GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof: 200.245.402 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: NL17.13300) arrest van 6 november 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [A] , appellante, in eerste aanleg: eiseres van de vordering, verweerster op de tegenvordering, hierna: [appellante] , advocaat: mr. O. Hammerstein, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde, in eerste aanleg: verweerder op de vordering, eiser van de tegenvordering, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. O.L.M. Heuts. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 23 juli 2018 dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 juli 2018. 2.2 Partijen hebben opgave gedaan van hun verhinderingen en [appellante] heeft in kopie het volledige procesdossier van de eerste aanleg overgelegd. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 3De beoordeling van het geschil in hoger beroep 3.1 Het hof ziet aanleiding om een comparitie na aanbrengen te gelasten. Het doel is het beproeven van een minnelijke regeling, maar de zitting kan daarnaast benut worden om inlichtingen in te winnen, de mogelijkheden van mediation te bezien en/of om bewijsvoering of rapportage door deskundigen te bespreken. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 3.2 Indien partijen uiterlijk twee weken na het wijzen van dit arrest de raadsheer-commissaris eenparig verzoeken om van de comparitie af te zien, zal deze geen doorgang vinden en zal een nieuwe roldatum worden bepaald voor memorie van antwoord. 4De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de hiervoor nog nader aan te wijzen raadsheer-commissaris, lid van dit hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op dinsdag 5 februari 2019 om 12.00 uur, voor het hierboven omschreven doel; bij deze comparitie bestaat geen gelegenheid om pleitnotities voor te dragen; bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proces-handeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat de raadsheer-commissaris en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen; houdt verder iedere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, C.G. ter Veer en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.