Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000073-18 Uitspraak d.d.: 5 november 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 januari 2018 met parketnummer 16-653422-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-240528-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1993] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M.M. Pater, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing, strafoplegging en beslissing ten aanzien van de benadeelde partij komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: primair: hij op of omstreeks 26 november 2017 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten één of meerdere breuken in de kaak/kaken), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk één of meermaals (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of stompen; subsidiair: hij op of omstreeks 26 november 2017 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] één of meermaals (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of stompen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten één of meerdere breuken in de kaak/kaken), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, nu er sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. De verdachte heeft het opzet gehad op het toebrengen van dit letsel bij de aangever. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook kan niet worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, nu de aangever volledig is hersteld. De beoordeling door het hof Gelet op de tenlastelegging ligt eerst de vraag voor of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] . Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 26 november 2017, rond 01:45 uur, heeft in [naam uitgaansgelegenheid] , een uitgaansgelegenheid in Emmeloord, een geweldsincident plaatsgevonden waarbij aangever [slachtoffer] een op twee plaatsen gebroken kaak heeft opgelopen. De aangever zag dat een vriend van hem, [getuige] , met zijn schouder tegen de verdachte aan kwam. Hij zag toen dat [getuige] door de verdachte met gebalde vuist op zijn borst werd geslagen. De aangever riep hierop tegen de verdachte ‘doe eens normaal’ en zag en voelde toen dat hij direct een klap kreeg van de verdachte waarbij de verdachte met zijn vuist vol de onderkaak van de aangever raakte. [slachtoffer] voelde hierdoor pijn in zijn onderkaak. De verklaring van de aangever wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] . [getuige] heeft verklaard dat hij in [naam uitgaansgelegenheid] per ongeluk tegen de verdachte aanliep. De verdachte begon toen te schelden en sloeg [getuige] met zijn vuist op de borst. Hierop heeft [getuige] afstand genomen van de verdachte waarna hij zag dat de verdachte vol uithaalde en met zijn vuist hard op aangevers kaak sloeg. Uit de medische verklaring van 30 november 2017 – gevoegd bij het verzoek tot schadevergoeding – en het verhandelde ter zitting volgt dat er bij de aangever sprake is geweest van een kaakfractuur op twee plaatsen (zowel links als rechts), waarvoor een repositie onder narcose is verricht waarbij er plaatjes en schroeven in de kaak zijn geplaatst. Die zitten blijvend in zijn kaak, tenzij hij er zoveel last van gaat krijgen dat ze alsnog – operatief – verwijderd moeten worden. De aangever heeft opnieuw moeten leren eten en mocht tot gedurende zes weken na het incident geen vast voedsel eten. Het hof is van oordeel dat gegeven al deze omstandigheden dit letsel voldoende ernstig is om als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde veel aan fitness deed. Het hof is van oordeel dat, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever nu de verdachte, een getraind persoon met een fors postuur, vol met zijn vuist heeft uitgehaald op de kwetsbare delen van het gezicht van de aangever, te weten de onderkaak. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: primair: hij op of omstreeks 26 november 2017 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten één of meerdere breuken in de kaak/kaken), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk éénmaal of meermaals (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of stompen. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezen verklaarde levert op: zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - de navolgende omstandigheden. De verdachte heeft zich, naar eigen zeggen: dronken, in een café en te midden van uitgaanspubliek, schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van het slachtoffer door hem opzettelijk in het gezicht te stompen, waardoor het slachtoffer zijn kaak op twee plaatsen heeft gebroken. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, die blijvend de gevolgen van verdachtes optreden ondervindt. Het proces van – voor zover mogelijk – herstel is pijnlijk, ongemakkelijk en langdurig geweest. Door zijn agressieve, dronken optreden heeft de verdachte niet alleen het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast, maar ook dat van het aanwezige uitgaanspubliek. Dergelijke ernstige feiten veroorzaken bovendien meer in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Het hof rekent dit de verdachte aan. Uit het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 september 2018 blijkt dat de verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Bij de strafoplegging heeft het hof de in de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor een feit als het onderhavige tot uitgangspunt genomen, namelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan ziet het hof, anders dan subsidiair door de raadsvrouw bepleit, geen ruimte voor de oplegging van een taakstraf. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat de verdachte zich tot dusver niet heeft bekommerd om de – evidente – schade van aangever, hoewel hij ter terechtzitting verklaarde tot vergoeding daarvan bereid te zijn. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden is. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.198,61 en is opgebouwd uit verschillende, hierna te bespreken schadeposten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag waarop het strafbare feit is gepleegd. Ook is een bedrag van € 300,-- aan proceskosten toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [slachtoffer] als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Aan reiskosten is gevorderd een bedrag van € 211,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.