WAHV 200.244.142 19 april 2019 CJIB 198468572 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Tussenarrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 12 december 2017 betreffende [naam] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [plaats] (Polen). De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het procesverloop De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling 1. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld. Het hof stelt vast dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld. 2. Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld. 3. De betrokkene verzoekt in hoger beroep dat, indien de Nederlandse staat haar rechten niet erkent, de zaak wordt doorgestuurd naar een Poolse rechtbank, zodat zij zich kan verdedigen. Daarnaast spreekt zij geen Nederlands. Zij verzoekt om correspondentie in de Poolse taal. 4. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene woonachtig is in Polen en telkens in de Poolse taal heeft gecorrespondeerd. Uit niets blijkt dat zij de Nederlandse of de Engelse taal begrijpt. Alle aan de betrokkene gerichte correspondentie in de procedure bij de officier van justitie en in de procedure bij de kantonrechter is opgesteld in de Nederlandse en/of de Engelse taal. 5. De in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gestelde eis van een eerlijke berechting brengt mee dat mededelingen gericht aan een betrokkene van wie moet worden aangenomen dat hij de Nederlandse taal niet voldoende begrijpt en die betrekking hebben op de wettelijke vereisten waaraan moet zijn voldaan wil een door deze op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) ingesteld beroep op de rechter ontvankelijk zijn, moeten worden gedaan in een taal welke die betrokkene redelijkerwijs kan worden geacht te begrijpen. 6. De rechtsmiddelverwijzing onder de beslissing van de kantonrechter is niet in de Poolse taal opgesteld. Het te laat instellen van hoger beroep kan de betrokkene daarom niet worden toegerekend. Het hoger beroep is ontvankelijk. 7. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene op grond van artikel 6:5, derde lid, juncto artikel 6:6, onder a, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene, na hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet heeft zorggedragen voor een vertaling van haar beroepschrift. 8. Het beroepschrift van de betrokkene is in de Poolse taal opgesteld. De betrokkene voert in hoger beroep aan zich geen vertaler te kunnen veroorloven en wenst zich (in het Pools) te verdedigen. 9. Artikel 6:5, derde lid, van de Awb, luidt als volgt: "Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling." Artikel 6:6 luidt, voor zover van belang: "Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien: a. niet is voldaan aan artikel 6:5 (…)." 10. Uit de memorie van toelichting op de Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 91, 92, 93 en 123) volgt dat een beroepschrift in beginsel niet in een vreemde taal mag worden gesteld. De (toenmalige) Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken beargumenteren in de memorie van toelichting dat het opnemen van een dergelijk verbod in de Awb te ver zou gaan, omdat een in een vreemde taal opgesteld geschrift in een aantal gevallen in behandeling genomen zal moeten worden. 11. Bij de artikelsgewijze toelichting is onder artikel 6.2.0a, derde lid, van de Awb (oud, thans artikel 6:5, derde lid, van de Awb) hieromtrent het volgende opgemerkt: "In het derde lid is een bepaling opgenomen over bezwaar- en beroepschriften die in een vreemde taal zijn gesteld. Zij is analoog aan de regeling in artikel 4.1.1.5, tweede lid, en houdt in dat de indiener voor een vertaling moet zorgen indien dit voor een goede behandeling noodzakelijk is. Is geen vertaling overgelegd terwijl deze wel nodig is, dan zal overeenkomstig artikel 6.2.0b de gelegenheid worden geboden, alsnog een vertaling over te leggen. Geschiedt dit niet, dan kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. (…) Verwezen zij voorts naar de toelichting bij artikel 4.1.1.5, tweede lid. Ook hier geldt dat soms geschriften in een vreemde taal op grond van het communautaire of internationale recht moeten worden geaccepteerd." (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 123). 12. Uit de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.1.1.5, tweede lid, van de Awb (oud, thans artikel 4:5, tweede lid, van de Awb) volgt dat de indiener in de gevallen waarin een aanvraag in een vreemde taal is gesteld, indien dat noodzakelijk is voor de beoordeling, voor een vertaling zorg moet dragen. 13. Uit de tekst van artikel 6:5, derde lid, van de Awb en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan volgt dat de omstandigheid dat een beroepschrift in een vreemde taal is gesteld op zichzelf niet meebrengt dat dat beroepschrift niet mag worden geaccepteerd. Wel moet de indiener van dat beroepschrift, indien dat voor een goede behandeling van het beroep noodzakelijk is, voor vertaling van het beroepschrift zorg dragen. Daartoe moet hij in de gelegenheid worden gesteld. Wanneer de indiener dit verzuimt, is de rechter op de voet van artikel 6:6, onder a, van de Awb, bevoegd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. 14. Het hof stelt vast dat een vertaling van het beroepschrift in het onderhavige geval noodzakelijk is voor een goede behandeling van het beroep. Het hof dient na te gaan of de kantonrechter van zijn in artikel 6:6 van de Awb toegekende bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren gebruik mocht maken. 15. Het opleggen van een administratieve sanctie voor een gedraging die is omschreven in de bijlage die behoort bij de Wahv, is een 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Artikel 6, derde lid, van het EVRM formuleert enkele minimumnormen voor het in artikel 6 van het EVRM geformuleerde recht op een eerlijk proces. Eén van deze minimumnormen is het in het derde lid, onder e, opgenomen recht op kosteloze bijstand door een tolk, indien degene tegen wie de vervolging zich richt de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of spreekt. 16. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of dit recht zich ook uitstrekt tot een kosteloze vertaling van een beroepschrift van een betrokkene in een procedure als de onderhavige. 17. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft in zijn uitspraak van 14 oktober 2014 (Baytar v. Turkey, gepubliceerd op hudoc.echr.coe.int met vindplaats ECLI:CE:ECHR:2014:1014JUD00454400) het volgende overwogen: "The Court further reiterates that paragraph 3 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.