GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.221.391 (zaaknummer rechtbank Gelderland 305747) beschikking van 21 maart 2019 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. M.M. van Eeten te Den Helder, en [verweerster] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. S. Usanmaz te Arnhem. Als overige belanghebbende is aangemerkt: mr. I.P. Rietveld, in haar hoedanigheid van bijzondere curator, gevestigd te Arnhem, verder te noemen: de bijzondere curator. 1Het verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 20 februari 2018 verwijst het hof naar zijn beschikking van die datum. 1.2 Het hof heeft in de beschikking van 20 februari 2018 de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de vragen of vervangende toestemming van [kind] door de vader en het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [kind] in het belang van [kind] is. De raad heeft naar aanleiding van dit verzoek onderzoek verricht en het rapport van 16 augustus 2018 (verder te noemen: het raadsrapport) opgesteld. 1.3 De nadien ingekomen stukken zijn: - het raadsrapport van 16 augustus 2018; - een journaalbericht van mr. Van Eeten van 3 september 2018 met één brief; - een faxbericht van mr. Usanmaz van 28 november 2018 met een journaalbericht van 30 augustus 2018; - een journaalbericht van de bijzondere curator van 30 november 2018 met één brief; - een journaalbericht van mr. Usanmaz van 4 februari 2019 met één brief en (ongenummerde) producties. 1.4 Op 12 februari 2019 is de mondelinge behandeling voortgezet. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen. Voorts is de bijzondere curator verschenen. 2De motivering van de beslissing 2.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 20 februari 2018, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning de aanvullende/gewijzigde standpunten van de ouders, de bijzondere curator en de raad 2.2 De raad heeft in het raadsrapport van 16 augustus 2018, kort gezegd, geadviseerd het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van [kind] door de vader af te wijzen, omdat erkenning een ongestoorde relatie tussen de moeder en [kind] in de weg staat. De raad acht het noodzakelijk dat eerst passende hulp voor beide ouders en voor [kind] zelf wordt ingezet. In afwachting van de uitkomsten van de in te zetten hulpverlening heeft de raad het hof in overweging gegeven om de beslissing over de vervangende toestemming voor erkenning aan te houden voor de periode van zes maanden. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2019 heeft de raad zijn advies gewijzigd. Gezien de hulpverlening die inmiddels is ingezet en het recht van [kind] om te weten wie zijn vader is, adviseert de raad thans aan het hof wél de vader vervangende toestemming voor erkenning van [kind] te verlenen. 2.3 De vader heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – het hof schriftelijk verzocht om de zaak voor een periode van zes maanden aan te houden om de ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode de door de raad noodzakelijk geachte hulpverlening in te roepen. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2019 heeft de vader het hof verzocht het gewijzigde advies van de raad te volgen en aan hem vervangende toestemming tot erkenning te verlenen. 2.4 De moeder heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – het hof schriftelijk verzocht om de zaak af te doen en het verzoek van de vader af te wijzen. Daarbij heeft zij te kennen gegeven in te stemmen met het advies in het raadsrapport, dat erkenning niet in het belang is van haarzelf en [kind] , en dat zij het niet eens is met een eventuele aanhouding van de zaak voor een periode van zes maanden. Volgens de moeder zal aanhouding van de zaak stress en paniek meebrengen voor haar, hetgeen zijn weerslag heeft op de relatie tussen haar en [kind] en op de in te zetten behandelingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoeken gehandhaafd. 2.5 De bijzondere curator heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – haar advies de vader toestemming te verlenen tot erkenning van [kind] gehandhaafd. Zij is het niet eens met een aanhouding van de zaak. de beoordeling 2.6 Op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, voor zover hier van belang, de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker is van het kind. 2.7 Vaststaat dat [kind] de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en de vader de verwekker is van [kind] . Voor de beantwoording van de vraag of voor het overige is voldaan aan de wettelijke vereisten als genoemd onder rechtsoverweging 2.6, komt het aan op een afweging van het belang van de vader om te erkennen tegenover de belangen van de moeder en de minderjarige bij het niet-erkennen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. De moeder heeft er belang bij dat zij een ongestoorde relatie met haar kind kan hebben. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien een reëel risico bestaat dat het kind door de erkenning door de vader wordt belemmerd in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer erkenning ertoe zou leiden dat de moeder daardoor in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Enige weerstand van de kant van de moeder is onvoldoende om het verzoek tot erkenning te kunnen afwijzen. Bij de afweging van de belangen dient daarbij mede in aanmerking te worden genomen dat het noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting over toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is. 2.8 Voor de belangenafweging acht het hof het volgende van belang. Ten aanzien van [kind] is gebleken dat hij goed in zijn vel zit en dat sprake is van een sterke band tussen hem en de moeder. [kind] maakt in veel opzichten een positieve ontwikkeling door. Wel heeft hij angst om alleen te slapen. De raad en de bijzondere curator benoemen dat het belangrijk is dat [kind] weet wie zijn vader is. Zij achten het nodig dat aan [kind] de ruimte wordt gegeven om vragen te stellen over zijn vader. De raad heeft speltherapie voor [kind] geadviseerd om te onderzoeken of [kind] gevoelsmatig worstelt met nare herinneringen uit het verleden, wat zijn beleving is ten aanzien van zijn vader én om meer duidelijkheid te krijgen over wat [kind] nodig heeft om sociaal en emotioneel een positieve ontwikkeling te (blijven) doormaken. De moeder heeft het intakeverslag en het behandelplan voor [kind] van psychologenpraktijk [x] in het geding gebracht, ondertekend door de moeder op 30 januari 2019. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat [kind] inmiddels drie keer bij de speltherapie is geweest. Ten aanzien van de moeder is gebleken dat zij angst- en stressklachten heeft, die volgens haar verband houden met gebeurtenissen die tijdens haar relatie met de vader hebben plaatsgevonden. Zij heeft hiervoor in het verleden weerbaarheidstraining gehad en gesprekken gevoerd bij [stichting] . Verder heeft zij nog steeds fysiotherapie. De raad heeft geconstateerd dat de tot nu toe ingezette begeleiding niet heeft bewerkstelligd dat de angsten bij de moeder voor de vader na drieënhalf jaar zijn verminderd. Doordat de moeder de ernstige gebeurtenissen uit het verleden nog niet heeft kunnen verwerken, wordt zij gehinderd in haar functioneren en kan zij [kind] niet de ruimte bieden om zelf een beeld van de vader te vormen of toestemming te geven voor contact, zo staat in het raadsrapport. De raad heeft aan de moeder psychische begeleiding geadviseerd, gericht op haar angsten en trauma’s en op het leren haar eigen negatieve gevoelens en frustraties over de vader een plek te geven. De moeder heeft haar behandelplan van [y] GGZ overgelegd en heeft verklaard dat zij daar inmiddels twee maal voor behandeling is geweest. Ten aanzien van de vader heeft de raad in zijn raadsrapport geadviseerd, dat hij begeleiding dient te zoeken die er op is gericht te leren accepteren dat de moeder een belangrijke rol vervult in het leven van [kind] en dat hij niet om haar heen kan in verband met zijn wens om een band met [kind] op te bouwen. Daarnaast heeft de raad geadviseerd dat de vader door middel van psycho-educatie leert aan te sluiten bij de behoeften van [kind] en zich leert te verplaatsen in de beleving van [kind] . De vader heeft verklaard dat hij naar aanleiding van het raadsadvies hulp heeft gezocht in de vorm van gesprekken met maatschappelijk werk bij MEE & de Wering in Den Helder. De gesprekken vinden ongeveer één keer per maand plaats. Hij heeft inmiddels zes gesprekken gehad en de hulpverlening zal doorgaan zolang dat nodig is, aldus de vader. 2.9 Zonder te oordelen dat de beschuldigingen van fysieke en geestelijke mishandeling, die de moeder jegens de vader heeft geuit en die de vader heeft betwist, op waarheid berusten, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van angst- en stressklachten bij de moeder die verband houden met de vader. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat de moeder onrust ervaart als gevolg van de gerechtelijke procedures over erkenning en omgang. Het hof is evenwel – overeenkomstig het gewijzigde advies van de raad – van oordeel dat gezien de passende hulpverlening die voor de moeder, de vader en [kind] thans is ingezet (hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 2.8), het risico dat door de erkenning de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [kind] in het gedrang komt en/of de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind] worden geschaad voldoende wordt ondervangen. Bovendien is gebleken dat sprake is van een goede band tussen de moeder en [kind] en dat [kind] zich goed ontwikkelt en zijn er geen aanwijzingen dat de (gerechtelijke procedure(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.