GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.201.339 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht, 4500903) arrest van 13 november 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. B.J. Mekkelholt, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PepsiCo Nederland B.V., gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: PepsiCo, advocaat: mr. P. Oskam. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Naar aanleiding van het tussenarrest van 29 november 2016 heeft op 21 februari 2017 een comparitie van partijen (na aanbrengen van de zaak in hoger beroep) plaatsgevonden. 1.2 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - de memorie van grieven, met producties 33-40; - de memorie van antwoord, met één productie; - een akte van 11 juli 2017 van de zijde van [appellant] , met productie 41; - de antwoordakte (H16-formulier) van de zijde van PepsiCo van 11 juli 2017. 1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.23 van het (bestreden) vonnis van 20 april 2016. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 [appellant] (geb. [geboortedatum] ) is op [datum] een bedrijfsongeval overkomen; [appellant] was toen ruim 1,5 jaar in dienst bij PepsiCo en had een jaarsalaris van afgerond € 28.000 bruto. In het kader van de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft [appellant] een bout van een matrijs in de productiehal van PepsiCo losgedraaid met een inbussleutel. Daarbij werd eveneens gebruik gemaakt van een metalen pijp op de inbussleutel die diende als een soort verlengstuk om meer kracht te kunnen zetten. Bij het losdraaien is de inbussleutel uit de bout geschoten en heeft de metalen pijp de linkerschouder en het linker deel van de borstkas van [appellant] geraakt. [appellant] heeft die dag zijn werk afgemaakt. Hij is de volgende dag ook op het werk verschenen, maar is eerder naar huis gegaan wegens fysieke klachten. [appellant] heeft sinds het ongeval verschillende lichamelijke en psychische klachten ervaren en heeft nadien niet meer gewerkt binnen PepsiCo. [appellant] is in 2002 100% arbeidsongeschikt verklaard; het dienstverband is per 1 oktober 2002 beëindigd. Hij is in 2002-2003, met toestemming van toen nog het GAK, verhuisd naar [land] waar hij nu nog woont. Hij heeft daarna geen herkeuringen gehad. 3.2 Bij brief van 16 maart 2001 heeft Axa Schade N.V., de toenmalige verzekeraar van PepsiCo, aansprakelijkheid voor het arbeidsongeval van [appellant] erkend. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft orthopedisch chirurg dr. W.J. Willems op 25 augustus 2008 een deskundigenrapport uitgebracht. 3.3 [appellant] heeft eerst een bedrag van € 6.000 ontvangen. Medio december 2011 heeft de aansprakelijkheidsverzekeraar van PepsiCo een (eenzijdig vastgestelde) slotbetaling gedaan van € 94.000, waarmee de totale vergoeding komt op een bedrag van € 100.000. 3.4 Bij inleidende dagvaarding van 19 februari 2015 heeft [appellant] de onderhavige procedure aangespannen. Hij heeft gevorderd, verkort weergegeven, een verklaring voor recht dat de huidige klachten aan de linker- en rechterschouder, nek, rug en linkerknie in causaal verband staan met het ongeval dat hem is overkomen op [datum] en dat PepsiCo aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade. Daarnaast heeft [appellant] gevorderd veroordeling tot betaling door PepsiCo van € 587.953,08 uit hoofde van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van PepsiCo in de proceskosten. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 20 april 2016 de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] is met vier grieven hiertegen opgekomen. Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.12) dat de door [appellant] gestelde klachten c.q. beperkingen niet, althans hoogstwaarschijnlijk niet, in (medisch) causaal verband staan tot het ongeval. Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.17 e.v.) dat het rapport van dr. Willems leidend is bij de schadeafwikkeling tussen partijen. Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.21 e.v.) dat het rapport van Willems wat betreft de totstandkoming daarvan deugdelijk is. Tot slot richt grief IV zich tegen het oordeel dat de vorderingen van [appellant] moeten worden afgewezen; [appellant] wijst erop dat naast de fysieke klachten ook sprake is van psychische klachten als gevolg van het ongeval. Het hof zal de grieven II en III gezamenlijk bespreken, daarna volgt beoordeling van grief I en grief IV. 3.5 [appellant] heeft een contra-expertise laten verrichten door orthopedisch chirurg mevr. drs. A.M.E. Giesberts en haar conceptrapport van 27 maart 2017 als productie 33 bij memorie van grieven overgelegd; de definitieve versie van 8 mei 2017 heeft [appellant] bij latere akte als productie 41 overgelegd. Giesberts heeft uitvoerig onderzoek verricht (ongevalsanamnese/ziektegeschiedenis, huidige klachten en lichamelijk onderzoek) en heeft acht geslagen op de uitslagen van röntgenonderzoek en relevante gegevens uit het (medisch) dossier. In de “beschouwing” (pag. 12-14) schrijft zij onder meer: Bij het ongeval op [datum] heeft betrokkene anamnestisch een draaibeweging gemaakt met de rug en beide knieën. Met de linker arm/schouder heeft hij de gaspijp waar veel kracht op stond, opgevangen of tegengehouden terwijl deze de borstkas raakte aan de linkerzijde. Dat betrokkene na dit ongeval pijnklachten heeft ervaren in de lage rug, in de knieën en in de linker schouder en linker borstkashelft is aannemelijk. (…) Betrokkene is uitvoerig onderzocht voor de rugklachten. (…) In ieder geval geldt voor de radiologische afwijkingen aan de lumbale wervelkolom, geduid als degeneratieve afwijkingen/spondylartrose laaglumbaal zonder radiculaire problematiek, dat dezen geen gevolg zijn van het ongeval maar dat, zoals dr. van der Ham [orthopedisch chirurg, toev. hof] schrijft in de correspondentie in 2001, is sprake geweest van pre-existente problematiek welke na het ongeval tot klachten heeft geleid. Het is niet bekend of betrokkene zonder het ongeval ook rugklachten zou hebben ontwikkeld. Evenmin is bekend of betrokkene zonder de pre-existente degeneratieve afwijkingen rugklachten zou hebben gehad na het ongeval. (…) De klachten die betrokkene beschrijft aan de cervicale wervelkolom zijn sinds vier jaar aanwezig. (…) Röntgenologisch en op de MRI-scan d.d. 08-07-2013 is sprake van degeneratieve afwijkingen op niveau C5-C6-C7. Ook dit betreft een degeneratieve aandoening welke geen gevolg is van het ongeval in 2000. Dat betrokkene de klachten van de nek niet aansluitend aan het ongeval heeft aangegeven maar sinds vier jaar ervaart, maakt het in mijn optiek aannemelijk dat betrokkene ook zonder het ongeval de huidige klachten van de cervicale wervelkolom zou hebben. (…)Alhoewel het zeker mogelijk is dat de problematiek in de cervicale wervelkolom bijdraagt aan (gerefereerde) pijnklachten in de schouders/armen lijkt het klachtenpatroon dat betrokkene aangeeft van beide schouders met name mechanisch van aard en afhankelijk van beweging en belasting. (…) Anamnestisch is de aard van het ongeval dusdanig dat het aannemelijk is dat hierbij de klachten in de linkerschouder zijn ontstaan. (… )Een röntgenfoto is echter pas verricht ± één jaar na het ongeval. Hierop is een kleine calcificatie zichtbaar. Een dergelijke calcificatie houdt geen verband met een trauma en komt ook in de normale populatie voor. (…) Dat betrokkene tot aan het ongeval in staat was om fysiek werk te doen en intensief te sporten is het aannemelijk dat de schouderklachten veroorzaakt zijn door het ongeval op 08-02-2000 en zonder het ongeval niet ontstaan zouden zijn. Het letsel dat in de linker schouder is ontstaan bij het ongeval is in de behandelend sector beschreven als een rotatorcuffletsel. De ernst of uitgebreidheid van het rotatorcuffletsel is niet geheel duidelijk uit het dossier. De echo van de linker schouder d.d. 24-01-2002 vermeldt geen focale laesies en geen volledige diktescheur. Meest aannemelijk is dat sprake was van een partieel rotatorcuffletsel, niet zichtbaar bij echografie en vastgesteld ten tijde van de operatie [in 2002 in [land] , toev. hof]. Uit het schrijven van dr. Rui de Sousa [de Portugese operateur, toev. hof] maak ik evenmin op wat de ernst of grootte is geweest van het rotatorcuffletsel dat bij de operatie hersteld werd. Daar in de behandelend sector ook geen MRI-scan of CT-scan is verricht van de linker schouder, is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de grootte of ernst van het rotatorcuffletsel en evenmin over eventueel pre-existente degeneratieve schade aan het peesweefsel. Daar de MRI-scan van de rechter schouder op 22-01-2016 een volledige dikteletsel van de supraspinatuspees toont waarbij geen sprake is van atrofie, terwijl betrokkene op dat moment reeds 70 jaar was, neem ik aan dat ook geen sprake is geweest van pre-existente degeneratieve pathologie in de linker schouder ten tijde van het ongeval op [datum] . Om die reden meen ik ook dat de klachten en het rotatorcuffletsel in de linkerschouder een direct en uitsluitend gevolg van het ongeval op [datum] zijn. Betrokkene zou de klachten en het letsel niet gehad hebben zonder het ongeval. Op dit moment kan betrokkene met de linker schouder goed functioneren met uitzondering van krachtsinspanning boven schouderhoogte. Dit wordt bij lichamelijk onderzoek ook zo geobjectiveerd. De kracht in de rotatorcuff is evenwel aanwezig. De klachten lijken met name betrekking te hebben op pijn bij bewegen boven schouderhoogte.(…) Betrokkene valt in graad C, overeenkomend met 3% blijvende invaliditeit voor de bovenste extremiteit = 2% blijvende invaliditeit voor de gehele persoon. Voor de linker schouder acht ik betrokkene thans licht beperkt voor werkzaamheden boven schouderhoogte, reiken en tillen, dragen, duwen en trekken. De klachten in de rechterschouder heeft betrokkene ontwikkeld na het tillen van een matras in 2014. Ook hier lijkt een trauma te hebben bijgedragen aan de huidige situatie. (…) Het letsel aan de rechter schouder is niet gerelateerd aan het ongeval in 2000. (…) Betrokkene klaagt verder over de linker knie. Na het ongeval heeft betrokkene knieklachten beiderzijds gehad. De huisarts vermeldt op 20-04-2000 evenwel geen knieklachten. Verder heeft betrokkene in ± 1977 een operatie gehad aan de linker knie waarbij anamnestisch een stukje meniscus werd verwijderd. In het dossier worden hierover geen verdere gegevens aangetroffen. Alhoewel dr. Rui de Sousa in de brief d.d. 15-08-2002 een mediaal meniscusletsel in de linker knie vermeldt en hiervoor een operatieve ingreep indiceert, is geen operatie aan de linker knie verricht sinds het ongeval. (…) De klachten en bevindingen bij lichamelijk onderzoek en röntgenonderzoek ten aanzien van beide knieën zijn geen gevolg van het ongeval en passen bij pre-existente problematiek waarbij sprake is van een status na partiële mediale meniscectomie in de linker knie. (…) Gezien bovenstaande ben ik van mening dat de klachten van de linker knie geen causaal verband houden met het ongeval en ook zonder ongeval in dezelfde mate zou hebben kunnen voorkomen. (…) Bij beantwoording van vraag 2a (De hypothetische situatie zonder ongeval) op pagina 18 van het rapport herhaalt Giesberts haar bevindingen ten aanzien van de klachten van de cervicale en lumbale wervelkolom, de problematiek in de rechterschouder en de klachten en afwijkingen van beide knieën: deze klachten en problematiek zouden ook zonder ongeval zijn ontstaan. In antwoord op vraag 4b (Het genezingsproces en de opstelling van betrokkene daarin) op pagina 20 van het rapport schrijft Giesberts onder meer: Betrokkene is operatief behandeld voor de linkerschouder. Het resultaat is een redelijk herstel van de functie met blijvende restklachten met betrekking tot krachtsinspanning boven schouderhoogte. 3.6 [appellant] heeft in de memorie van grieven (sub 6.7 e.v.) aangevoerd dat hij zich niet volledig kan verenigen met de bevindingen van Giesberts, maar wel met haar bevindingen ten aanzien van de linkerschouder. Wat zijn rugklachten betreft meent [appellant] dat deze wel in causaal verband staan met het ongeval; hij voert daartoe aan dat hij voor het ongeval nimmer rugklachten heeft gehad, dat hij direct na het ongeval rugklachten heeft geuit en dat hij nu nog steeds rugklachten ervaart en ten slotte dat als gevolg van het ongeval sprake is geweest van een bulging disc op niveau L4-L5 en L5-S1. En als er al sprake zou zijn van onduidelijkheid op dit punt (en ook wat betreft de andere klachten en beperkingen, sub 6.25 memorie van grieven) dan dient deze voor rekening en risico van PepsiCo te komen. Tot slot stelt [appellant] dat het ongeval ook zeer aanzienlijke psychische gevolgen voor hem heeft gehad – en dat de psychische problemen aan werkhervatting in de weg hebben gestaan (memorie van grieven sub 6.52). 3.7 PepsiCo heeft onder meer betoogd (memorie van antwoord sub 3.37 e.v.) dat de bevindingen van mevr. Giesberts in lijn zijn met de bevindingen van de deskundige dr. Willems. Wat betreft de conclusie van mevr. Giesberts betreffende de klachten van de linkerschouder, die door haar wel als ongevalsgevolg zijn geduid, heeft PepsiCo gemotiveerd bezwaren hiertegen aangevoerd (memorie van antwoord sub 3.41 e.v.) onder overlegging van een medisch advies van A.T.C. Ouwehand, verzekeringsarts/RGA. Tot slot heeft PepsiCo opgemerkt (memorie van antwoord sub 3.50 e.v.) dat [appellant] pas “nu” (in hoger beroep, zo verstaat het hof) stelt, 17 jaar na het ongeval, dat het ongeval ook “zeer aanzienlijke psychische gevolgen” voor hem heeft gehad – en dat de psychische problemen aan werkhervatting in de weg hebben gestaan). 3.8 Het hof stelt voorop dat op [appellant] de stelplicht en bewijslast rust van de grondslag van zijn vordering tot schadevergoeding. Mutatis mutandis geldt dit wat betreft de omvang van de gevorderde schadevergoeding (ex art. 6:98 BW). [appellant] legt aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat hij nimmer meer zou hebben kunnen werken en dat rekening moet worden gehouden met een hogere functie (assistent-teamleader en daarna teamleader) tegen een jaarsalaris van € 45.297 bruto (per 1 maart 2000) respectievelijk € 65.000 bruto (1 januari 2001) met een jaarlijkse index van 2%. Volgens een berekening van WK Advies in een brief van 9 maart 2012 levert dat een netto schade op van € 401.480, welk bedrag [appellant] in zijn berekening verlies verdienvermogen heeft opgenomen. Daarbovenop komt nog een bedrag aan pensioenschade van € 236.571, een bedrag van € 20.000 voor smartengeld, een bedrag van € 12.000 voor kosten huishoudelijke hulp en een (afgerond) bedrag van € 17.902 aan buitengerechtelijke kosten. De stelplicht en bewijslast betreffende het bestaan en de omvang van schade door verlies verdienvermogen (dit is in casu de grootste schadepost) rusten op de benadeelde, hier [appellant] . Aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen mogen krachtens vaste rechtspraak geen strenge eisen worden gesteld betreffende het verlies van toekomstig verdienvermogen indien het ongeval hem niet was overkomen; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent die hypothetische situatie. Bij begroting van toekomstige schade (ex art. 6:105 BW) zal de rechter de goede en de kwade kansen moeten meewegen, waarbij het aankomt op de redelijke (en realistische) verwachtingen van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. 3.9 PepsiCo heeft de aansprakelijkheid voor het arbeidsongeval aanvaard, doch niet de omvang van de gevorderde schade. PepsiCo is op enig moment, in het kader van de (moeizame) buitengerechtelijke onderhandelingen die niet leidden tot een compromis, overgegaan tot betaling van een slotbedrag. De vordering van [appellant] betreffende het verlies van toekomstig verdienvermogen is gestoeld op zijn stelling(en), zoals verwoord in het petitum, namelijk dat hij door fysieke klachten aan linker- en rechterschouder, nek, rug en linkerknie niet in staat is om te werken; hij is ook volledig arbeidsongeschikt verklaard. Daarnaast heeft [appellant] - voor het eerst in de memorie van grieven - aangevoerd dat ook psychische klachten als gevolg van het ongeval hem hebben belet om weer (volledig) te werken. 3.10 Gezien de grondslag en onderbouwing van de vordering van [appellant] is een onderzoek door een medisch deskundige noodzakelijk geweest. Partijen hebben ervoor gekozen om in de buitengerechtelijke fase gezamenlijk een deskundige te benaderen en hem vragen voor te leggen ter beslechting van hun geschil (dat met name zag op de medische klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval). Een en ander is in werking gezet met de medisch adviseurs van partijen (zie de brief van 18 oktober 2007 aan Willems, prod. 7 conclusie van antwoord). Partijen hebben aan Willems de IWMD-vraagstelling voorgelegd en hem erop gewezen dat “betrokkene” ( [appellant] ) desgevraagd gebruik moet kunnen maken van het inzage- en correctierecht en het blokkeringsrecht. Uit het rapport van Willems van 25 augustus 2008 volgt dat [appellant] (althans zijn toenmalig gemachtigde) het conceptrapport ter inzage heeft gehad en dat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van zijn (correctie-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.