Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000034-19 Uitspraak d.d.: 23 december 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 21 december 2018 met parketnummer 16-659906-17 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, thans verblijvende in het PPC van de PI Vught te Vught. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 juli 2019 en 9 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat deze geheel wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van zestien dagen gevangenisstraf, de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 mei 2017, zal worden afgewezen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.J.M. Mohrmann, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 21 december 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de eendaadse samenloop van de onder 1 primair ten laste gelegde gijzeling en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht bewezen verklaard, verdachte ter zake daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging en hem de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. De rechtbank heeft voorts beslissingen genomen over de inbeslaggenomen goederen. De vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel. De benadeelde partij is voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard, met de bepaling dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Verdachte is voorts veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand tot het bedrag van € 600,-, welk bedrag gebaseerd is op het liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de zestien dagen gevangenisstraf, de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 mei 2017, zal worden afgewezen, gelet op de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling. Verzuimd is echter deze beslissing op te nemen in het dictum van het vonnis. Het hof verenigt zich met de door de rechtbank vastgestelde bewezenverklaring, de daartoe gebezigde bewijsoverwegingen en –middelen en de kwalificaties. Het hof schaart zich eveneens achter de door de rechtbank van de gedragsdeskundigen overgenomen conclusie, inhoudende dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond van zodanige aard en ernst dat de bewezenverklaarde feiten hem niet kunnen worden toegerekend, hetgeen een ontslag van alle rechtsvervolging meebrengt. Voorts onderschrijft het hof de door de rechtbank geformuleerde wettelijke grondslag voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, evenals de vaststelling in eerste aanleg dat het in deze zaak gaat om misdrijven, die gericht zijn tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het weliswaar in casu gaat om misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, maar dat het geweldsaspect tot uiting komt in het feit dat verdachte daarbij langdurig een mes heeft gehanteerd. Het hof verenigt zich daarnaast met de in eerste aanleg genomen beslissingen over het beslag. Het vonnis zal daarom op voornoemde onderdelen worden bevestigd. Ten aanzien van de modaliteit van de op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, de daarmee samenhangende omvang van de schadevergoedingsmaatregel en de proceskostenveroordeling komt het hof tot andere beslissingen dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Daarnaast zal het hof de beslissing van de rechtbank op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf ook in het dictum van dit arrest opnemen, nu dit in het vonnis van de rechtbank achterwege is gebleven. Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling Zoals reeds hiervoor aangegeven, bevestigt het hof hetgeen de rechtbank in haar vonnis heeft opgenomen over de strafbaarheid van verdachte en het daaruit voortvloeiende ontslag van alle rechtsvervolging. Deze conclusie heeft in eerste aanleg geleid tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. De rechtbank heeft daaromtrent onder meer het navolgende overwogen: Met betrekking tot de ernst van het feit Verdachte heeft zich op 17 augustus 2017 schuldig gemaakt aan gijzeling en bedreiging van [benadeelde partij] , een medewerkster van de NPO. Hij heeft haar met een mes op de keel gedwongen het gebouw van de NPO binnen te gaan, haar op een stoel vastgebonden en zendtijd geëist. Tijdens het wachten op een cameraploeg heeft hij herhaaldelijk dreigende teksten geuit, het mes in zijn handen gehouden en met het mes in muren gestoken. Deze situatie heeft meer dan een uur geduurd. In haar verklaring bij de politie en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren dat Van der Pompe in die tijd doodsangsten heeft uitgestaan. Zij heeft tot op heden veel last van de (psychische) gevolgen van het handelen van verdachte. Daarnaast geldt in zijn algemeenheid dat dergelijke feiten in de maatschappij en in het bijzonder bij omstanders sterke gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengen of versterken. Met betrekking tot de persoon van de verdachte en de risicotaxatie De rechtbank heeft acht geslagen op: - de pro justitia rapportage van 20 maart 2018, opgemaakt door F.R Kruisdijk, psychiater, en A. Witvliet, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum. - de pro justitia rapportage van 8 november 2018, opgemaakt door Kruisdijk en Witvliet voornoemd, en heeft daaromtrent het navolgende overwogen: In laatstgenoemde rapportage komen de deskundigen tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde onderhevig was aan symptomen van de ziekelijke stoornis schizofrenie, die niet waren behandeld en al zeker tien maanden bestonden uit een waansysteem met benadeling door de AIVD, naast hallucinaties en somato- sensore wanen. Deze symptomen zijn, na adequate instelling op het medicijn Clozapine, sinds ongeveer medio augustus 2018 in remissie. In het kader van de risicotaxatie merken zij, voor zover zij dat kunnen beoordelen op grond van de beschikbare informatie, het volgende op. De scores op de historische items zijn vooral verhoogd in combinatie met een actieve psychotische fase. Gewelddadige opvattingen zijn niet waarneembaar bij adequate behandeling. Ook de (eerdere) slechte respons van verdachte op behandeling blijkt samen te hangen met zijn ziekteproces. In klinisch opzicht lijkt er enig ziektebesef te groeien. Inzicht in zijn ziekte en zijn besef van het verband tussen het ervaren van symptomen en gewelddadig gedrag moet nog geheel bewerkt worden. Omdat het huidige functioneren van verdachte op licht verstandelijk gehandicapt niveau is, zal dat een factor van betekenis zijn bij het verwerven van meer inzicht en deelname aan preventieve behandelmethodes. (...) Het risico op gewelddadig gedrag naar anderen binnen een instelling is nihil tot laag als er geen psychotische verschijnselen optreden. Bij terugkeer naar de maatschappij en buiten een professionele behandelsetting kan het risico op gewelddadig gedrag naar anderen binnen zeer korte tijd hoog worden als verdachte terugvalt in een psychose. De gedragsdeskundigen adviseren een behandeling binnen een gespecialiseerde afdeling met kennis van psychosen, forensische problematiek en licht verstandelijk gehandicapten (LVG). Daarin dienen de intellectuele functies van verdachte en overige persoonlijkheidskenmerken, die mogelijk van belang zijn voor het risicomanagement, in kaart te worden gebracht. Als de geestelijke toestand van verdachte het toestaat kan aangevangen worden met voorlichtende gesprekken en trainingen ten aanzien van schizofrenie, waarbij het tempo niet al te hoog kan liggen. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor een delict-analyse en moet er gewerkt worden aan dagbesteding, huisvesting en financiën. Gelet op mogelijke terugval, wat klinisch eerder uitzondering dan regel is, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de medicatie zijn de deskundigen van mening dat een klinische behandeling minimaal een jaar gaat duren en zeer waarschijnlijk langer. De deskundigen adviseren een terbeschikkingstelling met voorwaarden te overwegen, mede gezien het laag ingeschatte beveiligingsniveau ten aanzien van ontvluchting en agressie naar anderen. De rechtbank heeft evenwel andere wegingen gemaakt dan die van de gedragsdeskundigen en komt, in afwijking van hun advies, tot oplegging van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Daarbij is - naast de ernst van het delict - onder meer overwogen dat de behandelresponsiviteit en de medicatietrouw van verdachte in de rapportages weliswaar als positief is aangemerkt, maar daarvan was, op het moment dat het vonnis werd gewezen, nog slechts sedert drie maanden sprake. De rechtbank heeft daarbij tevens gelet op de lange aanloopperiode van wanen en hallucinaties, die tot het delict hebben geleid. Voorts is er sprake van beperkte intellectuele vermogens en ontbreekt bij verdachte ziekte-inzicht, hetgeen volgens de deskundigen inherent is aan het ziektebeeld. De rechtbank achtte daarnaast - op grond van hetgeen daarover in de rapportages is opgenomen - de vraag gerechtvaardigd of verdachte ook op de lange duur medicatietrouw zal blijven. Indien verdachte zou stoppen met het innemen van Clozapine, zou hij volgens de gedragsdeskundigen binnen een week terugvallen in wanen en hallucinaties met het daarbij behorende hoge recidiverisico. Voorts heeft verdachte tijdens zijn tweede opname in het Pieter Baan Centrum weliswaar naar vermogen meegewerkt aan het onderzoek, maar vele aspecten van zijn persoon zijn nog onbekend gebleven. Aldus het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep Het namens verdachte ingestelde hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de in eerste aanleg opgelegde terbeschikkingstellingsmodaliteit. Door de verdediging is aan het hof verzocht om de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden opnieuw in kaart te laten brengen. Ter terechtzitting van het hof van 11 juli 2019 zijn de gedragsdeskundigen en opstellers van de beide rapportages, F.R. Kruisdijk, psychiater, en A. Witvliet, GZ-psycholoog, daartoe als deskundige gehoord. Hun verklaringen zijn weergegeven in het proces-verbaal van die terechtzitting. Zij persisteren bij hun advies om verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Zij geven daarbij aan dat het om een bekennende verdachte gaat, die wil voorkomen dat hij opnieuw overgaat tot het plegen van een dergelijk delict en daarvoor behandeld wil worden. Er zijn risicobeperkende factoren en hij heeft een sociaal netwerk om zich heen in de vorm van zijn familie. Als verdachte zijn medicatie vergeet of weigert is dat bij controle direct zichtbaar. Het beveiligingsniveau in een FPA wordt door de deskundigen voldoende geacht, ook in geval van een eventuele terugval in een later stadium van de behandeling. Op verzoek van de verdediging en met instemming van de advocaat-generaal heeft het hof op 11 juli 2019 het onderzoek ter terechtzitting geschorst om de reclassering een zogeheten maatregelrapport te doen opmaken. Dit rapport van 29 oktober 2019 is (mede) onderwerp van bespreking geweest ter terechtzitting van het hof van 9 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.