GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.195.040/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/384427 / HL ZA 15-24) arrest van 13 november 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [A] , appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. A.G.P. van der Baan, kantoorhoudend te Haarlem, tegen Bergh Stoop & Sanders N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres, hierna: BSS, advocaat: mr. A. van Hees, kantoorhoudend te Amsterdam. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 30 januari 2018 hier over. De in dat tussenarrest bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2018. Een afschrift van het van de zitting opgemaakte proces-verbaal en de door partijen tijdens die zitting overgelegde spreekaantekeningen zijn toegevoegd aan het ten behoeve van de comparitie van partijen overgelegde procesdossier. BSS heeft verder bij akte van 18 september 2018 de producties 29 tot en met 31 overgelegd en bij akte van 19 september 2018 productie 32. De akte van [appellante] d.d. 27 september 2018 is geweigerd. 1.2 Het hof heeft vervolgens arrest bepaald op genoemde stukken. 2De vaststaande feiten 2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten. 2.2. BSS drijft een advocatenkantoor. 2.3. [appellante] is enig bestuurder/aandeelhouder van MaDeLief B.V. (hierna MaDeLief). MaDeLief is enig bestuurder en aandeelhouder van TaMed B.V. (hierna: TaMed). [appellante] was daarnaast enig bestuurder van Stichting MCL (hierna: de Stichting). 2.4 Tussen TaMed en de Stichting is een zogenoemde dienstverleningsovereenkomst gesloten op grond waarvan TaMed diensten heeft uitgevoerd voor de Stichting, onder meer bestaande uit het bijhouden van de administratie, het voeren van de debiteuren- en crediteurenadministratie en het verrichten van betalingen. Daartoe hield TaMed een op haar naam gestelde bankrekening aan, die uitsluitend werd gebruikt ten behoeve van de Stichting. Op 3 januari 2013 was een saldo op die bankrekening aanwezig van € 35.612,30. 2.5 BSS heeft vanaf december 2012 werkzaamheden ten behoeve van de Stichting en TaMed verricht. Die werkzaamheden hadden betrekking op vier procedures: een kort geding, een kort geding in appel, een bodemzaak en een procedure bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Al deze procedures hadden betrekking op een geschil met een medisch specialist (hierna ook: Noverraz). TaMed was uitsluitend procespartij in de kortgedingprocedure in eerste aanleg. De Stichting was procespartij in alle genoemde procedures. 2.6 BSS heeft de door haar verrichte werkzaamheden maandelijks gedeclareerd. De facturen werden gericht aan MTC Lelystad, een handelsnaam van TaMed. 2.7 Inzake de facturen zijn onder meer de volgende e-mails verzonden. In een e-mail van BSS gericht aan [appellante] van 2 september 2013 16:52 uur staat onder meer: “Ik verwijs naar ons laatste onderhoud inzake de openstaande declaraties. In dat verband heb ik aangegeven bereid te zijn de nodige coulance te tonen vanwege het feit dat MC Lelystad in zwaar weer verkeert. Jij hebt aangegeven je te storen aan de stevige berichten die van de kant van onze boekhouding worden verzonden. Ik begrijp je punt en ik heb onthouden dat MC Lelystad er alles aan wil doen om de opgelopen achterstanden zo snel mogelijk weg te werken. Daarbij passen enkele kanttekeningen die ik met je wil delen en waarover ik overleg zou willen voeren. (…) Het neemt echter niet weg dat wij bij herhaling (zeer veel) tijd in dossiers investeren zonder concreet vooruitzicht op betaling. De vertrouwensband met hen brengt ons er in de meeste gevallen toe in goed vertrouwen de werkzaamheden voort te zetten zelfs wanneer het vermoeden bestaat dat ween voorfinanciering op enig moment noodgedwongen moet worden omgezet in een (waarschijnlijk) oninbare vordering. (…) Ik vind het buitengewoon pijnlijk je dit te moeten voorhouden maar deze zorg heeft mede betrekking op MC Lelystad. Het uitstaande bedrag is op dit moment ruim € 45.000 en gegeven de noodzakelijke werkzaamheden voor de komende maanden moet worden verwacht dat dit bedrag verder zal oplopen mede in het licht van de beperkte regelmaat waarbinnen betalingen binnenkomen. Ik realiseer me terdege dat ik heb aangegeven rekening te willen houden met de zware tijden waarin MC Lelystad zich bevindt maar mede naar aanleiding van overleg met compagnons vraag ik me af hoe het nu verder moet juist ook omdat er geen concrete afspraken gemaakt zijn en ik niet anders weet dan dat je bezig bent met het afstoten van een deel van de onderneming resp. dat je verwacht "tegen het einde van het jaar" de declaraties (of een deel daarvan) te kunnen betalen. Gegeven het beloop van de uitstaande declaraties en mede in het licht van hetgeen nog moet gebeuren zou ik graag meer openheid van zaken willen hebben zodat wij in gezamenlijkheid kunnen bepalen hoe we verder moeten. Begrijp ik het goed dat je de openstaande bedragen alleen dan kunt voldoen wanneer de verkoop van de onderneming danwel delen daarvan zich realiseert? Kun je verder een concrete toezegging doen een maandelijks bedrag te reserveren voor de aflossing? Zou je alsnog bereid zijn met Noverraz tot een vergelijk te komen en hoe ziet dat er dan uit? Vergeef me dat ik dergelijk duwerige vragen aan je stel maar door schade en schande zijn we wijzer geworden. Ik wil(o?) in dit stadium voorkomen dat we op enig moment in de verwijtsfeer terecht komen danwel in een situatie waar wij intern moeten vaststellen dat oninbaarheid op een eerder moment had kunnen worden voorzien. Het bovenstaande neemt zeker niet weg dat ik bereid ben met de bijzondere situatie waarin Mc Lelystad verkeert reklening te houden zoals je tot nog toe ook hebt mogen ervaren.” In een e-mail van [appellante] aan BSS van 3 september 2013 12.08 uur staat onder meer vermeld: Tijdens onze eerste afspraak waar [B] ook bij was heb ik duidelijk gemaakt dat ik een kleine onderneming ben die nu geconfronteerd werd met een juridische zaak aangespannen door Noverraz. Daarbij heb ik ook aangegeven dat ik sta voor mijn afspraken, maar de tijd nodig heb om aan mijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Toen werden de kosten geschat op ongeveer 15.000 euro Ook is gevraagd om zoveel mogelijk kostenbesparend te werk te gaan en, indien mogelijk,ik zoveel mogelijk werk uit handen zou nemen. [B] en later heeft [C] deze zaak onder zich genomen. Op een gegeven moment ben je deze zaak zelf gaan doen, wat betekend dat de kosten daardoor veel hoger zijn geworden. Inmiddels is deze zaak geëscaleerd tot een grote zaak die voor beiden partijen niet te overzien was. Ik heb je meerdere malen gesproken en aangegeven dat de kosten worden voldaan, maar dat daarvoor tijd nodig is. Er is al meer dan 40.00 euro voldaan, voor een kleine onderneming een enorm bedrag. Zelf heb ik altijd de gedachte gehad dat we een goede zaak hadden waar straks in ieder geval een geldbedrag uit moet komen. Gezien onderstaande mail [hof: de hiervoor weergegeven mail van 2 september 2013] heb ik mij daarin wellicht vergist. De kosten voor de procedure zijn al meer dan 2/3 van de vordering. Een schikking met Noverraz kost naar mijn mening alleen maar geld. Ik had gehoopt dat ik even in de schaduw van de wel op tijd betalende cliënten mocht staan. Nogmaals het is niet of maar wanneer ik dit kan voldoen. Gisteren heb in deze mail ontvangen, wil je mij een paar dagen de tijd geven om na te denken over hoe nu verder te gaan. Ik ben in gesprek met een gegadigde voor een gedeelte van de praktijk. Ik verwacht dat dit eind september 2013 gerealiseerd is. Dan beschik ik weer over meer financiële middelen" 2.8 Bij e-mail van 14 september 2013 is namens de Stichting aan BSS verzocht om alle door BSS verzonden facturen op naam van de Stichting te zetten. BSS heeft vanaf laatstgenoemde datum haar facturen op naam van de Stichting gesteld en aan de Stichting verzonden. 2.9 Een aantal facturen is onbetaald gebleven. Het gaat daarbij om de volgende facturen: 20130738 09-07-2013 EUR 1.102,91 23-07-2013 20130879 09-08-2013 EUR 7.284,20 23-08-2013 20131168 09-10-2013 EUR 5.976,94 23-10-2013 20131274 08-11-2013 EUR 4.261.52 22-11-2013 20131439 09-12-2013 EUR 5.101,52 23-12-2013 20131654 10-01-2014 EUR 8.731,58 24-01-2014 20131736 10-02-2014 EUR 16.238,26 24-02-2014 20140076 10-03-2014 EUR 836,17 24-03-2014 20140285 10-04-2014 EUR 2.316,55 24-04-2014 20140370 09-05-2014 EUR 6.029,36 23-05-2014 20140679 04-07-2014 EUR 1.823,17 18-07-2014 20140876 05-08-2014 EUR 755,95 19-08-2014 2.10 In een e-mail van BSS aan [appellante] van 5 december 2013 staat onder meer vermeld: "Het is met de nodige schroom dat ik je schrijf over de openstaande posten in het dossier Noverraz. Ik weet dat je op dit moment zakelijke en persoonlijk in zwaar weet zit en daarvoor heb ik alle sympathie. Dat neemt niet weg dat we tegelijkertijd moeten overleggen over de zakelijke kant van onze relatie. De achterstanden lopen nu zo ver op dat er op enig moment een punt gaat komen waarop wij niet langer het dossier kunnen blijven voorfinancieren. Inmiddels is een bedrag ad ruim € 41.000 onbetaald gebleven terwijl de werkzaamheden doorgaan in vertrouwen dat het goed gaat komen. Dat heb je eerder ook aangegeven en ik ben op die mededeling afgegaan. Het dossier is zeer omvangrijk, ook vanwege de combinatie kort geding (eerste instantie en tweede instantie), bodemprocedure en klachtprocedure bij het Tuchtcollege waar we op 20 december aanstaande een eerste zitting hebben. Indien jij wil overleggen over het bovenstaande sta ik daar uiteraard voor open maar ik zou wel willen aandringen op het maken van afspraken die ook kunnen worden nageleefd. Onze boekhouding heeft laten weten dat hun laatste berichten steevast onbeantwoord zijn gebleven. Ik verwijs naar onderstaande berichten. Dat vind ik vervelend omdat ik dan zelf energie moet steken in andere zaken dan het inhoudelijk goed afwikkelen van het dossier. Mag ik van je horen?" 2.11 In een e-mail van [appellante] aan BSS van 11 december 2013 staat onder meer vermeld: "Zojuist heb ik een bedrag naar je overgemaakt. datgene wat ik nu maximaal kon overmaken. Hoop dat je voldoende vertrouwen in mij hebt dat ik mijn verplichtingen (al is het in langere tijd) na zal komen." 2.12 Op 18 december 2013 heeft BSS aan de Stichting een betalingsvoorstel gedaan met betrekking tot de op dat moment openstaande facturen (van in totaal € 42.765,09). In een e-mail van [appellante] aan BSS van 22 december 2013 staat: "Afgelopen vrijdag heef er een gesprek plaatsgevonden met [D] . Aan hem heb ik de huidige situatie uitgelegd. Uiteraard begrijp ik dat er behoorlijke posten nog openstaan. Aan [D] heb ik aangegeven mijn uiterste best te doen om regelmatig betalingen te doen. Het is voor mij niet mogelijk om dit in 10 termijnen te doen. Mijn voorstel is dit te verruimen naar 20 termijnen." 2.13 De Stichting is op 8 juli 2014 op eigen aangifte failliet verklaard. MaDeLief en TaMed zijn op 30 september 2015 failliet verklaard. 2.14 Na hiertoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft BSS meerdere beslagen ten laste van [appellante] en TaMed gelegd. De gelegde beslagen onder TaMed zijn als gevolg van het faillissement komen te vervallen. 3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 BSS heeft in eerste aanleg gevorderd - na wijziging van eis - veroordeling van [appellante] tot betaling aan haar van een bedrag van € 8.841,31 en een bedrag van € 51.616,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf het moment dat de vorderingen opeisbaar zijn geworden tot en met de dag van het vonnis en te voldoen binnen veertien dagen na betekening hiervan. Voorts heeft BSS betaling van [appellante] gevorderd van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.669,29, beslagkosten ad € 1.879,73 en proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente. BSS heeft haar vorderingen gebaseerd op onrechtmatig handelen van [appellante] (bestuurdersaansprakelijkheid). 3.2 [appellante] heeft aangevoerd dat er geen overeenkomst van opdracht is gesloten tussen TaMed en BSS, dat TaMed dan ook niet toerekenbaar tekort kan zijn geschoten in de verbintenis tot betaling van enige factuur en daarnaast dat alle facturen die betrekking hebben op TaMed zijn voldaan. Evenmin heeft er een rechtsgeldige overeenkomst bestaan tussen de Stichting en BSS, aldus [appellante] . Verder heeft zij gesteld dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens BSS, omdat zij BSS steeds heeft geïnformeerd over de financieel moeilijke situatie van de Stichting. De betalingsonmacht is het gevolg van de kosten van juridische bijstand die veel hoger uitvielen dan aanvankelijk voorgespiegeld. 3.3 De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld in de periode van 10 juni 2013 tot en met 22 december 2013 door verplichtingen aan te gaan namens TaMed en de Stichting, terwijl zij wist of redelijkerwijs kon weten dat die verplichtingen door TaMed en de Stichting niet zouden kunnen worden nagekomen en er geen verhaal mogelijk zou zijn, waardoor BSS schade zou lijden. Die schade is door de rechtbank vastgesteld op de onbetaald gebleven facturen van BSS in voornoemde periode, respectievelijk € 8.841,31 (TaMed) en € 22.505,68 (de Stichting). Verder zijn toegewezen de buitengerechtelijke incassokosten, de beslagkosten en de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten. 4De vorderingen in hoger beroep 4.1 [appellante] heeft in het principaal hoger beroep gevorderd, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 30 maart 2016 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen af te wijzen, althans te matigen, met opheffing van de door BSS gelegde beslagen en met veroordeling van BSS in de kosten van beide instanties. 4.2 BSS heeft in het incidenteel hoger beroep gevorderd [appellante] naast de veroordelingen in het bestreden vonnis ook te veroordelen tot betaling van de door BSS na 22 december 2013 geleden schade van € 28.874,40 te vermeerderen met de proceskosten en de nakosten. Voorts heeft BSS haar eis in hoger beroep vermeerderd in die zin (kort gezegd) dat zij met betrekking tot de door haar gevorderde bedragen en de reeds toegewezen bedragen de wettelijke rente vordert tot aan de dag van voldoening en niet tot aan de dag van het vonnis, zoals zij in eerste aanleg heeft gevorderd. 5De wijziging van eis 5.1 [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de in rov. 4.2 weergegeven eiswijziging van BSS. Uit het in verband daarmee gestelde blijkt evenwel dat het bezwaar betrekking heeft op de inhoud van de vermeerderde eis, en geen processueel bezwaar betreft tegen de vermeerdering van eis in de zin van artikel 130 Rv. Nu niet is toegelicht dat sprake is van strijd met een goede procesorde (doordat door de vermeerdering van eis de procedure onredelijk zou worden vertraagd dan wel dat [appellante] in haar verdediging onredelijk zou worden bemoeilijkt), is het bezwaar ongegrond. Ter zake van de vordering van BSS zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis. 6. De beoordeling van de grieven en de vorderingen in het principaal en het incidenteel hoger beroep 6.1 In de kern gaat het geschil over de vraag of [appellante] als (middellijk) bestuurder van de Stichting en TaMed aansprakelijk is voor de schade die BSS stelt te hebben geleden doordat de Stichting en TaMed haar vordering uit hoofde van de door BSS verrichte werkzaamheden niet volledig heeft voldaan. Grief I in het principaal appel richt zich tegen rov 4.6 van het bestreden vonnis waarin is geoordeeld dat er tussen BSS en Tamed tot 14 september 2013 een overeenkomst van opdracht heeft bestaan en na die datum tussen BSS en de Stichting. Grief 2 in het principaal appel richt zich tegen de toewijzing van de vordering van BSS over de periode van 10 juni 2013 tot en met 22 december 2013. Grief 1 in het incidenteel appel richt zich tegen de afwijzing van de vordering van BSS over de periode van 25 april 2013 tot 10 juni 2013 en de periode na 22 december 2013. Het hof zal eerst de twee laatstgenoemde grieven, die zien op de aansprakelijkheid van [appellante] als (middellijk) bestuurder van TaMed en de Stichting, (gezamenlijk) behandelen. 6.2 Uitgangspunt bij de beoordeling is dat in beginsel alleen een vennootschap zelf aansprakelijk is voor (de gevolgen van) niet nakoming van haar verbintenissen. Voor de aansprakelijkheid van haar bestuurders geldt een hoge drempel, in die zin dat zij slechts dan aansprakelijk zijn wanneer hen ter zake van het niet nakomen van de verbintenis en het onverhaalbaar zijn van de daaruit voortvloeiende schade persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, RCI Financial Services/K.). In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.