GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.211.259/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad 4855966) arrest van 2 april 2019 1 [appellant] , 2. [appellante], beiden wonende te [A] , appellanten, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,en afzonderlijk: [appellant] respectievelijk [appellante], advocaat: mr. M.G. Blokziel, tegen: 1 [geïntimeerde1] , 2. [geïntimeerde2], beiden wonende te [A] , geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,en afzonderlijk: [geïntimeerde1] respectievelijk [geïntimeerde2], advocaat: mr. M. Zentveldt. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 25 mei 2016 en 26 oktober 2016 die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 25 januari 2017,- de memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, met producties,- de akte uitlating wijziging van eis,- de antwoord akte uitlating wijziging van eis,- de (rol)beschikking van 15 augustus 2017 inzake de wijziging van eis, - de memorie van antwoord met een productie, - de akte uitlating productie, - de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. 2.2 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het pleidooidossier. 2.3 [appellanten] c.s. vorderen, na wijziging van eis, in hoger beroep – samengevat – dat het hof het vonnis van de kantonrechter van 26 oktober 2016 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende een datum vast zal stellen waarop de huurovereenkomst tussen partijen eindigt en de datum van ontruiming vast zal stellen. Zij vorderen daarnaast te verklaren voor recht dat de huurprijs met ingang van 1 mei 2016 voor het eerst kon worden verhoogd en te bepalen dat die huurprijs met ingang van 1 mei 2016 € 855,10 per maand bedraagt en met ingang van 1 mei 2017 € 869,64 per maand. Tenslotte vorderen zij [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 241,02 met de wettelijke rente daarover vanaf 24 mei 2016, en veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten in beide instanties. 3De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.5. van het vonnis van 26 oktober 2016. Aangevuld met feiten die eveneens vast staan, zijn de feiten, voor zover in hoger beroep (nog) van belang, als volgt. 3.2 [appellanten] c.s. zijn getrouwd geweest. Zij zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning op het adres [a-straat] 125 te [A] . Die woning vormde tijdens het huwelijk de echtelijke woning. 3.3 [geïntimeerden] c.s. huren met ingang van 1 mei 2010 de woning aan de [a-straat] 125 van [appellanten] c.s. De huur, vastgelegd in een schriftelijke huurovereenkomst, was aanvankelijk aangegaan voor de duur van één jaar. Die huurovereenkomst vermeldde [appellant] en [appellante] als verhuurders, en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als huurders.De huur is daarna op basis van een tweede schriftelijke huurovereenkomst voortgezet voor de duur van vijf jaar, eindigend op 1 mei 2016. In die huurovereenkomst is als verhuurder alleen [appellant] vermeld. 3.4 De huurprijs bedroeg tot 1 mei 2016 € 850,- per maand. Over verhoging van de huurprijs is in de tweede huurovereenkomst in artikel 5, eerste lid, bepaald dat deze op voorstel van de verhuurder voor het eerst per 1 mei 2016 en vervolgens jaarlijks kan worden gewijzigd. De betreffende bepaling ziet op verhoging van de huurprijs voor niet geliberaliseerde woonruimte. In het tweede van het artikel, dat gaat over huurprijsverhoging voor geliberaliseerde woonruimte, staat als datum waarop de huur voor het eerst kan worden verhoogd vermeld “NVT”. [geïntimeerden] c.s. betalen aan huur nog steeds een bedrag van € 850,- per maand. Die huur voldeden zij aanvankelijk contant aan [appellant] . Vanaf enig moment in de loop van deze procedure zijn [geïntimeerden] c.s. de huur giraal gaan voldoen. Betaling vindt sindsdien plaats op een rekeningnummer op naam van [appellante] . 3.5 In de tweede huurovereenkomst is in artikel 7 bepaald dat verschillende, daarin met name genoemde, heffingen en belastingen voor rekening komen van de huurder, ook als de verhuurder daarvoor wordt aangeslagen. Eén van de genoemde heffingen betreft de waterschapslasten. Begin 2016 heeft [appellante] voor de woning aan de [a-straat] 125 een aanslag ontvangen van het waterschap voor 2016 ten bedrage van € 241,02. 3.6 Bij aangetekende brief d.d. 29 september 2015 gericht aan “mevrouw [geïntimeerde2] ” heeft mr. H.A. Verbeek, kandidaat-notaris te [A] , namens [appellant] de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 mei 2016. De grond van de opzegging luidt: dringend nodig voor eigen gebruik door de verhuurder. 3.7 In een emailbericht d.d. 30 oktober 2015 heeft [geïntimeerde2] aan mr. Verbeek laten weten dat zij ( [geïntimeerden] c.s.) niet akkoord gaan met de opzegging van de huur. 3.8 Per brief d.d. 23 november 2015 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellanten] c.s., mr. Stoel, aan [geïntimeerden] c.s. verzocht om binnen 10 dagen mede te delen of zij alsnog instemmen met de opzegging van de huur tegen 1 mei 2016 onder aankondiging dat zij zich, indien geen instemming wordt ontvangen, tot de rechtbank zullen wenden. Over het dringend eigen gebruik wordt nader toegelicht dat [appellanten] c.s. voornemens zijn om weer te gaan samenwonen in de woning. 3.9 [appellant] is na zijn vertrek uit de woning aan de [a-straat] 125 gaan wonen in een seniorenwoning in [A] . [appellante] heeft na haar vertrek uit de woning eerst ingewoond bij haar dochter. Sinds 1 augustus 2016 staat zij op hetzelfde adres ingeschreven als [appellant] ( [b-straat] te [A] ). [appellanten] c.s. wonen (inmiddels) op dat adres ook samen. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [appellanten] c.s. hebben, na wijzigingen van eis, in eerste aanleg – samengevat – gevorderd te bepalen dat de huurovereenkomst is geëindigd op 2 mei 2016, onder het vaststellen van het tijdstip van ontruiming. Subsidiair hebben zij gevorderd de huurovereenkomst voor bepaalde tijd, voor de duur van één jaar, te verlengen.Daarnaast hebben zij gevorderd te bepalen dat zolang [geïntimeerden] c.s. het gebruik van de woning zullen hebben zij € 866,17 per maand verschuldigd zijn. Tevens is veroordeling gevorderd van [geïntimeerden] c.s. tot betaling van een bedrag van € 434,88 (aan achterstallige huurverhoging) en € 241,07 (aan een openstaande waterschapsheffing). 4.2 De kantonrechter heeft bij vonnis van 26 oktober 2016 overwogen dat [appellante] geen partij is bij de huurovereenkomst en dat alleen al daarom haar vorderingen tegen [geïntimeerden] c.s. afgewezen dienen te worden. De kantonrechter heeft vervolgens de vorderingen alleen nog vanuit het perspectief van [appellant] beoordeeld. Die vorderingen zijn afgewezen. Daarbij heeft de kantonrechter de bestaande huurovereenkomst voor onbepaalde tijd verlengd. [appellanten] c.s. zijn verder in de proceskosten veroordeeld. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep 5.1 [appellanten] c.s. zijn in hoger beroep gekomen onder aanvoering van zeven grieven, genummerd I tot en met VII. 5.2 In grief I komen [appellanten] c.s. op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] geen partij is bij de huurovereenkomst. Volgens [appellante] is het een vergissing geweest dat zij niet als verhuurder staat vermeld in de tweede huurovereenkomst. Die huurovereenkomst betrof alleen een verlenging van de eerste huurovereenkomst, waarin [appellante] wel als verhuurder stond vermeld. Volgens [appellanten] c.s. zijn ook [geïntimeerden] c.s. er van uitgegaan dat [appellante] mede verhuurder is gebleven. In dat verband hebben zij er op gewezen dat [geïntimeerden] c.s. de huur overmaken aan [appellante] . 5.3 [geïntimeerde2] heeft tijdens het pleidooi verklaard dat zij er van uitging dat de eerste huurovereenkomst zou worden voortgezet voor vijf jaar en dat het haar aanvankelijk niet was opgevallen dat [appellante] niet stond vermeld op de tweede huurovereenkomst. Zij heeft verder verklaard dat zij na de zitting in eerste aanleg de huur giraal zijn gaan overmaken. Zij hebben dat gedaan op een rekeningnummer van [appellante] , omdat dat het enige nummer was dat zij hadden kunnen vinden. Zij wisten dat [appellante] en [appellant] weer samenwoonden en gingen ervan uit dat het zo goed was. [geïntimeerde1] heeft tijdens het pleidooi verklaard zich aan te sluiten bij de verklaringen van [geïntimeerde2] en daar niets aan toe te voegen te hebben. 5.4 Het hof stelt vast dat artikel 10 van de tweede huurovereenkomst vermeldt dat het een verlenging betreft van de voorgaande huurovereenkomst. Uitgangspunt is dan dat zowel de identiteit van de verhuurders als van de huurders dezelfde blijven. Uit de stellingen van [appellanten] c.s. en de verklaring van [geïntimeerden] c.s. tijdens het pleidooi leidt het hof af dat partijen er beiden ook vanuit zijn gegaan dat daar bij het aangaan van de tweede huurovereenkomst geen verandering in was opgetreden. In die situatie moet het er voor worden gehouden dat het niet vermelden van [appellante] als mede verhuurder in de tweede huurovereenkomst inderdaad berustte op een omissie en dat zij dus mede verhuurder is gebleven. is dus in haar vordering ontvankelijk. Daarmee slaagt grief I.De vorderingen van [appellanten] c.s. zoals in hoger beroep ingesteld zullen hierna worden beoordeeld vanuit het perspectief dat [appellant] en [appellante] gezamenlijk verhuurder zijn. 5.5 Grief II is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] c.s. er niet in zijn geslaagd het dringend eigen gebruik van de woning aannemelijk te maken. De grief beoogt die kwestie in volle omvang aan het hof voor te leggen. 5.6 Artikel 7:274, lid 1 aanhef en sub c BW, gelezen in samenhang met artikel 7:272 BW, bepaalt dat de rechter een vordering van de verhuurder om het tijdstip te bepalen waarop een opgezegde huurovereenkomst eindigt, kan toewijzen “indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft (...) dat van hem, de belangen van beide partijen (…) naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat de huurder (…) andere passende woonruimte kan verkrijgen (…)”. In de rechtspraak is uitgangspunt bij de toepassing van dit artikel dat bij beëindiging van woonruimte een beroep op dringend eigen gebruik van de verhuurder niet te snel gehonoreerd dient te worden, gelet op het gewicht dat toekomt aan de door het huurrecht beoogde bescherming van de huurder van woonruimte (vgl. HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:338). Er moeten derhalve zwaarwegende en urgente belangen aan de zijde van de verhuurder spelen om een verhuurde woning (weer) in eigen gebruik te gaan nemen. Die belangen dienen bij een belangenafweging ook zwaarder te wegen dan de belangen van de huurders bij voortzetting van het gebruik van de woning. 5.7 [appellanten] c.s. hebben aan hun dringend eigen gebruik ten grondslag gelegd dat zij weer in de woning willen gaan samenwonen. Zij hebben verschillende redenen aangevoerd waarom zij dat willen (en hun samenwoning dus niet willen voortzetten op hun huidige adres). Uit de verklaringen van [appellanten] c.s. tijdens het pleidooi komt als belangrijkste reden naar voren dat zij de woning aan de [a-straat] geschikter vinden voor hun samenwoning, omdat die woning groter is en zij daar al hun kinderen weer tegelijkertijd kunnen ontvangen. [appellanten] c.s. vinden dat belangrijk omdat zij hechten aan het gezinsleven. Verder komen als belangrijke aspecten naar voren (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.