← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2019:3638

WAHV 200.210.977 24 april 2019 CJIB 189778034 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2016 betreffende mr. [A] (hierna te noemen: [A] ), kantoorhoudende te [B] , beweerdelijk optredende namens [betrokkene] , (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [C] . Het tussenarrest Bij tussenarrest van 8 november 2018 heeft het hof [A] in de gelegenheid gesteld om een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij namens de betrokkene is gemachtigd om administratief beroep in te stellen. De inhoud van dat arrest wordt als ingelast beschouwd. Het verdere procesverloop Op 3 december 2018 is een schrijven van [A] ontvangen. Hierop is op 20 december 2018 een reactie ontvangen van de advocaat-generaal. Beoordeling

  1. Gelet op de inhoud van het tussenarrest zal het hof de beslissing van de kantonrechter, alsmede de beslissing van de officier van justitie, vernietigen. De overige bezwaren gericht tegen deze beslissingen behoeven geen bespreking meer.
  2. Om vast te kunnen stellen of [A] gemachtigd is om beroep tegen de inleidende beschikking in te stellen, is van belang dat in artikel 6, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften is bepaald dat degene tot wie de beschikking is gericht, administratief beroep kan instellen bij de officier van justitie. Uit artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt voorts dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen kan laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Bij twijfel kan op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel een schriftelijke machtiging worden verlangd van de pretense gemachtigde teneinde vast te kunnen stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient, bevoegd is namens deze beroep in te stellen.
  3. [A] geeft in zijn schrijven van 3 december 2018 te kennen niet in het bezit te zijn van een (recente) machtiging. Toegevoegd is de door de betrokkene via de website van het kantoor van [A] ingediende opdracht aan [A] om beroep in te stellen tegen de onderhavige inleidende beschikking.
  4. Het door [A] overgelegde stuk voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Immers is geen sprake van een schriftelijke en ondertekende machtiging waaruit volgt dat de betrokkene [A] machtigt om namens hem administratief beroep in te stellen in de onderhavige zaak. Ook blijkt uit dit stuk niet wat de reikwijdte is van de werkzaamheden die [A] namens de betrokkene zou verrichten in de onderhavige procedure.
  5. Nu het verzuim een deugdelijke machtiging over te leggen niet is hersteld, zal het hof het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaren.
  6. Gelet op het voorgaande acht het hof geen termen aanwezig de advocaat-generaal te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten. Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.