Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001935-17 Uitspraak d.d.: 18 december 2019 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2017 met parketnummer 05-980628-13 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 november 2019 en 18 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. N. van Schaik, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 18 december 2019 (parketnummer 21-001424-16) veroordeeld ter zake van onder meer oplichting, meermalen gepleegd (feit 1). Op grond van artikel 36e lid 6 (oud) van het Wetboek van Strafrecht worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Onder die bepaling hoeft de vordering niet te zijn voldaan. ABN AMRO heeft zich in de hoofdzaak als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Het hof heeft die vordering toegewezen tot een bedrag van € 7.019,544,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.