voorkomen. Om ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen is niet elke onoplettendheid of onvoorzichtigheid van de verdachte voldoende. Vereist is dat verdachte zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Verdachte, zo heeft hij ook ter zitting van het hof verklaard, was bekend met de route die hij reed. De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedroeg 50 km/u. Ook dat wist verdachte. Het NFI heeft camerabeelden van een bewakingscamera met zicht op de [straat] bekeken en onderzocht. De afstand tussen het deel van de [straat] dat op de camerabeelden zichtbaar was en de plaats van het ongeval bedraagt ongeveer 96 meter. Uit het onderzoek is gebleken dat het voertuig van verdachte ongeveer 96 meter voor het ongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 81 km/u en 88 km/u. Met de rechtbank overweegt het hof dat uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse is gebleken dat verdachte met een (veel) te hoge snelheid de oversteekplaats voor fietsers is genaderd, maar dat de exacte snelheid van het voertuig ten tijde van het ongeval onvoldoende is komen vast te staan. Daarbij neemt het hof ook de verklaring van verdachte in aanmerking, inhoudende dat hij tijdens het naderen van de oversteekplaatsen heeft bijgeremd en het gas heeft losgelaten. In de procedure in hoger beroep is een proces-verbaal Snelheid en Impactanalyse aan het dossier toegevoegd, dat op 6 oktober 2018 is opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie, verkeersongevallenanalist van politie Noord Nederland. Daarin is de mogelijke botssnelheid van de personenauto en de waarschijnlijkheidsgradatie van de door verdachte verklaarde snelheid van 50 km/u onderzocht. In het rapport is als conclusie opgenomen dat het geheel aan onderzoeksgegevens dat ter beschikking stond maakt dat er een ruime marge moet worden toegekend aan de uitkomst en dat een botssnelheid van tussen de 60 km/u en 80 km/uur waarschijnlijk wordt geacht. Het hof zal dit rapport niet gebruiken voor het bewijs, nu voor het vaststellen van een botssnelheid te weinig vaststaande variabelen voorhanden zijn. Met de rechtbank overweegt het hof dat de enkele omstandigheid dat verdachte [slachtoffer] niet tijdig heeft gezien, hoewel zij voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en verdachte daarop zijn rijgedrag had kunnen en moeten aanpassen, onvoldoende is om te spreken van 'schuld' in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.