GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.261.276-02 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 464960 en 465114) beschikking van 5 september 2019 op de verzoeken tot schorsing inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. D. Vrolijks te Amersfoort, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. F.E.J. Menkveld te Utrecht. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 september 2018, uitgesproken onder zaaknummer 464960 en naar de beschikking van 5 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: de bestreden beschikking). In de bestreden beschikking heeft de rechtbank - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - bepaald dat de man aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen: - met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot aan het moment waarop de echtelijke woning aan de vrouw is geleverd € 277,- per kind per maand aan kinderalimentatie en € 605,- bruto per maand aan partneralimentatie, en - vanaf het moment van levering van de echtelijke woning aan de vrouw € 271,- per kind per maand aan kinderalimentatie en € 1.991,- bruto per maand aan partneralimentatie, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, met een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van twee beschikkingen, ingekomen op 24 juni 2019; het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad; een journaalbericht van mr. Vrolijks van 25 juli 2019 met producties, en een journaalbericht van mr. Vrolijks van 6 augustus 2019 met producties. 2.2. De mondelinge behandeling heeft op 8 augustus 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3. De feiten 3.1. Het huwelijk van partijen is op 12 juli 2019 ontbonden door echtscheiding. 3.2. De man en de vrouw zijn de ouders van: [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] , en [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [plaats] , hierna ook gezamenlijk te noemen “de kinderen”, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 4De motivering van de beslissing 4.1. Aan de orde zijn de verzoeken van de man schorsing te bevelen van de werking van de beschikking voorlopige voorziening van 25 september 2018 en van de bestreden beschikking, voor zover het de betaling van kinder- en partneralimentatie betreft. De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. 4.2. Het hof zal de man in zijn verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaren, nu die beschikking door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 12 juli 2019 haar kracht heeft verloren (zie artikel 826 lid 1, aanhef en onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hiermee staat alleen nog het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ter beoordeling. 4.3. Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, Rv kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 4.4. Het hof stelt - onder verwijzing naar HR 20 maart 2015 (HR:2015:688) en HR 30 mei 2008 (HR:2008:BC5012) - het volgende voorop.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.