← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2019:2627

TBS P19/0036 Beslissing d.d. 21 maart 2019 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [naam terbeschikkinggestelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans verblijvende in [instelling 1] , Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 18 december 2018, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar. Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder: - het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 28 december 2018; - de aanvullende informatie van GGZ Reclassering Limburg van 19 februari

  1. - het voortgangsverslag toezicht van GGZ Reclassering Limburg van 20 februari
  2. Het hof heeft ter zitting van 7 maart 2019 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.H.E. Wanrooij, advocaat te 's-Gravenhage, en de advocaat-generaal mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit. Overwegingen Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman De rechtbank heeft destijds in haar veroordelend vonnis geoordeeld dat er geen sprake was van een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen, zodat de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaar niet te boven kan gaan. Ook bij de vorige verlenging van de maatregel heeft de rechtbank Den Haag bij beslissing van 10 januari 2017 gesproken over de gemaximeerde maatregel. Met die wetenschap heeft de terbeschikkinggestelde die beslissing van de rechtbank geaccepteerd, wetende dat de maatregel in 2018 zou aflopen. Er is geen enkele aanleiding geweest in de tussentijd om weer een verlenging te vragen. De terbeschikkinggestelde beheert zijn eigen geldzaken en werkt drieënhalve dag in de week. Hij gebruikt geen drugs en ervaart ook geen zucht. Hij heeft tijdens zijn transmurale verlof bewezen voor zichzelf te kunnen zorgen en ook tijdens het verlof de voorwaarden te respecteren. Het recidiverisico wordt door alle instanties als laag beschouwd. Er is geen gevaar meer voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en/of goederen. Er is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, abus de pouvoir dan wel zelfs détournement de pouvoir, nu er in strijd met de letter en de geest der wet, waaronder de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Stafrecht, wordt gehandeld. De verdediging heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel. Het standpunt van het openbaar ministerie Er is sprake van een gemaximeerde terbeschikkingstelling, gelet op het vonnis van de rechtbank. Artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht ziet echter alleen op de maximering van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. In casu is de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd, zodat verlenging mogelijk is. Uiteindelijk is het doel om de terbeschikkinggestelde te laten uitstromen naar een instelling voor begeleid wonen. De vraag is alleen of daartoe mogelijkheden zijn in de [regio] . Kijkend naar de stoornis en het nog aanwezige recidivegevaar is verlenging van de maatregel voor de duur van één jaar aangewezen. De bijzondere voorwaarden dienen te worden aangevuld met de door de reclassering geformuleerde voorwaarde betreffende het meewerken aan een ambulante behandeling. Het oordeel van het hof Verlenging van de terbeschikkingstelling Op grond van artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de termijn van de terbeschikkingstelling telkens met hetzij een jaar hetzij met twee jaar worden verlengd, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist, behoudens het bepaalde in artikel 38e of artikel 38j van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat de totale duur van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven, tenzij deze is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel is in casu op 10 december 2014 ingegaan. Gelet op het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 november 2014, waarbij de maatregel is opgelegd, is de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege in dit geval gemaximeerd tot vier jaar. Bij beslissing van 10 december 2017 heeft de rechtbank Den Haag de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd. De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege heeft derhalve nog geen vier jaar geduurd. Ingevolge artikel 38j van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat luidt sinds 1 januari 2017, en artikel IV van de Wet langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking (Stb 2015, 460) kan in geval van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, die na 1 januari 2017 heeft plaatsgevonden, de terbeschikkingstelling telkens met een jaar, dan wel met twee jaren, worden verlengd. De stelling van de raadsman, inhoudende dat de maatregel ook in het geval dat de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd, is beperkt tot vier jaren, vindt gezien hetgeen hiervoor is overwogen geen steun in het recht. Van schending van het vertrouwensbeginsel, abus de pouvoir dan wel détournement de pouvoir, is geen sprake. Recidiverisico Het hof neemt in aanmerking dat uit de aanvullende rapportage blijkt dat bij het wegvallen van een kader het recidiverisico op terugval in delicten vergelijkbaar met het indexdelict op de lange termijn kan oplopen tot matig en hoog. Het hof maakt die inschatting tot de zijne. Bevestiging Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van een jaar. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden en aanvulling van de gronden als voormeld worden bevestigd, met dien verstande dat het hof de bijzondere voorwaarden zal wijzigen als na te melden, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en de onderbouwing door de reclassering in de aanvullende rapportage van 19 februari
  3. De reclassering heeft de terbeschikkinggestelde aangemeld bij [instelling 2] als optie om, indien haalbaar, uiteindelijk uit te stromen met ambulante zorg in de [regio] . Het hof acht het gewenst dat de reclassering het komend jaar nader onderzoek doet naar een passend vervolgkader/passende vervolgvoorziening. Beslissing Het hof: Bevestigt met aanvulling van gronden zoals hiervoor is overwogen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 18 december 2018 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde]. Wijzigt de bij beslissing van de rechtbank Den Haag van 10 december 2017 opgelegde voorwaarden, in die zin dat als “bijzondere” voorwaarde wordt toegevoegd dat: - de terbeschikkinggestelde zal meewerken aan ambulante forensische behandeling indien de behandelaar en/of de reclassering dat noodzakelijk achten. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Handhaaft de voorwaarden voor het overige. Aldus gedaan door mr. M.E. van Wees als voorzitter, mr. W.A. Holland en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren, en drs. E.L.M. Klein Haneveld en dr. J. Lucieer als raden, in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden als griffier, en op 21 maart 2019 in het openbaar uitgesproken. De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.