← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2019:10524

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.260.918/01 CJIB-nummer : 214765675 Uitspraak d.d. : 9 december 2019 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling

  1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
  2. De gemachtigde voert onder meer aan dat het recht om te worden gehoord is geschonden door de officier van justitie. De kantonrechter heeft deze grond niet beoordeeld.
  3. Uit artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de Wahv, volgt dat de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord. Van het horen kan worden afgezien, indien – voor zover hier van belang – het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is (artikel 7:17 van de Awb).
  4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord door de officier van justitie. Verder stelt het hof vast dat de officier van justitie van het horen heeft afgezien en het beroep kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
  5. Het hof is van oordeel dat de betrokkene in dit geval had moeten worden gehoord door de officier van justitie omdat het beroep niet kennelijk – dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is – niet-ontvankelijk is. Uit het ingediende beroepschrift blijkt niet waarom te laat beroep is ingesteld. De betrokkene had daarom tijdens het horen in de gelegenheid moeten worden gesteld om de reden van de termijnoverschrijding toe te lichten, om na te gaan of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 6:11 van de Awb (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 mei 2004, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:CRVB:2004:AP0537).
  6. Het voorgaande brengt mee dat de beslissingen van de kantonrechter en van de officier van justitie niet in stand kunnen blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie geen bespreking meer. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
  7. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Awb. De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
  8. De inleidende beschikking is op 5 maart 2018 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 16 april
  9. Het beroepschrift is gedateerd 20 april 2018 en is op die datum via het Digitaal Loket van de CVOM ingediend. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
  10. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
  11. De gemachtigde voert hiertoe aan dat sprake was van een onverwachte storing bij het Digitaal Loket. De gemachtigde heeft in het weekend van 13 tot en met 16 april 2018 veelvuldig geprobeerd om het beroep digitaal in te dienen, maar is hierin niet geslaagd. Het kan niet zo zijn dat een verrassing in de sfeer van een storing voor risico van de betrokkene komt. Indien een belanghebbende op de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn zijn stuk wil verzenden en op die dag plots door PostNl wordt gestaakt, kan het bestuursorgaan ook niet redeneren dat de belanghebbende dan maar een dag eerder naar het postkantoor had moeten gaan. Indien sprake is van een storing, is het parket CVOM normaliter ‘coulant’ met een te laat ingesteld beroep. Een te late indiening wordt dan verschoonbaar geacht. Het is onduidelijk waarom dat niet in deze zaak is gebeurd. De gemachtigde heeft daarom om nadere informatie over een storing in de betreffende periode verzocht bij de CVOM, maar de CVOM heeft geweigerd de informatie te verstrekken. Zonder de informatie kan de betrokkene niet vaststellen of gelijke gevallen gelijk worden behandeld.
  12. De advocaat-generaal geeft in het verweerschrift aan dat uit interne navraag is gebleken dat bij het Digitale Loket Verkeer geen sprake van een storing was in de periode van 13 tot en met 16 april
  13. Gelet hierop en nu de gemachtigde zijn stelling ook niet (met stukken) heeft onderbouwd, is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een storing bij het Digitaal Loket in de betreffende periode. Wat wordt aangevoerd, maakt daarom niet dat het te laat instellen van beroep de betrokkene niet kan worden toegerekend. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaren.
  14. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.