WAHV 200.214.248 20 december 2019 CJIB 167652527 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 26 januari 2017 betreffende [betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Daarna heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft geen verweerschrift ingediend. Op 30 januari 2018 is nog een fax van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal verzocht om aanvullende informatie. Deze informatie is ontvangen op 10 september
- De gemachtigde van de betrokkene heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om op de nadere informatie te reageren. Beoordeling
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt. Het hof stelt vast dat het dossier geen proces-verbaal van de zitting van 26 januari 2017 bevat. De beslissing van de kantonrechter zal daarom worden vernietigd. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
- De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 25 oktober 2012 om 19.55 uur op de Prins Bisschopsingel te Maastricht met het voertuig met het kenteken [YY-00-YY] .
- De gemachtigde voert ten aanzien van de gedraging aan dat de bestuurder het verkeerslicht reeds gepasseerd was toen het rood licht ging uitstralen. De bestuurder heeft dus niet kunnen zien dat het verkeerslicht rood licht is gaan uitstralen. Ten aanzien van de aanvullende informatie voert de gemachtigde aan dat deze is gebaseerd op aannames. Tot slot verzoekt de gemachtigde tot vernietiging van de inleidende beschikking omdat er al zeven jaar zijn verstreken sinds de gedraging.
- Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: "Door middel van twee foto's van roodlichtapparatuur werd de overtreding fotografisch vastgelegd. Foto 1: het betreffende voertuig activeert de lus achter de stopstreep cq. het rode verkeerslicht. Op het moment van de overtreding brandde het licht reeds 1,2 seconden. Foto 2: een seconde later. De geelfase bedroeg 3 seconden."
- Verder bevat het dossier foto's van de gedraging. Op beide foto's is het voertuig van de betrokkene te zien. Op de tweede foto is te zien dat de vrachtwagencombinatie in het geheel de verkeerslichten is gepasseerd. Op beide foto's is het licht rood. Uit de databalk bij de foto's blijkt dat het licht eerst 2,9 seconden geel licht heeft uitgestraald. Op het moment van de eerste foto had het verkeerslicht 1,18 seconden rood licht uitgestraald, op het moment van de tweede foto 1,98 seconden. Als gereden snelheid staat er 31 km/h.
- Ook bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal waarin verkeersspecialist van de politie, dhr. [D] , onder meer verklaart: “Na de stopstreep bij een verkeersregelinstallatie (VRI) liggen lussen in de weg (zeker in 2012) die dienen ter activatie van de camera van de flitspaal. Het meetsysteem in de flitspaal krijgt van de VRI een signaal als het licht van groen naar geel gaat. Zo ook als de VRI overgaat van geel naar rood. Deze geel- en roodtijden zijn terug te zien op de foto’s die genomen worden als er een overtreding heeft plaatsgevonden. (…)Deze lussen worden geactiveerd door de voorste as van het voertuig dat bij rood licht de stopstreep passeert. Dit feit maakt dat het verweer dat de betrokkene het rode licht niet heeft kunnen zien, omdat zijn cabine reeds de stopstreep gepasseerd zou zijn op het moment dat de VRI van geel licht naar rood licht overschakelde, geen stand kan houden.”
- Gelet op de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene niet is gestopt voor rood licht. Wat de gemachtigde heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat het verkeerslicht mogelijk nog niet op rood stond op het moment dat de betrokkene de stopstreep passeerde, maakt dat niet anders. Weliswaar schrijft artikel 79 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) voor dat bij een verplichting tot stoppen, dit dient te geschieden voor de voor de bestuurder bestemde stopstreep, maar naar vaste rechtspraak van het hof betekent dat niet dat de verplichting om te stoppen voor rood licht vervalt wanneer het verkeerslicht pas na het passeren van de stopstreep op rood springt (vergelijk het arrest van het hof van 13 november 2002, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0656).
- Hoewel kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht zal het hof, gelet op het gevoerde verweer, beoordelen of er redenen zijn om een sanctie achterwege te laten of het bedrag te matigen.
- Het hof wijst hierbij op artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990, waaruit volgt dat indien een driekleurig verkeerslicht geel licht uitstraalt, dit in beginsel inhoudt dat moet worden gestopt. Slechts indien men op dat moment het verkeerslicht zo dicht is genaderd dat stoppen niet meer mogelijk is, mag men doorrijden.
- De gemachtigde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bestuurder niet heeft kunnen zien dat het verkeerslicht rood licht ging uitstralen en daardoor niet meer kon stoppen. Ook bij geel licht dient al te worden gestopt. Het hof stelt daarbij voorop dat in het algemeen van een bestuurder mag worden verwacht dat hij te allen tijde in staat is zijn voertuig tijdig en op een verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Van een bestuurder mag men immers verwachten dat hij anticipeert op een naderend verkeerslicht. De betrokkene heeft kennelijk niet afdoende geanticipeerd op het naderende verkeerslicht.
- Ook het feit dat een (zeer) lange tijd is verstreken sinds de gedraging is geen reden om de inleidende beschikking te vernietigen of het sanctiebedrag te matigen (vgl. het arrest van het hof van 3 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1777).
- Gelet op het voorgaande wordt het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.