Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003755-18 Uitspraak d.d.: 14 februari 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2018 met parketnummer 16-700061-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1974] , thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, voor zover aan hoger beroep onderworpen, bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen en de vorderingen van de benadeelde partijen beslist conform het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 20 juni 2018 vrijgesproken van het vertonen van afbeeldingen aan zijn minderjarig kind, waarvan de vertoning schadelijk is te achten. Voor zover het hoger beroep gericht is tegen deze vrijspraak wordt verdachte daarin niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft verdachte ter zake van ontuchtige handelingen, gepleegd met zijn drie minderjarige kinderen, waaronder ten aanzien van één kind tevens begrepen seksueel binnendringen, het vervaardigen van kinderporno, het in bezit hebben van kinderporno en overtreding van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. De inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder een groot aantal gegevensdrager, zijn onttrokken aan het verkeer. De vorderingen van de drie benadeelde partijen zijn volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof kan zich verenigen met de door de rechtbank vastgestelde bewezenverklaring, de daartoe gebezigde bewijsmiddelen en -overwegingen, de kwalificaties, de beslissingen over het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook in zoverre worden bevestigd. Op de ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren zal het hof, voor zover niet reeds in eerste aanleg aan de orde gekomen en weerlegd in het vonnis van de rechtbank, door middel van aanvullende overwegingen ingaan. Met betrekking tot de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat deze de bewezenverklaring op zichzelf in voldoende mate ondersteunen. Het hof zal deze niettemin aanvullen, in het bijzonder met de zichzelf belastende verklaringen die door verdachte bij meerdere gelegenheden zijn afgelegd en waaraan naar het oordeel van het hof een zodanig gewicht moet worden toegekend dat deze aan de overige bewijsmiddelen zoals door de rechtbank gehanteerd, dienen te worden toegevoegd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot het bewijs en de strafbaarheid van het onder verdachte aangetroffen wapen met bijbehorende munitie, zoals ten laste gelegd onder 6, noopt niet tot een bespreking van de gevoerde verweren, anders of meer dan reeds door de rechtbank in haar vonnis is gedaan. Voor wat betreft de in eerste aanleg opgelegde straf komt het hof tot een ander oordeel. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook op dat onderdeel worden vernietigd. Voor zover de raadsman zich op het standpunt heeft gesteld dat vorderingen van de benadeelde partijen, de drie kinderen [verdachte] , op een niet rechtsgeldige wijze zijn ingediend, overweegt het hof het navolgende. De vorderingen zijn ingediend door de moeder van de kinderen, [ex-echtgenote] . Zij had op dat moment - en volgens informatie van haar gemachtigde ter terechtzitting thans nog steeds nu het hoger beroep in de betreffende procedure nog lopende is - het wettelijk gezag over de kinderen en was derhalve gerechtigd tot indiening van de vorderingen. Ongeacht haar huidige gezagspositie loopt die bevoegdheid op grond van artikel 421 lid 2 Wetboek van Strafvordering van rechtswege door. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt derhalve verworpen. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn voor het overige niet inhoudelijk betwist. Schending van het beginsel van 'equality of arms' (artikel 6 van het EVRM) De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM heeft gehad en zal krijgen, omdat - zo begrijpt het hof - stukken en/of gegevensdragers en/of geluidsfragmenten, die ontlastende informatie zouden bevatten, door toedoen van de politie zouden zijn kwijtgeraakt en/of vernietigd. Daardoor zou verdachte een belangrijke kans zijn ontnomen om zijn onschuld aan te tonen dan wel de tegen hem gedane beschuldigingen in een ander daglicht te plaatsen. Daargelaten het feit dat de raadsman aan dit (formele) verweer geen conclusie heeft verbonden leidt het hof uit de onderbouwing daarvan af dat deze informatie geen betrekking heeft op hetgeen verdachte ten laste is gelegd. Het zou daarbij kennelijk met name gaan om de uiterst moeizame verstandhouding die verdachte al jaren heeft met jeugdzorginstanties en bij zijn kinderen betrokken pleegouders. Ook zou uit de niet meer te achterhalen informatie blijken dat er tussen hem en zijn kinderen geen sprake is van spanningen en zij juist graag bij hun vader zijn. Het hof verwerpt het door en namens verdachte gevoerde verweer dan ook wegens gebrek aan relevantie, concrete onderbouwing en controleerbaarheid. De betrouwbaarheid van de door de kinderen afgelegde verklaringen Voor zover de raadsman de betrouwbaarheid van de met name door [kind 1] , maar ook door [kind 2] en [kind 3] , afgelegde verklaringen in twijfel trekt, baseert hij zich op enkele uit hun context gehaalde opmerkingen over hun denkwereld van betrokken derden, zoals de gezinsvoogd en één van de pleegmoeders. Het hof stelt vast dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd de door hem getrokken conclusie, als zouden de verklaringen van de kinderen onbetrouwbaar zijn en zou er nimmer sprake zijn geweest van seksueel misbruik, niet kan dragen. [kind 1] heeft hetgeen haar jarenlang is overkomen aan haar pleegmoeder verteld, vervolgens aan de eerdergenoemde gezinsvoogd [gezinsvoogd] en uiteindelijk in een tweetal studioverhoren. Zij heeft bij al die gelegenheden gedetailleerd en consistent verklaard over de door haar vader gepleegde handelingen. Het hof verwijst voor wat betreft de aanleiding tot haar 'disclosure' en de inhoud van haar verklaringen naar hetgeen daarover door de rechtbank in haar vonnis is opgenomen. Het vorenstaande geldt in vergelijkbare mate voor [kind 2] en [kind 3] , zij het dat [kind 3] door zijn zeer jeugdige leeftijd een meer beperkte woordenschat tot zijn beschikking had. Naar het oordeel van het hof wordt de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen bovendien bevestigd door de hierna opgenomen verklaringen van verdachte zelf en het aangetroffen beeldmateriaal. Het bedoelde materiaal heeft immers door de aard van de getoonde handelingen een expliciet seksuele strekking. De verklaring van verdachte dat hij de opnames heeft gemaakt met een medisch doel acht het hof, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, daarom ook ongeloofwaardig. Aanvulling bewijsmiddelen Het hof constateert dat verdachte sterk wisselend en innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over met name het hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, te weten de met zijn kinderen gepleegde seksuele handelingen en de opnames die hij daarvan heeft gemaakt. Het hof leidt uit de inhoud van de betreffende processen-verbaal van politie niet af dat er op enigerlei wijze sturend door verbalisanten is opgetreden. Integendeel, verdachte is eigener beweging en, na te zijn geconfronteerd met de onder 3 ten laste gelegde afbeeldingen, op verschillende momenten met aanvullende informatie gekomen, waarvan de inhoud aansluit op hetgeen uit de studioverhoren van zijn kinderen en de namens hen gedane aangiftes naar voren is gekomen. Die verklaringen van verdachte acht het hof geloofwaardig en die voegt het hof toe aan de in het vonnis van de rechtbank opgenomen en door het hof bevestigde bewijsmiddelen. Aan het feit dat verdachte per mailbericht van 16 mei 2016 (dossierpagina 191) aan de hem verhorende verbalisanten deze verklaringen heeft ingetrokken - hij zou suïcidaal zijn geweest en uit onverschilligheid voor zijn leven belastend over zichzelf hebben verklaard - kent het hof, net als de rechtbank, geen betekenis toe. Op latere momenten heeft verdachte immers de eerder afgelegde verklaringen wel weer herhaald.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.