GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.252.646/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/123603 / FA RK 18-1369) beschikking van 30 april 2019 inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. L.A.E. Timmer te Rotterdam, en de raad voor de kinderbescherming, locatie Groningen, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: 1Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht, verder te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), 2 [de pleegouders1] , wonende te [B] , verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] , 3 [de pleegouders2] , wonende op een geheim adres, verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige2] . 1 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 12 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 11 januari 2019; - een brief van de raad van 15 februari 2019; - een brief van mr. Timmer van 25 februari 2019 met productie(s). 2.2 De na te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben bij brief van 4 februari 2019 respectievelijk op 18 maart 2019 binnengekomen brief aan het hof hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 25 maart 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de heer [C] namens de raad; - mevrouw [D] namens de GI, en - de pleegmoeder van [de minderjarige2] . 3De feiten 3.1 Uit de in 2006 beëindigde affectieve relatie van de moeder en [E] (hierna: de vader) zijn geboren [in] 2004 [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ) en [in] 2005 [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ). De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent sinds 2009 alleen het gezag uit over de kinderen. 3.2 Voor de overige weergave van de feiten verwijst het hof naar zijn beschikking van 26 februari 2019 in het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en tegen de verlenging van de uitoefening van het gezag door de GI met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van [de minderjarige2] (zaaknummers 200.247.364/01 en 200.247.386/01). Zoals ter zitting is meegedeeld heeft het hof ambtshalve kennisgenomen van die beschikking. Een afschrift van deze beschikking is in dit dossier gevoegd. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI tot voogd over de kinderen benoemd. 4.2 De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 12 december 2018. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de beschikking van 12 december 2018 te vernietigen en primair opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot beëindiging van haar ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af te wijzen dan wel subsidiair bij toewijzing van dat verzoek een informatieregeling vast te stellen als onder punt 12 van het hoger beroepschrift verzocht. 4.3 De raad voert verweer en verzoekt de beschikking van 12 december 2018 te bekrachtigen. 4.4 Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken. 5. De motivering van de beslissing Gezag (grief 1) 5.1 Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 5.2 Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. 5.3 Het beroepschrift van de moeder bestaat grotendeels uit het verweerschrift in eerste aanleg. Het hof leest in de eerste grief van de moeder en de daarop door en namens haar gegeven toelichting geen andere relevante stellingen dan zij in eerste aanleg heeft aangevoerd en die de rechtbank gemotiveerd en op goede gronden, althans in ieder geval ten aanzien van [de minderjarige2] , heeft verworpen. Het hof neemt die motivering - na eigen onderzoek - over en maakt die tot de zijne. Voorts verwijst het hof naar genoemde recente beschikking van 26 februari 2019. Het daarin overwogene geeft een goede weergave van de grote zorgen over het gezin van de moeder en is in deze zaak onverminderd relevant. Het hof verwijst in het bijzonder naar rechtsoverwegingen 5.5 tot en met 5.10 van die beschikking. In aanvulling daarop overweegt het hof nog als volgt. [de minderjarige2] 5.4 heeft en wil al ruim 2,5 jaar geen contact met de moeder. Zij is extreem angstig voor de moeder. Hoewel kinderpsychiatrische behandeling van [de minderjarige2] , al dan niet door toedoen van de GI, mogelijk te lang op zich heeft laten wachten (de destijds behandelend kinderarts repte daar eind 2015 al over), zoals de moeder heeft betoogd, vindt het hof het voor het nemen van zijn huidige beslissing niet relevant wat de oorzaak van de angsten van [de minderjarige2] (voor de moeder) is. Voorop staat dat gebleken is dat het al langere tijd ronduit slecht gaat met [de minderjarige2] . Zij heeft last van stemmingsproblematiek en wil soms niet meer leven. Naar aanleiding van een poging tot suïcide is zij in november 2018 voor een week opgenomen geweest in [F] te [G] . Momenteel verblijft zij daar ook. Samen met de pleegmoeder en haar jongste pleegzusje is zij gedurende langere tijd opgenomen voor intensieve traumabehandeling. [de minderjarige2] krijgt o.a. psychomotorische therapie en mindfulness. De pleegmoeder heeft ter zitting verteld dat [de minderjarige2] inmiddels goed is ingesteld op medicatie en in [F] goed slaapt. 5.5 Duidelijk is dat de moeder, althans de relatie tussen [de minderjarige2] en de moeder, op welke manier dan ook een groot onderdeel uitmaakt van de (psychische) problematiek van [de minderjarige2] . In dit stadium van haar behandeling wordt de moeder door [de minderjarige2] in ieder geval nog als zeer bedreigend ervaren. Bij deze stand van zaken kan van [de minderjarige2] niet worden verlangd dat juist de moeder beslissingen neemt over voor haar belangrijke zaken. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [de minderjarige2] over twee maanden veertien jaar wordt. Gezien de extreme manier waarop [de minderjarige2] zich afzet tegen de moeder en de omstandigheid dat zij daarvoor nog volop in behandeling is valt herstel van de opvoedingsrelatie tussen de moeder en [de minderjarige2] niet binnen afzienbare termijn te verwachten. Nog los van alle andere zorgen omtrent [de minderjarige2] ligt het perspectief van [de minderjarige2] reeds daarom niet meer bij de moeder. [de minderjarige2] kan verder opgroeien bij de pleegouders die haar ondersteunen bij de intensieve behandelingen. [de minderjarige2] wil zelf ook graag bij de pleegouders blijven. Gelet op de actuele zeer complexe en zorgelijke situatie waarin [de minderjarige2] verkeert, dient zij nu vooral de rust en de ruimte te krijgen om - samen met de pleegouders - aan haar herstel te werken. Beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige2] zal daar aan bijdragen. Bovendien ziet het hof in de huidige situatie voor de moeder ook praktisch geen reële mogelijkheden om invulling te geven aan haar gezag over [de minderjarige2] . [de minderjarige1] 5.6 Het gebrek aan terugkeerperspectief van [de minderjarige1] (thans 15 jaar) naar de moeder acht het hof minder evident dan dat van [de minderjarige2] . Toch komt het hof ook ten aanzien van [de minderjarige1] tot het oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd, teneinde de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie te waarborgen. Daartoe overweegt het hof als volgt. 5.7 De tot de bestreden beschikking van kracht zijnde kinderbeschermingsmaatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, steeds verlengd en driemaal getoetst in hoger beroep, kunnen niet los worden gezien van de belaste voorgeschiedenis van dit gezin. Voorafgaand aan de (aanvankelijk vrijwillige) uithuisplaatsing van [de minderjarige2] eind 2015 was in de thuissituatie bij de moeder al jaren sprake van een onrustige opvoedingsomgeving voor beide kinderen. Het hof verwijst in dit verband naar rechtsoverwegingen 5.12 tot en met 5.14 van zijn beschikking van 1 juni 2017 (200.212.058/01) in het hoger beroep over de verlenging van de uithuisplaatsing, woordelijk luidend als volgt: " 5.12 In de thuissituatie bij de moeder is al jaren sprake is van een onrustige opvoedingsomgeving voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De kinderen zijn geconfronteerd geweest met huiselijk geweld toen moeder een gezin vormde met de vader. Het hof oordeelt het van algemene bekendheid dat huiselijk geweld alle leden van het gezin raakt, al dan niet rechtstreeks, en dat zulks met name voor kinderen zeer schadelijk is voor hun ontwikkeling. Dit heeft ook voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te gelden. 5.13 Ook heeft aan de onrust bijgedragen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op veel verschillende plekken hebben gewoond. De moeder en de kinderen zijn in de periode van 2006 tot 2014 12 keer verhuisd. Daarnaast is [de minderjarige1] eerder ook eens uit huis geplaatst geweest, en is er sprake geweest van opnamen van een (van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.