GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.217.457 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 3861633) arrest van 15 januari 2019 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante,in eerste aanleg: eiseres, hierna: Dexia, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.B. Maliepaard. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 14 december 2016 en 15 maart 2017, die de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 2 mei 2017, - de memorie van grieven, met producties, - de memorie van antwoord, met producties, - een akte uitlating producties van Dexia. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten 3.1 Tussen Dexia (rechtsopvolgster van (onder meer) Legio-Lease B.V. (hierna: Legio-Lease)) en [geïntimeerde] is op 26 augustus 1997 een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen genaamd “Spaarleasen” met contractnummer [nummer] (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 180 maanden (15 jaar) met een totaal overeengekomen leasesom van NLG 26.940,60, omgerekend € 12.225,11. 3.2 Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een financieel overzicht overgelegd, waarin wordt vermeld dat [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst in totaal € 5.772,51 aan maandtermijnen aan Dexia heeft betaald. [geïntimeerde] heeft volgens dit overzicht in totaal een bedrag van € 1.168,67 aan dividenden ontvangen. 3.3 Volgens een door Dexia overgelegde eindafrekening had [geïntimeerde] bij het einde van de overeenkomst per 6 oktober 2004 recht op een bedrag van € 75,22. Dexia heeft dit bedrag aan [geïntimeerde] betaald. 3.4 Bij brief van 22 mei 2006 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) aan [geïntimeerde] een offerte versterkt ter zake het verlenen van rechtsbijstand. Tussen Leaseproces en [geïntimeerde] is vervolgens een overeenkomst tot stand gekomen. Uit de offerte blijkt dat [geïntimeerde] een vast bedrag en een percentage over het eventuele behaalde resultaat aan Leaseproces dient te voldoen ook in geval met Dexia een schikking wordt getroffen. 3.5 Bij brief van 27 juli 2006 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] aan Dexia bericht dat zij de nietigheid van de overeenkomst inroept wegens het ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het Consumentenkrediet, althans deze overeenkomst vernietigt, althans ontbindt, op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en/of dwaling en is Dexia gesommeerd om binnen twee weken alle door [geïntimeerde] betaalde bedragen vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen, alsmede BKR te Tiel op de hoogte te stellen van de vernietiging van de overeenkomsten. 3.6 Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033). [geïntimeerde] heeft door middel van een “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de voornoemde regeling gebonden te willen zijn. 3.7 In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige. Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983) de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel”. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. 3.8 Bij brieven van 9 oktober 2009 en 23 januari 2012 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] aan Dexia bericht dat [geïntimeerde] zijn vorderingen op Dexia onverkort handhaaft en dat tevens is bedoeld de eventuele verjaring van die vorderingen te stuiten. 3.9 De gemachtigde van Dexia heeft bij brieven van 14 augustus 2014 en 19 november 2014 [geïntimeerde] de mogelijkheid geboden om aan te tonen dat hij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [geïntimeerde] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon hij de bijgevoegde “waiver” ondertekenen en retourneren. [geïntimeerde] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 Dexia heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia ten aanzien van de gesloten overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 4.2 De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 14 december 2016 geoordeeld dat [geïntimeerde] gevolgd moet worden in zijn betoog dat hij na een telefoongesprek in een persoonlijk gesprek een onjuist advies heeft gekregen op grond waarvan hij het contract heeft gesloten. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] dan ook gevolgd in het betoog over de vermindering van de mate waarin rekening moeten worden gehouden met eigen schuld. De kantonrechter heeft Dexia in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van de onjuiste advisering, waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte kon reageren. Bij de aktes dienden partijen zich tevens uit te laten over de buitengerechtelijke kosten. 4.3 Dexia heeft in haar akte na tussenvonnis weersproken dat sprake is van een beleggingsadvies van Dexia (Vero) aan [geïntimeerde] en dat zij zich om die reden ook niet kan uitlaten over de gevolgen van een zodanig advies. Ook heeft Dexia weersproken dat buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft het voorgaande in de antwoordakte bestreden en heeft aangevoerd dat de kantonrechter de vordering van Dexia moet afwijzen nu [geïntimeerde] nog een vordering op Dexia heeft vanwege de rol van de tussenpersoon en buitengerechtelijke kosten. 4.4 Bij vonnis van 15 maart 2017 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia aan [geïntimeerde] niets meer verschuldigd is, wanneer Dexia aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald wat hij haar betaald heeft in het kader van deze overeenkomst, zijnde de inleg en eventuele kosten, op welk bedrag vervolgens in mindering dient te worden gebracht wat door Dexia aan [geïntimeerde] is betaald, zijnde de dividenden en de slotuitkering, in beide gevallen steeds met rente vanaf de datum waarop de betaling is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening en wanneer Dexia een bedrag van € 137,20 aan buitengerechtelijke kosten aan Dexia heeft voldaan. Ook heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld in de proceskosten. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep eiswijziging van Dexia 5.1 Dexia heeft in haar memorie van grieven haar eis gewijzigd en gevorderd het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] in verband met het aangaan en de uitvoering van de overeenkomst geen vorderingsrecht jegens haar heeft. Dexia heeft aanleiding gezien haar vordering te wijzigen omdat de verjaring van de door de afnemer van een effectenleaseproduct gepretendeerde schadevergoedingsvordering niet noodzakelijkerwijze leidt tot toewijsbaarheid van de de door Dexia gevorderde verklaring voor recht omdat er na voltooiing van de verjaringstermijn een verrekenbare tegenvordering resteert (zie artikel 6:131 BW). Dexia heeft hierbij verwezen naar een zaak die zich heeft voorgedaan bij het Gerechtshof Den Haag (zie ECLI:NL:GHDHA:2017:2530). [geïntimeerde] heeft zich niet tegen de eiswijziging van Dexia verzet. 5.2 Het hof merkt op dat artikel 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. Het vorderingsrecht van de afnemer blijft bij verjaring wel bestaan, maar slechts de afdwingbaarheid komt te vervallen, waardoor een natuurlijk verbintenis overblijft. Het hof zal, alvorens wordt ingegaan op de vraag of de gestelde vorderingen door [geïntimeerde] zijn verjaard, eerst beoordelen of [geïntimeerde] nog een vordering op Dexia heeft. inhoud van de grieven 5.3 De eerste grief van Dexia richt zich tegen de vaststelling van de feiten. Dexia voert aan dat de eindafrekening dateert van 2004. Nu het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld behoeft de eerste grief geen nadere bespreking. In de tweede grief voert Dexia aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vorderingen van [geïntimeerde] niet zijn verjaard. In de derde grief komt Dexia op tegen het oordeel van kantonrechter dat Dexia al hetgeen [geïntimeerde] op basis van de overeenkomst aan Dexia heeft betaald aan [geïntimeerde] terug dient te betalen. In het verlengde daarvan komt Dexia in haar vierde grief op tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten. beoordeling van de grieven 5.4 Het hof ziet aanleiding om eerst de derde grief van Dexia te bespreken, die ziet op de vraag of [geïntimeerde] een vordering op Dexia heeft vanwege de advisering door een tussenpersoon. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en bewijslast ter zake de gevorderde verklaring voor recht op Dexia. Op [geïntimeerde] rust vervolgens de verplichting om, wil hij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden afgeleid. advisering door tussenpersoon 5.5 [geïntimeerde] heeft met een beroep op de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2015) aangevoerd dat, in afwijking van het onder 3.7 genoemde hofmodel, er geen ruimte is om eigen schuld aan [geïntimeerde] toe te rekenen en Dexia de volledige schade aan hem moet vergoeden. Dexia heeft dit gemotiveerd bestreden. 5.6 De Hoge Raad heeft in de hiervoor onder 5.5 genoemde arresten van 2 september 2016, zoals herhaald in de uitspraak van de Hoge Raad van 12 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1935), kort gezegd geoordeeld dat wanneer Dexia een overeenkomst heeft gesloten met een particulier terwijl zij wist of behoorde te weten dat sprake was van tussenkomst van een cliëntenremisier, die zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, de particulier heeft geadviseerd bij Dexia een effectenleaseproduct te kopen, dat te beschouwen is als een (extra) onrechtmatigheidsgrond die Dexia zwaar moet worden aangerekend, omdat in deze constructie waarbij is geadviseerd door een dienstverlener, de cliënt minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel eigener beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot de aanbieder van het effectenleaseproduct. De billijkheid eist in zo’n geval in beginsel dat bij de verdeling van de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige op de voet van artikel 6:101 BW, de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de effectenleaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden. De Hoge Raad heeft tegen die achtergrond een afwijking aanvaard van de in het hofmodel gehanteerde eigenschuldverdeling en geen eigen schuld aangenomen van de afnemer. 5.7 Dexia heeft met juistheid gesteld dat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst op 26 augustus 1997 de NR 1999 nog niet in werking was getreden. Dat maakt – zie de conclusie van plv. PG De Vries Lentsch-Kostense onder 3.15 bij het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2015) – echter geen verschil voor de beoordeling van de onderhavige zaak, omdat ook onder de vigeur van de NR 1995 voor de effecteninstelling én de cliëntenremisier gold dat zij geen relaties mochten hebben met natuurlijke personen of rechtspersonen die activiteiten ontplooiden zonder over de vereiste vergunning te beschikken. Het betoog van Dexia dat het in artikel 41 NR 1999 neergelegde verbod toepassing mist, faalt nu een dergelijk verbod ook reeds gold onder de NR 1995. 5.8 Uit de stukken volgt dat [geïntimeerde] destijds via het verkoopkanaal van Dexia is benaderd door een persoon die zich presenteerde als een medewerker van Dexia (destijds Legio-Lease). Pas geruime tijd na het sluiten van de overeenkomst is gebleken dat het externe callcenter Vero Telemarketing v.o.f. (hierna: Vero) hem namens Dexia had benaderd. Voorts stelt [geïntimeerde] dat een medewerker van Dexia (Vero) op huisbezoek bij hem is geweest, waarna de overeenkomst tot stand is gekomen. Dexia schakelde Vero in teneinde haar producten onder de aandacht van het publiek te brengen. Dexia heeft onweersproken gesteld dat medewerkers van Vero zich met toestemming van Dexia als medewerkers van Dexia (Legio-Lease) hebben gepresenteerd. [geïntimeerde] heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat Dexia geen cliënten of orders van Vero mocht aannemen, ongeacht of komt vast te staan dat er is geadviseerd of niet. [geïntimeerde] heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat Vero hem advies gaf en Vero derhalve een vergunning althans een vrijstelling van die vergunningsplicht nodig had. Dexia had om die reden op grond van artikel 41 NR 1999 moeten weigeren met [geïntimeerde] te contracteren. [geïntimeerde] stelt eveneens dat, nu Vero zich als Dexia in het gesprek voordeed, Dexia het zelf was die optrad als deskundig adviseur en dat de maatstaf uit de rechtspraak van de Hoge Raad van 2 september 2016 ook op deze situatie van toepassing is. Dexia heeft de vordering van [geïntimeerde] bestreden en heeft gesteld dat geen sprake is geweest van een tussenpersoon aangezien de medewerker van Vero zich in naam van Dexia presenteerde. Voorts heeft Dexia bestreden dat [geïntimeerde] is geadviseerd. 5.9 Het hof oordeelt dat uit het voorgaande volgt dat Vero niet in eigen naam handelde, maar in naam van Dexia, met het doel om tussen Dexia als aanbieder en de potentiele afnemer een financiële effectenleaseovereenkomst te sluiten. Vero is derhalve opgetreden als vertegenwoordiger van Dexia en niet als zelfstandig tussenpersoon. Nu er geen enkel aanknopingspunt is om aan te nemen dat Vero als cliëntenremisier (dienstverlener) is opgetreden, strandt het beroep van [geïntimeerde] op schending van artikel 41 NR 1999 en de daarop geënte rechtspraak. 5.10 Ook het verwijt van [geïntimeerde] dat Dexia (Vero) met een cliëntenremisier moet worden gelijkgesteld omdat zij zich jegens hem heeft gepresenteerd en gedragen als adviseur treft geen doel. Vast staat dat [geïntimeerde] in de totstandkomingsfase van de overeenkomst er blijkens de hierboven weergegeven stellingen telkens van uit moet zijn gegaan contact te hebben gehad met Dexia (destijds Legio-Lease). Een commerciële organisatie als Dexia zal haar producten aanprijzen. [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat het aanprijzen van een product door de aanbieder van dat product zelf iets anders is dan het verkrijgen van een onafhankelijk en deskundig advies over de vraag of de aanschaf daarvan rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van hem als (potentiele) klant voor hem geschikt is. Nu [geïntimeerde] Vero heeft aangezien voor Dexia had hij van Vero geen onafhankelijk advies mogen verwachten. Het beroep op de hiervoor genoemde september-arresten strandt dan ook om die reden; die arresten hebben geen betrekking op mogelijke advisering door de effecteninstelling zelf. 5.11 [geïntimeerde] stelt voorts nog dat Dexia aansprakelijk is voor het handelen van Vero op grond van de artikel 6:76, 170 en 171 BW. Dexia is evenwel reeds op grond van artikel 3:66 BW verantwoordelijk voor het handelen van haar vertegenwoordiger Vero en zij bestrijdt dat ook niet. Nu hiervoor is overwogen dat Vero noch Dexia een (extra) verwijt treft, doet het beroep op al deze grondslagen ter zake hetzelfde feitencomplex niet meer ter zake. 5.12 Uit het voorgaande volgt dat de derde grief van Dexia slaagt en dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de vergoedingsplicht van Dexia tegenover [geïntimeerde] op dit punt geheel in stand blijft. [geïntimeerde] heeft op dit punt geen vordering op Dexia. Aangezien de derde grief van Dexia slaagt, behoeven het beroep van Dexia op verjaring in de tweede grief en de schending van de klachtplicht in de zin van artikel 6:89 BW geen nadere bespreking. buitengerechtelijke kosten 5.13 In zijn vierde grief richt Dexia zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij aan [geïntimeerde] buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Dexia voert hiertoe aan dat er geen buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt en dat voor zover kosten zijn gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid deze kosten vallen onder die van de instructie van de zaak. [geïntimeerde] heeft dit bestreden en heeft betoogd dat de kantonrechter op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat [geïntimeerde] recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 BW. 5.14 De grondslag voor de vergoeding van buitengerechtelijke kosten ligt besloten in artikel 6:96 lid 2 BW (geldend van 1 januari 2002 tot 1 juli 2012). Uit dit artikel volgt dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.