GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.250.800 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 7035133) beschikking van 19 april 2019 in de zaak van [Verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep,in eerste aanleg: verzoeker tevens verweerder in het (voorwaardelijke) tegenverzoek, hierna: [Verzoeker] , advocaat: mr. R.A. Uhlenbusch, tegen: [verweerster] , gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, in eerste aanleg: verweerster tevens verzoekster in het (voorwaardelijke) tegenverzoek, hierna: [verweerster] , advocaat: mr. A.F. Bungener. 1 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 26 oktober 2018. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - het beroepschrift, met producties, van 6 december 2018, ter griffie ontvangen op 7 december 2018; - het verweerschrift, met producties, van 21 januari 2019;- een nadere toelichting op het beroepschrift tevens voorwaardelijk verweerschrift, met producties, ter griffie ontvangen op 14 maart 2019; - een brief van mr. Bungener van 15 maart 2019; - een brief van mr. Uhlenbusch van 15 maart 2019; - de op 22 maart 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. 2.2 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 31 mei 2019 of zoveel eerder als mogelijk is. 3De feiten 3.1 In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast. 3.2 [verweerster] exploiteert een bedrijf dat specialistische reinigingswerkzaamheden aanbiedt. 3.3 [Verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1964, is op 26 mei 2003 in dienst getreden bij [verweerster] . Hij was laatstelijk werkzaam als teamleider tegen een salaris van € 2.877,36 bruto per vier weken, exclusief VET toeslag, persoonlijke toeslag en vakantiegeld. 3.4 [Verzoeker] reed in een bedrijfsauto die hem door [verweerster] ter beschikking was gesteld. Hij mocht met deze auto per jaar maximaal 500 kilometer privé rijden. Na een eenzijdig ongeval van [Verzoeker] in de nacht van 17 op 18 februari 2018 is de toen ter beschikking gestelde bedrijfsbus vervangen door een tijdelijke bedrijfsbus. [Verzoeker] heeft aan [verweerster] als oorzaak voor dat ongeval gladheid genoemd. 3.5 Per brief van 27 maart 2018 heeft [verweerster] aan [Verzoeker] bevestigd de aan hem in een gesprek van die dag gegeven officiële waarschuwing voor het niet meewerken aan een alcohol- en drugstest en de daarbij door [verweerster] als ongepast en intimiderend ervaren houding van [Verzoeker] . In die brief is vermeld dat het gaat om de vierde waarschuwing, onder verwijzing naar eerder in 2007, 2008 en 2011 gegeven officiële waarschuwingen. 3.6 Vanaf 27 maart 2018 heeft [Verzoeker] niet gewerkt. 3.7 In haar brief van 17 april 2018 heeft [verweerster] aan [Verzoeker] de inhoud van een tussen hen op 16 april 2018 gevoerd gesprek bevestigd. In die brief is onder meer vermeld: “Wij hebben tevergeefs getracht met u in gesprek te gaan om de samenwerking te bespreken, de verwachtingen aan te geven vanuit uw leidinggevende, uw houding ten aanzien van het drugs- en alcoholbeleid te bespreken, de juiste verlofprocedure bij u onder de aandacht te brengen en opheldering te krijgen over uw nevenactiviteiten. Helaas was u niet voor rede vatbaar. U gedroeg zich hevig geïrriteerd, intimiderend, u stond telkens op, liet ons niet uitpraten en u bent vervolgens weggegaan. In uw relaas gaf u onder andere aan dat u vond dat uw leidinggevende zijn excuus moest aanbieden, u stelde dat u niet kon werken omdat uw VCA certificaat is verlopen, dat u verlof toegekend had gekregen en dat een volgend gesprek wel drie uur moest duren. Vervolgens heeft u eenzijdig het gesprek beëindigd en bent u weggelopen. Tijdens het weglopen heeft ondergetekende u gemeld dat uw salaris wordt opgeschort totdat u aan uw contractuele verplichtingen gaat voldoen. Dit houdt onder meer in dat u gehoor geeft aan oproepen vanuit uw werkgever voor werk en/of een dergelijk gesprek als was gepland, u zich aan de bedrijfsregels houdt, waaronder de geldende werktijden, het drugs- en alcoholbeleid, de verlofprocedure en ook dat u te allen tijde op constructieve wijze het gesprek aangaat. Momenteel bent u ongeoorloofd afwezig. U zegt tegen iedereen dat u verlof toegekend heeft gekregen, dit is echter niet het geval. Zoals u weet behoort u d.m.v. een verlofformulier uw verlof aan te vragen bij uw leidinggevende en hiervoor van hem akkoord te krijgen. Dit formulier heeft u ingeleverd en gedateerd op 27 maart jl. Hierop staat dat u vrij bent, echter heeft u hiervoor geen akkoort gekregen van uw leidinggevende en is er geen duur afgestemd. De afgelopen dagen heeft uw leidinggevende herhaaldelijk contact met u gezocht, heeft u opgeroepen om te werken, echter heeft u hieraan geen gehoor gegeven met als gevolg dat u geen recht heeft op salaris over de betreffende dagen. Omdat u niet meer ingezet wordt voor industriële werkzaamheden, u ondergetekende heeft gevraagd om in gesprek te gaan, er blijkbaar bij u onduidelijkheid is ontstaan over uw verlof, hebben wij het gesprek van gisteren gepland, ondanks dat de oproepen om te werken u helder hadden moeten zijn. Aangezien u tijdens dit gesprek wederom onacceptabel gedrag vertoonde is voor ons de maat vol. Uw houding in het gesprek waaronder ook het voortijdig weglopen is volstrekt onacceptabel. U krijgt hiervoor een vijfde officiële waarschuwing en voorts wordt betaling van uw salaris opgeschort tot nader order.” 3.8 Op 18 april 2018 heeft op het kantoor van [verweerster] opnieuw een gesprek plaats-gevonden tussen [verweerster] en [Verzoeker] . In de daarvan ter bevestiging opgemaakte brief d.d. 25 april 2018 is vermeld dat [Verzoeker] vanwege klachten over zijn gedrag niet meer structureel zal worden ingezet op het landelijke industriële segment, dat hij voortaan vanuit de vestiging te [vestigingsplaats] werkzaam zal zijn en dat hij om die reden de bedrijfsbus op 1 mei 2018 dient in te leveren. In die brief is voorts vermeld dat aan [Verzoeker] alsnog tot 1 mei 2018 verlof is toegekend en dat de loonopschorting is opgeheven en is omgezet in de opname van verlofdagen. Verder is in die brief vastgelegd de door [Verzoeker] geschetste toedracht van het ongeval op 18 februari 2018, te weten dat het glad was en hij moest uitwijken voor een dier en vervolgens tegen een paal is gebotst. Daarnaast is in de brief onder voorwaarden toestemming aan [verweerster] gegeven voor nevenwerkzaamheden in verband met de door [Verzoeker] samen met zijn echtgenote gestarte (online) chocoladewinkel. 3.9 [Verzoeker] heeft op 23 april 2018 in [plaatsnaam] ten behoeve van zijn werk bij [verweerster] een VCA-cursus gevolgd. 3.10 Op 25 april 2018 is [Verzoeker] naar het kantoor van [verweerster] gereden en heeft hij de tankpas van de zogeheten salvage bus meegenomen. Via WhatsApp-berichten heeft [verweerster] op 26 april 2018 [Verzoeker] gevraagd die pas dezelfde dag in te leveren. [Verzoeker] heeft de tankpas op 28 april 2018 ingeleverd. 3.11 Na een gesprek op kantoor bij [verweerster] in de ochtend van dinsdag 1 mei 2018 over onder meer het al dan niet mogen blijven gebruiken van een bedrijfsbus heeft [Verzoeker] zich vanwege enkelklachten ziekgemeld. [Verzoeker] is daarop naar huis gegaan, met medeneming van de bedrijfsbus. 3.12 Per e-mailbericht van 1 mei 2018 heeft [verweerster] aan [Verzoeker] het telefonisch contact met zijn leidinggevende [leidinggevende] bevestigd en de daarin gedane mededeling dat [verweerster] de bedrijfsbus de volgende dag om 10.00 uur bij [Verzoeker] zal komen ophalen. [Verzoeker] heeft op 2 mei 2018 geweigerd de bedrijfsbus af te geven. 3.13 [verweerster] heeft [Verzoeker] op 3 mei 2018 op staande voet ontslagen. De ontslagbrief van die datum vermeldt het volgende: “U had verlof tot 1 mei 2018. Tijdens uw verlof heeft u op 25 april jl. vroeg in de ochtend de vestiging van [verweerster] te [vestigingsplaats] , aan de [adres] , betreden om zonder overleg en toestemming van uw leidinggevenden de tankpas van de salvage unit bus mee te nemen. Deze tankpas is uitsluitend voor het gebruik van de salvage unit bus en dat is u bekend. Üit onderzoek is gebleken dat u op 25 april jl. en 28 april jl. ten onrechte voor eigen gebruik met deze tankpas heeft getankt. De heer [persoon 1] heeft op 26 april jl. contact met u opgenomen en u verzocht deze tankpas zo spoedig mogelijk terug te brengen. Dhr. [leidinggevende] heeft eveneens contact met u opgenomen op 26 april jl. en nogmaals gevraagd om deze tankpas nog diezelfde middag weer terug te brengen. Deze verzoeken heeft u niet opgevolgd. Alhoewel het u na de berichten temeer duidelijk had moeten zijn dat u de tankpas direct behoorde in te leveren en al helemaal niet behoorde te gebruiken voor privé doeleinden, heeft u besloten op 28 april 2018 nogmaals te tanken met deze tankpas. U heeft de tankpas uiteindelijk ingeleverd op 28 april 2018. U heeft aangegeven dat u de tankpas in overleg met dhr. [persoon 2] zou hebben meegenomen. Dit achtten wij onaannemelijk en daarom hebben wij bij hem navraag gedaan. Hij heeft bevestigd dat u op 25 april jl. de tankpas van de salvage bus heeft meegenomen en u dit aan hem gemeld heeft. De heer [persoon 2] heeft daarop aangegeven dat u dit moest vragen op kantoor en u heeft toegezegd om dit nog te doen. Het blijkt dat u dit niet heeft gedaan. Uit nader onderzoek blijkt dus dat u deze tankpas twee maal gebruikte (op 25 april 2018 en op 28 april 2018) om voor eigen gebruik op kosten van [verweerster] brandstof te tanken, terwijl dit beslist niet is toegestaan en niet in lijn is met de afspraken die tussen u en [verweerster] gelden ten aanzien van brandstofgebruik en vergoedingen daarvoor. U heeft met dit gedrag doelbewust voor eigen gewin gehandeld en wij sluiten niet uit dat uw handelen kwalificeert als strafbaar handelen, onder meer vanwege uw keuze om [verweerster] financieel te benadelen met uw handelswijze. Opmerkelijk is overigens ook dat u tijdens uw afgelopen verlofperiode tussen 27 maart jl. en 28 april jl. in totaal ruim 230 liter brandstof heeft getankt. Aangezien u verlof had, er een aantal gesprekken op onze locatie hebben plaatsgevonden en u een cursusdag had, is het niet aannemelijk dat u daarvoor dusdanig veel brandstof nodig had (u heeft een verklaring geen privé gebruik met daarbij een zeer beperkte bijtelling privé afgesproken van maximaal 500 km per jaar, die u hierdoor tevens overschrijdt). Daarbij is op 18 april jl. met u afgesproken dat u op l mei jl. de bedrijfsbus zou inleveren die u tijdelijk onder zich had na het ongeval dat u had met de vorige bedrijfsbus op 18 februari jl. U heeft zich echter op l mei jl. ziek gemeld en daarop volgend is met u afgesproken dat collega ’s van u bij u thuis op 2 mei jl. rondom 10.00 uur de bedrijfswagen bij u zouden komen ophalen - met daarbij ook diverse toebehoren van [verweerster] die u daarin op l mei jl. heeft ingeladen. Toen de collega 's rondom 10.00 uur bij u aanwezig waren, bleek u niet aanwezig te zijn. U kwam vervolgens aangereden in de bedrijfsbus met bedrijfskleding aan en maakte een wegwerpgebaar naar dhr. [persoon 3] met de melding dat u niet met hem praatte. Ondanks verzoeken daartoe weigerde u de bedrijfsbus mee te geven aan uw collega's, die uiteindelijk onverrichter zaken weer moesten vertrekken. De voorgaande incidenten staan helaas niet op zichzelf. In het verleden zijn wij er meermalen mee geconfronteerd dat u structureel handelt in strijd met interne regels en instructies. In het gesprek van 18 april jl. dat op ons verzoek heeft plaatsgevonden als gevolg van uw gedragingen in het gesprek van 16 april jl. is dit zelfs nog uitdrukkelijk aan de orde gekomen. U heeft in het gesprek op 18 april jl. bevestigd zich te zullen houden aan de regels binnen de organisatie, zoals ook de geldende gedragsregels, waaronder ook respectvol gedrag naar uw leidinggevende en collega's. Helaas is dit niet het geval geweest. Tevens heeft u al diverse officiële waarschuwingen ontvangen voor uw gedrag waaronder op 27 maart jl. Met de gedragingen ten aanzien van de tankpas en ook de gedragingen rondom de bedrijfsbus heeft u zich wederom absoluut niet aan de geldende regels binnen onze organisatie gehouden, heeft u de organisatie benadeeld en komt u opnieuw de gemaakte afspraken niet na. Deze gedragingen ieder afzonderlijk, maar ook zeker in onderlinge samenhang, rechtvaardigen ontslag op staande voet. Op 2 mei 2018 hebben wij u tot twee maal toe uitgenodigd om vandaag te komen en uw visie te geven op het voorgaande. U bent niet gekomen en heeft enkel per e-mail aangegeven dat u niets zou hebben geweigerd, maar dat de bus nog niet leeg en uitgezocht was, zoals gemeld bij dhr. [persoon 3] , mevrouw [persoon 4] en dhr. [persoon 5] . Zij hebben echter bevestigd dat het niet zo is gelopen en dat u weldegelijk weigerde de bedrijfsbus mee te geven. Op de situatie van de tankpas bent u in het geheel niet ingegaan. Uw toelichting is derhalve volstrekt onvoldoende en vormt geen rechtvaardiging voor uw gedragingen. De voorgaande feiten en omstandigheden leveren voor [verweerster] elk afzonderlijk, maar zeker ook in onderlinge samenhang bezien, de dringende reden op in de zin van artikel 7:678 BW om u vandaag, 3 mei 2018, per direct op staande voet te ontslaan.” 3.14 [Verzoeker] heeft per e-mail van 3 mei 2018 laten weten het niet eens te zijn met het ontslag op staande voet. 3.15 Op 15 mei 2018 heeft [verweerster] [Verzoeker] (voor zover vereist) nogmaals op staande voet ontslagen. Aan dit ontslag heeft zij ten grondslag gelegd: “De redenen voor dit ontslag op staande voet voor zover vereist zijn dat bij ons bekend is geworden dat u na inleveren van de tankpas van de salvage bus op 28 april jl. nogmaals de tankpas van de salvage bus heeft weggenomen en ook heeft gebruikt om te tanken voor eigen rekening. U heeft dit zonder overleg of toestemming gedaan, terwijl u bekend is dat dit beslist niet is toegestaan. Op 7 mei jl. heeft uw leidinggevende gemeld dat wederom de betreffende tankpas werd vermist en zonder overleg en toestemming door iemand is meegenomen. Wij waren er derhalve ook niet mee bekend dat u de tankpas (opnieuw) had meegenomen en hebben dit ontdekt toen u op 11 mei jl. de tankpas inleverde en in uw e-mail van deze dag meldde de tankpas te hebben ingeleverd. Wij hebben onderzoek gedaan en daaruit volgt dat u op 1 mei jl. deze tankpas wederom heeft gebruikt om voor eigen gebruik brandstof te tanken, terwijl dit evenmin is toegestaan.”. 3.16 Per brief van 27 september 2018 heeft de Officier van Justitie op een verzoek om informatie van [verweerster] d.d. 29 mei 2018 meegedeeld: “Op 18 februari 2018 omstreeks 04:45 uur kreeg de politie een melding van een eenzijdig verkeersongeval. Een bestelauto, een Mercedes-Benz Vito met het kenteken [kentekennummer] is bij dit ongeval betrokken geweest. De bestelauto heeft een paal geraakt. Dhr. [Verzoeker] was de bestuurder van de bestelauto. Naar aanleiding van het ongeval is een ademanalyse bij dhr. [Verzoeker] uitgevoerd. Het onderzoeksresultaat bedroeg 620 ug/l. Het alcoholgehalte in de adem mag niet hoger zijn dan 220 ug/l. Dhr. [Verzoeker] bekent onder invloed te hebben gereden. Dhr. [Verzoeker] heeft op 5 april 2018 op een politierechterzitting gestaan voor rijden onder invloed en is veroordeeld tot een geldboete en een rijontzegging voor de duur van 6 maanden waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.” 3.17 [Verzoeker] kampt met een bipolaire stoornis. In verband daarmee is [Verzoeker] in 2010, 2013 en 2015 telkens enige tijd opgenomen geweest in een psychiatrische kliniek. In de periode van 16 juli 2018 tot 4 december 2018 is [Verzoeker] opnieuw opgenomen geweest. 4Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan 4.1 [Verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht: in het incident: [verweerster] te veroordelen tot doorbetaling van loon met bijkomende vergoedingen vanaf 3 mei 2018, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en wettelijke rente, en tot verstrekking van salarisspecificaties op straffe van een dwangsom en tot betaling van een voorschot op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten; in de hoofdzaak: primair: het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en te gelasten dat [Verzoeker] te werk wordt gesteld in zijn functie, op straffe van verbeurte van dwangsommen alsmede [verweerster] te veroordelen tot doorbetaling van loon vanaf 3 mei 2018, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en tot verstrekking van salarisspecificaties op straffe van een dwangsom; subsidiair: [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [Verzoeker] van een vergoeding van € 18.192,12 bruto wegens onregelmatige opzegging, van € 37.363,- bruto aan transitievergoeding en van € 54.576,36 bruto aan billijke vergoeding en tot het verstrekken van deugdelijke netto/bruto specificaties waar deze vergoedingen op verwerkt zijn op straffe van een dwangsom, alsmede [verweerster] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel BIK en tot betaling van wettelijke rente over alle voorgaande bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de betaling. [Verzoeker] verzocht voorts [verweerster] te veroordelen in de proceskosten met wettelijke rente. 4.2 [verweerster] heeft de afwijzing van het verzoek van [Verzoeker] bepleit. Subsidiair, voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, heeft [verweerster] verzocht de arbeidsovereenkomst met [Verzoeker] te ontbinden, primair wegens verwijtbaar handelen van [Verzoeker] en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Daarnaast heeft [verweerster] verzocht voor recht te verklaren dat [Verzoeker] ten gevolge van de opzegging of ontbinding geen recht heeft op een transitievergoeding en dat door [verweerster] op goede gronden een beroep op verrekening is gedaan omdat het aan [Verzoeker] te wijten is dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd met een ontslag op staande voet. Tot slot heeft [verweerster] verzocht [Verzoeker] voor zover mogelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten met nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. 4.3 De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking [verweerster] veroordeeld aan [Verzoeker] te betalen € 3.450,56 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 10% en wettelijke rente, en aan [Verzoeker] een deugdelijke loonspecificatie te verstrekken, onder afwijzing van het meer of anders verzochte en met compensatie van de proceskosten. 4.4 De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat het ontslag op staande voet van 3 mei 2018 rechtsgeldig is, gelet op het onrechtmatig onder zich houden van de bedrijfsbus, het gebruik van de tankpas in de strijd met de regels en de forse overschrijding van het aantal privé-kilometers zonder daarvoor te betalen. De persoonlijke omstandigheden van [Verzoeker] , zijn psychische klachten daaronder begrepen, staan aan een dergelijk ontslag niet in de weg en van een buitenproportionele sanctie is geen sprake. Voorts is overwogen dat de feiten en omstandigheden niet alleen een dringende reden opleveren maar ook ernstige verwijtbaarheid opleveren zodat [verweerster] geen transitievergoeding is verschuldigd en evenmin een billijke vergoeding. De door [Verzoeker] verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente delen dat lot. De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat er geen reden is om voor de duur van de procedure een voorziening te treffen. Vanwege de afwijzing van het verzoek van [Verzoeker] is de kantonrechter niet toegekomen aan de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Over de door [verweerster] gevorderde verklaring voor recht dat zij geen transitievergoeding is verschuldigd, is overwogen dat [verweerster] daar geen belang bij heeft. Haar verzoek tot verklaring voor recht dat zij op goede gronden een beroep op verrekening heeft gedaan, is afgewezen omdat volgens de kantonrechter niet op eenvoudige wijze kon worden vastgesteld dat het beroep op verrekening gegrond is. Op het door [Verzoeker] gevorderde achterstallig loon ad € 6.567,70 is door de kantonrechter de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW in mindering gebracht die [verweerster] wenste te verrekenen, zodat ter zake € 3.450,56 bruto toewijsbaar is, vermeerderd met, gezien de omstandigheden van het geval, een wettelijke verhoging van 10%. Voor een versterking van de verplichting tot verstrekking van deugdelijke loonspecificaties met een dwangsom heeft de kantonrechter geen reden gezien. In de uitkomst van de procedure heeft de kantonrechter aanleiding gezien de proceskosten te compenseren. 5De verzoeken in hoger beroep 5.1 [Verzoeker] heeft in zijn beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te beslissen dat: primair: a. [verweerster] binnen drie dagen na dagtekening van het arrest aan [Verzoeker] een arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht per 3 mei 2018 dient aan te bieden, onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als tussen partijen (op 2 mei 2018) reeds golden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, een gedeelte van een dag voor een hele gerekend, dat [verweerster] in gebreke blijft aan het arrest te voldoen, en [verweerster] het maandelijks loon van [Verzoeker] ad € 4.211,15 bruto exclusief 8% vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50%, over de periode van 3 mei 2018 tot de dag dat de arbeids-overeenkomst van [Verzoeker] rechtsgeldig zal zijn beëindigd, aan [Verzoeker] dient uit te keren, een en ander onder begeleiding van een deugdelijke bruto/nettospecificatie; subsidiair: a. [verweerster] binnen drie dagen na dagtekening van het arrest aan [Verzoeker] een arbeidsovereenkomst per dan, althans per een in goede Justitie te bepalen datum dient aan te bieden, onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als tussen partijen (op 2 mei 2018) reeds golden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, een gedeelte van een dag voor een hele gerekend, dat [verweerster] in gebreke blijft aan het arrest te voldoen; [verweerster] het maandelijks loon van [Verzoeker] ad € 4.211,15 bruto exclusief 8% vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% en met de wettelijke rente over de periode van 3 mei 2018 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst van [Verzoeker] door [verweerster] is hersteld, aan [Verzoeker] dient uit te keren, een en ander onder begeleiding van een deugdelijke bruto/nettospecificatie, en [verweerster] de transitievergoeding ad € 37.363,- bruto aan [Verzoeker] dient uit te keren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2018 tot de dag waarop de vergoeding aan [Verzoeker] is betaald, een en ander onder begeleiding van een deugdelijke bruto/nettospecificatie; meer subsidiair a. [verweerster] aan [Verzoeker] de transitievergoeding ad € 37.363,- bruto, alsmede een billijke vergoeding ad € 54.576,36 bruto, alsmede een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ad € 33.585,40 bruto dient uit te keren, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2018 tot de dag waarop de vergoedingen aan [Verzoeker] zijn betaald, een en ander onder begeleiding van een deugdelijke bruto/nettospecificatie; uiterst subsidiair a. [verweerster] de transitievergoeding ad € 37.363,- bruto aan [Verzoeker] dient uit te keren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2018 tot de dag waarop de vergoeding aan [Verzoeker] is betaald, een en ander onder begeleiding van een deugdelijke bruto/nettospecificatie; ten aanzien van de nevenvordering a. [verweerster] het achterstallig bedrag ad € 3.117,14 bruto vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% en met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2018 waarop het bedrag aan [Verzoeker] is betaald, een en ander onder begeleiding van een deugdelijke bruto/nettospecificatie; in alle gevallen I. de buitengerechtelijke incassokosten ad € 875,- door [verweerster] aan [Verzoeker] worden vergoed; II. [verweerster] wordt veroordeeld in de kosten van beide instanties. 5.2 [verweerster] heeft de verzoeken van [Verzoeker] bestreden en de afwijzing daarvan bepleit. Voor het geval dat de verleende ontslagen op staande voet geen stand houden, heeft [verweerster] verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op grond van artikel 7:683 lid 5 BW en/of artikel 7:671b lid 1 sub a jo. artikel 7:669 lid 3 sub e BW (verwijtbaar handelen) subsidiair op grond van artikel 7:683 lid 5 BW en/of artikel 7:671b lid 1 sub a jo. artikel 7:669 lid 3 sub g BW (verstoorde verhouding). [verweerster] heeft voorts verzocht: - de verklaring voor recht te geven dat [verweerster] ten gevolge van de opzegging of ontbinding op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW aan de heer [Verzoeker] geen transitievergoeding verschuldigd is; - de verklaring voor recht af te geven dat op goede gronden een beroep op verrekening is gedaan door [verweerster] en verbintenissen op dit vlak teniet zijn gegaan door deze verrekening, omdat de heer [Verzoeker] door zijn opzet of schuld en ook ernstig verwijtbaar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op staande voet op te zeggen; - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de heer [Verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van de buitengerechtelijke kosten (staffel BIK), de kosten van deze procedure en kosten gemachtigde inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking. 6. De beoordeling in hoger beroep Omvang van het hoger beroep 6.1 [verweerster] heeft tegen het beroepschrift van [Verzoeker] een verweerschrift ingediend dat zij mede heeft betiteld als “zelfstandig verzoekschrift ex artikel 7:683 lid 5 BW en/of artikel 7:671b BW (voor zover vereist) tevens houdende verzoekschrift ex artikel 7:677 BW”. [Verzoeker] heeft mede in reactie daarop haar stuk van 14 maart 2019 ingediend. Bij de mondelinge behandeling heeft [verweerster] - daar naar gevraagd - zich op het standpunt gesteld dat zij geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. In overeenstemming met de daarop gedane mededeling van die strekking van [Verzoeker] , zal het hof het stuk van 14 maart 2019 dan ook ter zijde laten, voor zover het een verweerschrift behelst. 6.2 [Verzoeker] heeft in zijn stuk van 14 maart 2019 gesteld een nadere toelichting te geven op zijn dertiende beroepsgrond. Anders dan [Verzoeker] stelt, bevat dat stuk echter een aanvullende beroepsgrond. In die toelichting wordt immers een beroep gedaan op de in artikel 7:686a BW jo 7:677 BW bedoelde vervaltermijn van twee maanden. Dit beroep is door [Verzoeker] niet eerder gedaan, niet in de procedure in eerste aanleg en niet in zijn beroepschrift. [verweerster] heeft - daar naar gevraagd - uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de aanvulling van de beroepsgronden. 6.3 Aan de aanvullende beroepsgrond komt het hof niet toe, omdat ingevolge artikel 362 Rv in verbinding met de artikelen 359 en 347 lid 1 Rv ook in hoger beroep het bepaalde in artikel 278 lid 1 Rv geldt. [Verzoeker] heeft niets aangevoerd dat een uitzondering rechtvaardigt op het voorschrift van artikel 278 lid 1 Rv dat inhoudt dat de gronden in het beroepschrift moeten staan. Dit voorschrift toepassende en gezien het bezwaar van [verweerster] tegen de wijziging van het verzoek is de aanvullende beroepsgrond te laat ingediend, zodat deze als in strijd met de regels van een behoorlijke procesorde buiten beschouwing zal worden gelaten. Recht zal worden gedaan op het in het beroepschrift opgenomen verzoek en de daaraan ten grondslag liggende beroepsgronden. 6.4 In haar verweerschrift van 21 januari 2019 heeft [verweerster] het hof verzocht, voor het geval de ontslagen op staande voet geen stand houden, de arbeidsovereenkomst met [Verzoeker] te ontbinden. Wanneer het hof tot het oordeel zou komen dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek van [Verzoeker] tot vernietiging van het ontslag heeft afgewezen, heeft het hof in verband van de devolutieve werking van het hoger beroep al rekening te houden met het door [verweerster] in eerste aanleg gedane voorwaardelijk ontbindingsverzoek, zodat [verweerster] in zoverre dit verzoek in hoger beroep zonder noodzaak heeft herhaald. Overigens dient het hof, wanneer het tot het hiervoor vermelde oordeel zou komen over de beslissing van de kantonrechter, in het licht van de mogelijkheden die artikel 7:683 lid 3 BW het hof geeft, (ex nunc) te oordelen of herstel van de arbeidsovereenkomst dan wel een billijke vergoeding is aangewezen. 6.5 Tot slot, wat de omvang van het hoger beroep betreft, kan [verweerster] niet worden gevolgd in haar stelling dat [Verzoeker] niet tijdig een verzoek tot vernietiging van het aan hem op 15 mei 2018 voor zover vereist gegeven ontslag op staande voet heeft ingediend, dat dat ontslag geen onderdeel heeft gevormd van de rechtstrijd van partijen, en dat dit ontslag al in rechte zou vaststaan. In zijn verzoekschrift in eerste aanleg heeft [Verzoeker] zich onder punt 7 uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat beide ontslagen onterecht zijn gegeven, waarna hij de vernietiging van ‘het ontslag op staande voet’ heeft gevorderd en onder (onder meer) doorbetaling van loon vanaf 3 mei 2018. De kantonrechter is er vervolgens - terecht - vanuit gegaan dat niet alleen het ontslag van 3 mei 2018 maar ook zo nodig dat van 15 mei 2018 dient te worden beoordeeld. Dit betekent dat het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep het ontslag van 15 mei 2018 in de beoordeling zal hebben te betrekken indien het van oordeel is dat het verzoek tot vernietiging van het ontslag van 3 mei 2018 ten onrechte is afgewezen. Beroepsgronden 6.6 [Verzoeker] heeft dertien beroepsgronden aangevoerd tegen de beschikking van 26 oktober 2018. De gronden 1 tot en met 4 en 6 keren zich tegen de door de kantonrechter aangenomen dringende reden. Volgens grond 5 kan het verweten handelen en nalaten niet aan [Verzoeker] worden toegerekend, terwijl [Verzoeker] met grond 7 betoogt dat zijn persoonlijke omstandigheden onjuist zijn meegewogen. De gronden 8 tot en met 12 komen op tegen de afwijzing van zijn verzoeken tot vernietiging van het ontslag op staande voet onderscheidenlijk tot toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding, een vergoeding voor onregelmatige opzegging en nevenverzoeken, waarbij volgens grond 8 de ontslagen niet onverwijld zijn gegeven. Grond 13 keert zich het oordeel dat [Verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding in de zin van artikel 7:677 lid 2 BW aan [verweerster] is verschuldigd, die voor verrekening vatbaar is met wat [verweerster] aan eindafrekening aan [Verzoeker] diende te voldoen. Ontslag op staande voet algemeen 6.7 Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Het hof zal tegen deze achtergrond eerst het ontslag van 3 mei 2018 bespreken en daarna dat van 15 mei 2018. Dringende reden; 3 mei 2018 6.8 [verweerster] heeft het ontslag op staande voet van 3 mei 2018 gebaseerd op een samengestelde dringende reden, waarbij alle opgegeven redenen zowel afzonderlijk als samen een dringende reden opleveren voor het ontslag. 6.9 Uit de ontslagbrief van 3 mei 2018 blijkt dat het gaat om gedragingen ten aanzien van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.