GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.202.493/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/157909 / HA ZA 15-143) arrest van 12 februari 2019 in de hoofdzaak en het incident in de zaak van Rechtsanwalt Jens Lieser kantoorhoudend in Koblenz, Duitsland,in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar Duits rechtFranzen Ingenieur- und Montagebau GmbH, gevestigd te Kottenheim, Duitsland,appellante, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna: de curator en Franzen,advocaat: mr. R.J. Leijssen, kantoorhoudend te Enschede, tegen Hoogwerktechniek Noord Nederland BV, gevestigd te Steenbergen, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: HTNN, advocaat: mr. M.J.S. van der Vorst, kantoorhoudend te Amsterdam. Het hof verwijst naar de inhoud van het tussenarrest van 20 maart 2018. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Bij genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast, die op 1 november 2018 heeft plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. 1.2 Voorafgaand aan de comparitie heeft mr. Leijssen het hof middels een H16 formulier, binnengekomen bij het hof op 31 oktober 2018, bericht dat Franzen bij besluit van het Amtsgericht Mayen van 1 oktober 2018 in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van Rechtsanwalt Jens Lieser tot Insolvenzverwalter (hierna de curator) en dat de curator hem heeft verzocht de procedure namens hem voort te zetten en de zitting van 1 november 2018 waar te nemen. 1.3 Na de comparitie heeft de curator een akte uitlaten genomen en HTNN een antwoord-akte uitlaten. HTNN heeft bij laatstgenoemde akte een incidentele vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingesteld. 1.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald in het incident en in de hoofdzaak. 2De vaststaande feiten 2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het (bestreden) vonnis van de rechtbank. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep is komen vast te staan, gaat het om het volgende. 2.2 HTNN is een onderneming die zich bezighoudt met het verhuren en monteren van hoogwerksystemen zoals hangbruginstallaties, hoogwerkers en steigers. 2.3 Franzen maakt deel uit van een groot aannemingsconcern en houdt zich bezig met het ontwerpen en aanbrengen van gevels aan en dakbedekkingen op gebouwen met een industriële functie. 2.4 In de periode 2011-2015 heeft Franzen in opdracht van RWE Power AG gevelbekleding en dakbedekking voor de steenkoolenergiecentrale in de Eemshaven vervaardigd en geplaatst. 2.5 Met betrekking tot de hiervoor onder 2.4 genoemde werkzaamheden hebben HTNN en Franzen op 14 april 2011 een (schriftelijke) overeenkomst gesloten ("Mietvertrag"). Van deze overeenkomst maken als bijlagen onderdeel uit: 1) het voorafgaande aanbod van HTNN van 27 februari 2011 ("Angebotsaufforderung"), welk aanbod door Franzen is samengevat in 2) de zogenaamde "Auftrags-Leistungsverzeichnis" en 3) het "Verhandlungsprotokoll" van 11 maart 2011. De overeenkomst betreft de verhuur van hoogwerksystemen en het leveren van arbeid in de vorm van opbouwen en afbreken van de hoogwerksystemen door HTNN aan/ten behoeve van Franzen. 2.6 In de "Angebotsaufforderung" en in de "Auftrags-Leistungsverzeichnis" zijn onder meer de volgende, gelijkluidende, omschrijvingen met eenheidsprijzen gegeven: "1.1.10. (...) Lieferung, montage und Inbetriebsetzung einer Hänge-Arbeitbühne auf der Baustelle Eemshaven (NL), einschl. Materialwinde (…) € 600,00 (...) 1.1.20 (…) Mietpreis je Woche fur eine Hänge-Arbeitsbühne (…) € 280 1.1.30. (...) Umsetzung einer Hänge-Arbeitsbühne innerhalb eines Gebäudes die bereits gelieferten und funktionstüchtig montierten Hänge-Arbeitsbühne, demontieren, innerhalb des Gebäudes transportieren und gem. den Vorgaben des AG montieren und inbetriebsetzen, einschl. Materialwinde € 360 (…) 1.2.10 Mietpreis Materialwinde (…) € 125" 2.7 In het "Verhandlungsprotokoll" is op pagina 4. onder andere het volgende opgenomen. "1.1.10. und 1.1.30. einschl. Materialwinde" 2.8 In de periode 6 december 2013 tot en met 21 maart 2015 heeft HTNN diverse facturen aan Franzen gezonden welke, na aftrek van twee creditfacturen en een betaling, een beloop hebben van € 124.936,70. Voorts zijn na het uitbrengen van de dagvaarding zeven facturen verzonden en één creditfactuur met een beloop van per saldo € 7.777,09. In totaal gaat het om € 132.713,79. 2.9 Vanaf het voorjaar 2014 heeft HTNN diverse aanmaningen c.q. ingebrekestellingen aan Franzen gezonden. Omdat Franzen daaraan geen gevolg gaf, heeft HTNN Franzen gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. 3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 HTNN heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd (in het incident) om bij wijze van voorlopige voorziening Franzen te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 31.432,93 als voorschot op het gevorderde in de hoofdzaak en voorts (in de hoofdzaak in conventie na vermeerdering van eis) om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en vergezeld van een certificaat betreffende een beslissing in burgerlijke en handelszaken volgens EU verordening 1215/2012 van 12 december 2012, Franzen te veroordelen tot betaling van € 132.713,79, te vermeerderen met een toeslag op grond van haar algemene voorwaarden, wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten. 3.2 Franzen heeft in eerste aanleg (in reconventie) kort samengevat gevorderd voor zover verrekening niet plaatsvindt en/of de reconventionele vordering de vordering in conventie overstijgt, HTNN bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van € 507.735,74, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en proceskosten. 3.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 7 september 2016 Franzen in conventie veroordeeld tot betaling aan HTNN van € 132.713,79, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 28 april 2015, alsmede tot betaling van proceskosten en nakosten. Voorts heeft de rechtbank verstaan dat een certificaat ex artikel 53 van de EU-Verordening 1215/2012 separaat zal worden afgegeven. Het meer of anders door HTNN gevorderde is afgewezen. De vorderingen van Franzen in reconventie zijn afgewezen, met veroordeling van Franzen in de proceskosten. 3.4 Franzen heeft uitvoering gegeven aan de vonnissen van de rechtbank in het incident en in de hoofdzaak en heeft de vordering van HTNN inmiddels volledig voldaan. 4De bevoegdheid en het toepasselijke recht 4.1 Het gaat hier om een internationale handelszaak, waarvan beide partijen zijn gevestigd in een EU-lidstaat en waarin de rechtsvordering na 10 januari 2015 aanhangig is gemaakt. Dat betekent dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de ‘herschikte’ Verordening EU 1215/2012 (hierna: Brussel I-bis). De vordering van HTNN in conventie betreft een verbintenis uit overeenkomst die in Nederland (in de Eemshaven) ten uitvoer is gelegd. De vordering van Franzen uit hoofde van onverschuldigde betaling houdt verband met dezelfde overeenkomst. Op grond van de artikelen 5 en 7 lid 1 van Brussel I-bis, komt het hof bevoegdheid toe. 4.2 Uit artikel 4 lid 1b van de Verordening (EG) nr. 593/2008 (hierna: Rome-I) vloeit voort dat de overeenkomst van dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener (HTNN) zijn gewone verblijfplaats heeft. Derhalve is Nederlands recht van toepassing. 4.3 Op grond van artikel 15 van de EU-Insolventieverordening worden de gevolgen van de insolventieprocedure voor een lopende rechtsvordering uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar deze rechtsvordering aanhangig is. Derhalve is Nederlands recht van toepassing ten aanzien van de gevolgen van het faillissement van Franzen voor de onderhavige vordering. 5De beoordeling van de vordering in het incident 5.1 HTNN heeft bij antwoord-akte uitlaten van 18 december 2018 een vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten, als bedoeld in artikel 224 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld. 5.2 Op grond van het bepaalde in artikel 353 lid 2 Rv dient de zekerheid in hoger beroep echter te worden gevorderd vóór alle weren, derhalve voor of bij de memorie van antwoord, op straffe van verval van de mogelijkheid daartoe. De incidentele vordering komt reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking. 5.3 Ten overvloede voegt het hof daar nog aan toe dat in lid 2 van artikel 224 Rv uitzonderingen worden gegeven op het in lid 1 bepaalde. Zo bestaat de verplichting tot zekerheidstelling niet indien een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag, een EG-verordening of een wet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft (art. 224 lid 2 sub b Rv). Die uitzondering doet zich hier voor omdat degene van wie zekerheidstelling wordt gevorderd woonplaats heeft in Duitsland, zodat een eventuele proceskostenveroordeling in Duitsland executabel is op grond van de ‘herschikte’ Verordening EU nr. 1215/2012 (Brussel-I bis). 5.4 Voor zover HTNN zich in haar antwoord-akte uitlaten op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheid dat de curator in verband met het faillissement geen financieel risico loopt en feitelijk door procedeert ten koste van HTNN, ‘aanleunt’ tegen misbruik van bevoegdheid, overweegt het hof dat in het algemeen niet kan worden gezegd dat het onrechtmatig is een procedure te starten of een rechtsmiddel in te stellen als de proceskosten niet worden voldaan. De lat voor misbruik van procesrecht ligt hoog. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012 ECLI:HR:2012:BV7828). Niet gesteld of gebleken is dat een zodanige situatie zich in dit geval voordoet. 6. De beoordeling van de grieven en de vordering in de hoofdzaak 6.1 Franzen heeft in hoger beroep gevorderd om bij arrest uitvoerbaar bij voorraad: “I. Het vonnis van 7 september 2016 te vernietigen en de vorderingen van geïntimeerde (eiseres in eerste aanleg) alsnog af te wijzen en appellante [het hof verstaat: geïntimeerde] te veroordelen de somma van € 507.735,74 te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2016, de dag van het indienen van de conclusie van eis in reconventie.II. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties.” 6.2 Ingevolge artikel 29 Faillissementswet is het geding van rechtswege geschorst voor zover het de vordering (in oorspronkelijk conventie) van HTNN op Franzen betreft. Voor zover de grieven van Franzen strekken tot vernietiging van het in conventie gewezen vonnis, komen die thans niet voor behandeling in aanmerking.Het geding wordt evenwel voortgezet voor zover het de vordering van Franzen op HTNN betreft nu de curator te kennen heeft gegeven het geding over te nemen (artikel 27 lid 3 Faillissementswet). 6.3 Franzen, die de vordering van HTNN na het vonnis van de rechtbank heeft voldaan, heeft zich (in oorspronkelijk reconventie) op het standpunt gesteld dat van alle betalingen die zij in de periode 2012-2015 aan HTNN heeft gedaan een deel, namelijk € 382.962,31, onverschuldigd is verricht. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat HTNN meer materialen in rekening heeft gebracht dan zij aan Franzen heeft geleverd en dat HTNN ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht voor de levering van “Material-Winde” (hierna: lieren). Daarnaast heeft Franzen een bedrag van € 124.773,43 aan schadevergoeding wegens wanprestatie van HTNN gevorderd. Franzen heeft aangevoerd dat HTNN tekort is geschoten in haar verplichting om steigers naar een andere locatie op het bouwproject te verplaatsen waardoor Franzen genoodzaakt was derden in te schakelen en ter zake kosten te maken. Deze vorderingen van Franzen liggen in dit hoger beroep ter beoordeling voor. Het hof zal de grieven van Franzen in dat kader bespreken. 6.4 Grief 1 is gericht tegen rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de klachten van Franzen over de facturen van HTNN buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat Franzen niet heeft voldaan aan de klachtplicht (art. 6:89 BW). 6.5 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 6:89 BW houdt in dat een schuldeiser die een gebrekkige prestatie ontvangt binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken dient te protesteren, op straffe van verval van bevoegdheden. Het artikel ziet alleen op ondeugdelijke nakoming; als er in het geheel niet is gepresteerd is toepassing van de bepaling niet aan de orde (HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3531). Niet als een prestatie in de zin van het artikel geldt het opstellen en het toezenden van een factuur (HR 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1565). De klachtplicht is derhalve niet van toepassing op de klachten die Franzen heeft geuit over de facturen van HTNN. 6.6 Grief 1 is terecht voorgedragen. Of dat ook tot vernietiging van het in reconventie gewezen vonnis zal leiden, zal uit de verdere beoordeling blijken. 6.7 Grief 2 is gericht tegen rechtsoverweging 4.7 van het vonnis waarin de rechtbank heeft overwogen:“Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien de onderhavige klachten al moeten worden aangemerkt als te zijn gericht tegen de factuur, dit niet wil zeggen dat na aanvang van deze procedure nog geklaagd kan worden over de factuur. De Hoge Raad heeft immers in het door Franzen aangehaalde arrest overwogen dat weliswaar artikel 6:89 BW in dat geval niet van toepassing is, maar dat er wel sprake kan zijn van rechtsverwerking.” 6.8 Franzen is van oordeel dat de rechtbank hier ten onrechte de suggestie wekt dat sprake is van rechtsverwerking, terwijl rechtsverwerking niet kan worden gebaseerd op louter tijdverloop. 6.9 HTNN betoogt dat Franzen zich ten onrechte op dat standpunt stelt omdat Franzen haar rechten heeft verwerkt “door stilzitten waar optreden was vereist”. 6.10 Het hof overweegt als volgt. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (vgl. onder meer HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635, NJ 1998/621 en HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543, NJ 2013/317). Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid (vgl. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574). 6.11 HTNN, die zich op rechtsverwerking door Franzen beroept, heeft in dit verband (mva 30) echter niet meer aangevoerd dan dat Franzen haar rechten heeft verwerkt door stilzitten. Nu zij daarnaast geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in rov 6.10 heeft gesteld, verwerpt het hof het beroep op rechtsverwerking. 6.12 Grief 2 is terecht voorgedragen. Of dat tot vernietiging van het vonnis zal leiden, zal uit de verdere beoordeling blijken. 6.13 Grief 3 is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de vordering van HTNN. Nu het geding ten aanzien van die vordering geschorst is, komt het hof aan de bespreking van die grief nu niet toe. 6.14 Ter zake van de stelling van Franzen dat HTNN haar in de periode 2012-2015 voor een bedrag van € 382.962,31 teveel aan materiaal in rekening heeft gebracht, overweegt het hof het volgende. 6.15 Franzen heeft gesteld dat dit bedrag voor een deel bestaat uit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.