← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2019:10657

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.225.905/01 CJIB-nummer : 200211743 Uitspraak d.d. : 11 december 2019 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2017, betreffende [betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Op 25 januari 2018 is nog een fax met een aanvullende grond van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd naar de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is er aanvullende informatie in het geding gebracht. De gemachtigde van de betrokkene heeft daarop gereageerd. Beoordeling

  1. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. Daarbij verwijst hij naar het arrest van dit hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:
  2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589).
  3. De klacht van de gemachtigde faalt. Het dossier bevat een proces-verbaal, inhoudende de beslissing van de kantonrechter d.d. 2 oktober
  4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 91,- voor: “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 12 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 juli 2016 om 11:13 uur op de A12 links trajectcontrole in Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
  5. In reactie op de door de advocaat-generaal in hoger beroep ingebrachte schouwrapporten stelt de gemachtigde dat de afstand tussen de bebording en de meetlocatie te kort is. Verder stelt hij zich op het standpunt dat de privacy van de betrokkene óf de bestuurder van het voertuig met de gehanteerde werkwijze van de onderhavige controle is geschonden zonder een adequate (specifieke) wettelijke grondslag. Dit is strijdig met het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hij verwijst daarbij onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (vindplaats: ECLI:NL:HR:2017:287). Dit verweer heeft hij ook bij de kantonrechter naar voren gebracht, maar die heeft het onbesproken gelaten. Ook op zijn bezwaar ter zake het feit dat de snelheid niet in de databalk is vermeld, is niet gerespondeerd door de kantonrechter.
  6. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: ''Gedragingsgegevens: (…) De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand. Gemeten (afgelezen) gemiddelde snelheid: 95 km per uur. Werkelijke (gecorrigeerde) gemiddelde snelheid: 92 km per uur. Toegestane snelheid: 80 km per uur. Overschrijding met: 12 km per uur. (…) Rijrichting van: Lunetten Rijrichting naar: Oudenrijn Ter hoogte van hectometerpaal: 59.2y (…)”
  7. Voor zover de gemachtigde van de betrokkene bedoelt aan te voeren dat de trajectcontrole ongeldig is, omdat daarbij niet de in de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen (hierna: de Aanwijzing) genoemde minimumafstand tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid en de meetlocatie in acht is genomen, overweegt het hof het volgende.
  8. In artikel 1 van de Aanwijzing is - voor zover relevant - bepaald dat bij een snelheid van 80 km/h de minimale afstand tussen de plaats waarop de lagere (en dus gewijzigde) maximumsnelheid ingaat en de meetlocatie 220 meter moet zijn. Aan de hand van de in hoger beroep ingebrachte schouwrapporten, stelt het hof vast dat bij hectometerpaal 71.0q (komende van de A27 links op de afslag naar de parallelbaan A12 links) en bij hectometerpaal 63.5y het bord A1 was geplaatst op grond waarvan de maximumsnelheid van 80 km/h was gaan gelden. Bij hectometerpalen 62.6y, 62.2y en 60.7y werd deze maximumsnelheid door middel van een bord A1 herhaald en 200 meter verder, bij hectometerpaal 60.5y, startte de trajectcontrole. Het hof is van oordeel dat - daargelaten de vraag of de Aanwijzing van toepassing is op trajectcontroles als de onderhavige - de trajectcontrole daarmee voldoet aan de in de Aanwijzing genoemde minimumafstand. Dat de afstand tussen het bord A1 bij hectometerpaal 60.7y en de start van de meting bij hectometerpaal 60.5y niet aan die afstand voldoet, doet daar niet aan af, nu dit bord een reeds eerder in werking getreden maximumsnelheid herhaalde. Er was bij hectometerpaal 60.5y geen sprake van een gewijzigde maximumsnelheid. Dit verweer wordt derhalve verworpen.
  9. Evenmin bestaat reden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de meting. Dat de gereden snelheid niet wordt vermeld op de foto's is gebruikelijk bij een trajectcontrole. Op het moment van het nemen van de foto's moet de snelheid nog worden berekend. Bij trajectcontroles kan de gemiddelde snelheid worden vastgesteld met een berekening op basis van de tijdsduur en trajectlengte (vgl. ov. 17 van het arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2855, gepubliceerd op rechtspraak.nl). Nu de tijdsduur in de databalk onder de foto's en de trajectlengte in de NMi-verklaring staan vermeld, kan aldus de gereden snelheid worden vastgesteld.
  10. In de onderhavige zaak is ten aanzien van de betrokkene, zijnde de kentekenhouder, een snelheidsovertreding geconstateerd. De bij de onderhavige controle verkregen gegevens zijn beperkt tot de tenaamgestelde van het kenteken en de locatie, het tijdstip en de datum waarop met het voertuig met dit kenteken de overtreding zou zijn verricht. Anders dan in het door de gemachtigde genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 is in onderhavige zaak geen sprake van het structureel vastleggen en bewaren van voornoemde gegevens, maar van een enkele waarneming in de openbare ruimte. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van de privacy als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM (vgl. het arrest van dit hof van 31 mei 2016, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4270 en het arrest van dit hof van 25 juli 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6129). In verband hiermee treft het verweer van de gemachtigde met betrekking tot het ontbreken van een specifieke wettelijke grondslag en de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad geen doel.
  11. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Daarbij worden de gronden van die beslissing verbeterd, nu de kantonrechter geen overweging heeft gewijd aan de hiervoor behandelde beroepsgrond met betrekking tot de schending van artikel 8, eerste lid, van het EVRM en de grond ter zake van het niet vermelden van de snelheid in de databalk.
  12. Met betrekking tot het bezwaar tegen de afwijzing van de proceskosten overweegt het hof dat nu de kantonrechter de inleidende beschikking in stand heeft gelaten, gelet op het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197, in het midden kan blijven of de kantonrechter het verzoek om een proceskostenvergoeding al dan niet terecht of op juiste gronden heeft afgewezen.
  13. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen met, zoals hiervoor onder
  14. is aangekondigd, verbetering van gronden.
  15. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op het hierboven genoemde arrest, afgewezen. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.