Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000503-18 Uitspraak d.d.: 24 december 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2018 met parketnummer 16-025116-17 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1987] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 2 november 2018 en 13 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van dat wat door verdachte en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewijsbeslissing komt. Daarnaast komt het hof wat betreft de strafbaarheid van verdachte tot een andere beslissing. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 18 december 2016 te Bunschoten-Spakenburg, gemeente Bunschoten, althans in arrondissement Midden-Nederland, één of meer ambtena(a)r(en), [ambulancemedewerker] (ambulance verpleegkundige in het gebied Utrecht) en/of een onbekend gebleven persoon (ambulance verpleegkundige), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening heeft mishandeld door: -die [ambulancemedewerker] eenmaal in zijn zij, althans het lichaam, te schoppen en/of -die onbekend gebleven persoon (hard) te duwen. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Feitenweergave Op 18 december 2016 krijgt een aantal ambulancemedewerkers de melding te gaan naar de [adres] in Bunschoten, omdat iemand op dat adres een epileptisch insult zou hebben gekregen en agressief zou zijn. Ter plaatse aangekomen treffen de ambulancemedewerkers verdachte aan, die op dat moment in een kinderbedje ligt. Verdachte geeft desgevraagd aan de ambulancemedewerkers aan dat hij niet mee wil naar het ziekenhuis. Verdachte kan niet duidelijk aangeven waarom hij niet mee wil. Ambulancemedewerker [ambulancemedewerker] zegt vervolgens tegen verdachte dat hij mee moet naar het ziekenhuis voor onderzoek, omdat hij een gevaar is voor zichzelf en voor anderen. Een andere ambulancemedewerker zegt tegen verdachte dat zonodig bijstand van de politie zal worden ingeroepen. De politie is vervolgens ter plaatse gekomen, waarbij de agenten op aangeven van [ambulancemedewerker] verdachte willen boeien. Er ontstaat een worsteling tussen verdachte en de agenten. Tijdens deze worsteling krijgt een andere ambulancemedewerker een duw van verdachte, waardoor deze haar linker elleboog bezeert. [ambulancemedewerker] besluit dan de agenten te assisteren bij het onder controle krijgen en boeien van verdachte. Terwijl de agenten de boeien omdoen bij verdachte, trapt verdachte [ambulancemedewerker] in diens rechterzij. Hij voelt daardoor pijn. Na controle in het ziekenhuis blijkt [ambulancemedewerker] een gekneusde rib te hebben overgehouden aan de trap. Verdachte is verhoord door de politie en heeft tijdens dit verhoor, net als ter terechtzitting van de politierechter en het hof, verklaard zich niets van het voorval te herinneren tot het moment waarop hij weer thuis was met zijn vriendin en hij merkte dat hij geen schoenen aan had. Partiële vrijspraak feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.