← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2019:3111

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Locatie Arnhem nummers 18/01246 en 18/01247 uitspraakdatum: 9 april 2019 Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 november 2018, nummers AWB 17/2062 en 17/2063, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Enschede 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Het hogerberoepschrift is op 21 december 2018 ontvangen ter griffie van het Hof. 1.2 Bij schrijven van 4 januari 2019 heeft het Hof aan belanghebbende meegedeeld dat het hogerberoepschrift ambtshalve is gesplitst en dat er meerdere zaken zijn aangemaakt. Daarbij is tevens meegedeeld dat zal worden volstaan met het éénmaal heffen van griffierecht voor beide zaken. 1.3 Bij aangetekend schrijven van 21 februari 2019, gericht aan het bij het Hof bekende adres van belanghebbende, heeft de griffier belanghebbende herinnerd aan de verschuldigdheid van het griffierecht. In het schrijven is meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag niet binnen vier weken is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening, belanghebbende het risico loopt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. 1.4 De brief van 21 februari 2019 is niet door het Hof retour ontvangen. Uit onderzoek is gebleken dat de brief op 25 februari 2019 is afgeleverd door PostNL. 1.5 Het griffierecht is niet betaald. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep 2.1 Het verschuldigde griffierecht is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op de rekening die is vermeld in de hiervóór genoemde brief van de griffier. Aldus is het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet tijdig betaald. 2.2 Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 2.3 Nu het hoger beroep volgens artikel 8:108, eerste lid juncto 8:41, zesde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, sluit het Hof het onderzoek en doet het uitspraak op de voet van artikel 8:54 van de Awb. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. 3Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. 4Beslissing Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van M.H.J. Pince van der Aa als griffier. De beslissing is op 9 april 2019 in het openbaar uitgesproken. (M.H.J. Pince van der Aa) (A. van Dongen) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 april 2019. Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak hiertegen een verzetschrift indienen bij dit Gerechtshof. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen op het verzet te worden gehoord. Een kopie van deze uitspraak moet bij het verzetschrift worden overgelegd. Het verzetschrift moet zijn ondertekend en ten minste bevatten: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. de vermelding van de uitspraak waartegen het verzet is gericht; d. de gronden van het verzet, waarbij de bezwaren tegen de uitspraak duidelijk zijn omschreven. Deze uitspraak vervalt indien het Gerechtshof het verzet gegrond verklaart. De behandeling van het hoger beroep wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen deze uitspraak werd gedaan

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.