GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.241.218/01 en 200.241.221/01 (zaaknummer rechtbank C/05/337579 / JE RK 18-631) beschikking van 6 november 2018 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. C.J. van der Sloot, te Woudenberg, en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Arnhem, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI, Als overige belanghebbende is aangemerkt: [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , verder te noemen: de vader, in persoon verschenen. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 mei 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties van de moeder, ingekomen op 21 juni 2018; - het verweerschrift van de GI; - een brief van mr. Van der Sloot van 17 augustus 2018 met als bijlagen de ontbrekende pagina's van de inleidende verzoekschriften en de beschikking van 26 mei 2017, die op verzoek van het hof zijn toegestuurd. 2.2 Op 20 augustus 2018 is de hierna te noemen [naam dochter 1] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen en belanghebbenden door een van de raadsheren van het hof is gehoord. De voorzitter heeft de inhoud van het gesprek met [naam dochter 1] zakelijk weergegeven ter zitting. 2.4 De mondelinge behandeling heeft op 23 augustus 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen met bijstand van haar advocaat. De vader is in persoon verschenen zonder rechtskundige bijstand. Namens de GI is de heer [medewerker GI] verschenen. Ondanks behoorlijke oproeping voor de zitting is geen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) verschenen. 3De feiten 3.1 Uit de voorhuwelijkse relatie en het huwelijk van de vader en de moeder zijn geboren: - [naam dochter 1] op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna [naam dochter 1] ) en - [naam dochter 2] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna [naam dochter 2] ). De ouders zijn samen belast met het gezag over [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . 3.2 [naam dochter 1] en [naam dochter 2] hebben sinds de echtscheiding hun hoofdverblijf bij de moeder. Vanaf medio 2014 hebben zij geen contact meer met de vader met uitzondering van twee begeleide contactmomenten in februari 2018. 3.3 Bij beschikking van 1 juni 2015 heeft de kinderrechter [naam dochter 1] en [naam dochter 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016, welke termijn laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter van 26 mei 2017 is verlengd voor de duur van een jaar tot 1 juni 2018. 3.4 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de termijn verder verlengd van 1 juni 2018 tot 1 december 2018. 4De omvang van het geschil 4.1 De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 mei 2018. Deze grief beoogt de noodzaak van de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. 4.2 De moeder verzoekt, kort gezegd, I) de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [naam dochter 1] en [naam dochter 2] af te wijzen (dit verzoek in hoger beroep is geadministreerd onder zaaknummer 200.241.219/01) alsmede II) indien en voor zover nodig voor de duur van de ondertoezichtstelling een bijzondere curator te benoemen voor [naam dochter 1] en [naam dochter 2] met de opdracht, in het licht van de belangen van de kinderen, de mogelijkheden van een traject met een gezinstherapeutisch karakter te onderzoeken (dit verzoek in hoger beroep is geadministreerd onder zaaknummer 200.241.221/01) 4.3 De GI voert verweer en verzoekt bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep. 4.4 Het hof zal eerst de noodzaak van de verlenging van de ondertoezichtstelling behandelen. Als het hof oordeelt dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, zal het vervolgens de vraag beantwoorden of in dat geval de benoeming van een bijzondere curator voor [naam dochter 1] en [naam dochter 2] aangewezen is. 5De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, BW van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen. 5.2 De moeder kan zich niet verenigen met (de verlenging van) de ondertoezichtstelling van [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . Volgens haar is er geen sprake meer van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. De thuissituatie is rustig en stabiel en beide kinderen hebben al enige tijd therapie voor onder meer traumaverwerking. De ouders zijn inmiddels in staat om met elkaar te communiceren en informatie over de kinderen met elkaar te delen. De moeder is bereid om zich daarvoor te blijven inzetten en daarvoor is een ondertoezichtstelling niet nodig. De kinderen hebben geen behoefte aan persoonlijk contact met de vader. Aansturen op contactherstel door middel van een gezinstherapeutische aanpak, zoals de GI thans voorstaat, gaat in tegen die wens en behoefte. In de ogen van de moeder is het inzetten op en geforceerd toewerken naar contactherstel op dit moment juist een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. 5.3 De GI erkent dat de ouders binnen de kaders van de ondertoezichtstelling positieve stappen hebben gezet maar meent dat vervolghulpverlening in de vorm van een gezinstherapeutisch traject noodzakelijk is. Deze hulp zal primair gericht zijn op de ouders en het verbeteren van hun communicatie en samenwerking waarbij de GI hoopt dat ouders uiteindelijk in staat zijn samen de mogelijkheden te onderzoeken hoe vorm kan worden gegeven aan eventuele contacten tussen de kinderen en de vader. Het opstarten van dit traject vergt de inzet van GI, gezien het verleden van het gezin. De GI acht het nodig om deze hulpverlening deze korte periode te volgen. De positieve ontwikkelingen tussen ouders zijn immers pril en de communicatie is tot op heden met tussenkomst van de gezinsvoogd geweest. 5.4 De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij in het verleden fouten heeft gemaakt maar ook hard heeft gewerkt heeft om deze te herstellen en zijn leven te verbeteren en op orde te krijgen. Hij heeft verklaard dat hij het door de GI genoemde traject wil volgen opdat hij in de toekomst als vader betrokken kan zijn in het leven van de kinderen. Hij denkt dat daarvoor de ondertoezichtstelling nodig is. 5.5 Het hof benadrukt dat de (verlenging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.