GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.192.332/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/141630 / HA ZA 13-169) arrest van 18 juni 2019 in de zaak van Crop Belastingadviseurs, gevestigd te Amersfoort, appellante, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna: Crop, advocaat: mr. J.J. Veldhuis, kantoorhoudend te Leeuwarden tegen 1 [geïntimeerde1] , wonende te [A] , hierna: [geïntimeerde1],
(2005)in beeld gekomen toen bleek dat de kwekersrechten vanuit Curaçao onvoldoende beschermd konden worden. 8. Tijdens de bespreking op 24-1-2008 is aangegeven dat de werkzaamheden in Zwitserland plaatsvinden door de heer [H] te Marly, Zwitserland. Deze bepaalt of er patenten worden aangevraagd aan de hand van door Smit kwekerijen en derden aangeleverd kwartaalverkopen. Dhr [H] zou voldoende kennis hebben van de markt om dergelijke beslissingen te nemen. Dhr [H] blijkt uit een uitdraai van het Zwitsers handelsregister van 3 december 2008 voor 38 verschillende bedrijven dergelijke functies te vervullen. Ons is niet gebleken van enige specifieke deskundigheid op het gebied van kwekersrechten. Ook in de notulen van Smit Kwekerijen wordt de naam van [H] niet genoemd. 9. Het ontwikkelen van nieuwe planten gebeurt formeel in opdracht van de KSH NV door Kwekerij Smit Sappemeer BV en door Koning Smit Innovation BV te Sappemeer. Hier zijn dienstverleningscontracten afgesloten. In KSH NV zit voor zover bekend geen deskundigheid om het proces te managen dat uiteindelijk leidt tot een patent. Overigens is dit tijdens de bespreking op 24 november 2008 met zoveel woorden aangegeven. De deskundigheid zou in Zwitserland zitten. 10. In een artikel uit 'Groeikans' van oktober-november 2007 wordt aangegeven dat [geïntimeerde1] de leiding heeft over het bedrijfsonderdeel dat zich bezig houdt met productinnovatie. Hij zoekt de planten uit, en vermeerdert ze en zoekt uit hoe ze het beste geteeld kunnen worden. [geïntimeerde2] zorgt voor de kwekerij en [I] voor de verkoop. In een artikel uit 'Onder Glas’ van september 2006 wordt gesproken van het gouden tandem wereldwijd op jacht naar nieuwe planten. [geïntimeerde2] is de kweker, [geïntimeerde1] de bedenker. "Als we iets nieuws hebben, halen we er enkele klanten bij. Zij leveren commentaar, geven hun wensen aan en je hebt al gauw door of ze er wat in zien. Als we ze een partij planten aan ze mee geven en ze willen er dezelfde dag meer van hebben weet je dat het iets kan worden, aldus [geïntimeerde1] ”. "Je werkt jaren aan sommige planten voordat ze rijp zijn voor de markt. Gelukkig komt er op steeds meer producten kwekersrecht. Daardoor is het gemakkelijker de markt te sturen. Je kunt die hoeveelheid produceren waarvan je denkt dat de markt het hebben kan. Wij denken dat je juist een procentje minder moet kweken dan de markt vraagt". Uit deze artikelen, maar ook uit overige informatie, b.v. uit notulen, blijkt niet dat Curaçao of Zwitserland enige rol van betekenis hebben. Zo wordt in de notulen van de Raad van Commissarissen van 7 juni 2005 opgemerkt: "In de rondvraag wordt nog even gesproken over het 'hart' van het bedrijf. Ligt dat aan de Siepweg, aan de Rijksweg of ergens tussenin?? De vraag is waar productontwikkeling zou moeten plaatsvinden. Waar zouden [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hun vaste werkplek moeten hebben?" 11. Op grond van het bovenstaande acht ik een passende beloning voor de functies die Zwitserland en Curaçao uitoefenen, nl het zijn van lichaam waarin de kwekersrechten zijn ondergebracht niet meer dan een cost+plus 5. (…) 15. Vanaf I mei 2005 lopen de in- en verkoopactiviteiten van Jonge orchideeën via de Cypriotische King Smit Flowers Ltd. De Ltd wordt getypeerd als in- en verkoopmaatschappij, oftewel als handelshuis. De inkoop van zaailingen vindt plaats in Thailand. De Thai zijn in het verleden met name bezocht door de heer [geïntimeerde1] . Vanaf 2008 komen de Thai een aantal malen per jaar naar Nederland. De verkoopactiviteiten vinden plaats door het vaste aanspreekpunt in Nederland in de vorm van de werknemer van Koning Smit International BV. Deze werkzaamheden worden te Sappemeer uitgevoerd. De orchideeën (zaailingen) doen Cyprus niet aan, maar worden rechtstreeks vanuit Thailand naar Nederland vervoerd. KSF Ltd heeft geen eigen verkoopapparaat. De Ltd. is niet kenbaar op internet. De Ltd. heeft een part-time administratieve kracht. 16. In het reeds eerder genoemde 'Onder glas' van september 2006 wordt het volgende opgemerkt: “met een Thais bedrijf heeft [geïntimeerde1] al jaren een samenwerkingsverband. Voor dat bedrijf zijn Smit Kwekerijen en de Cameleon groep 'dealer' van de Phalaenopsis voor de Nederlandse markt. Wij maken hier in Nederland van die orchideeën proefkruisingen. In Thailand worden ze uitgezaaid waarna de zaailingen in flessen op voedingsbodem weer naar Nederland komen”. 17. De belastingplichtige onderbouwt de zakelijkheid door aan te geven dat in 2005 activiteiten vanuit Nederland naar Cyprus zijn overgedragen, en dat daarover in Nederland is afgerekend. Dat de activiteiten daarna in Cyprus zijn geëxplodeerd is te danken aan marktomstandigheden (besmettingen in laboratoria van Floricultura eind 2006 veel vraag van voormalige rozenkwekers). Van de zijde van de BD wordt aangevoerd dat het de vraag is of een dergelijke overdracht tussen derden überhaupt tot stand zou komen, nu de Cyprus vennootschap op geen enkele wijze in staat is de in- en verkoop activiteiten te managen. Ze ontbeert zowel het inkoopapparaat als het verkoopapparaat, en daarnaast is ze niet in staat om een adequate controle uit te oefenen op de ingekochte goederen. Gelet op de activiteiten die de Cyprus Vennootschap uitvoert acht de BD een cost plus 5 % een adequate beloning. (…) Conclusie 20. De BD is bereid op basis van bovenstaande correctievoorstellen het verleden op te lossen. Daarbij worden er geen bestuurlijke boetes opgelegd. De BD is ook bereid rekening te houden met de Vpb die in Cyprus is betaald. Mochten de heren [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] niet op bovenstaande voorstellen willen ingegaan, dan vervallen ze en zal de BD de stellingen innemen die hij gepast acht. Deze zijn verdergaand dan hierboven is verwoord. Daarbij komt ook de discretionaire bevoegdheid van een bestuurlijke boete aan de orde. Alsdan zal eerst nog nadere feitenonderzoek plaatsvinden teneinde ook evt. subsidiaire stellingen nader te onderbouwen. 2.26 In een vaststellingsovereenkomst van 20 mei 2011 zijn Smit c.s. en de belastingdienst een schikking overeengekomen ten aanzien van de gerezen geschillen. In de daarvan opgemaakte akte valt, voor zover van belang, het volgende te lezen. Omschrijving van het geschil De kwestie waarover partijen van mening verschillen/in onzekerheid verkeren (hierna: het Geschil) luidt als volgt: Naar aanleiding van een boekenonderzoek door Partij B (de belastingdienst, hof) over de jaren 2003 tot en met 2006, aangevangen op 28 april 2008 bij één of meerdere (rechts)personen van Partij A ( [geïntimeerden] c.s., hof), waartoe eveneens behoren Koning Smit Holding NV, statutair gevestigd te Willemstad, Curaçao, Chuchubiweg 17, fiscaal nummer 8216.78.310, King Smit Flowers Ltd, statutair gevestigd te Limassol, Cyprus, Rossidi no 2 en Koning Smit IPR SA, statutair gevestigd te Fribourg, Zwitserland, (CH-I70J), Rue Saint Pierre 18 (Koning Smit Holding NV, Koning Smit IPR SA, King Smit Flowers Ltd hierna tezamen ook te noemen: de Buitenlandse Vennootschappen), neemt Partij B het standpunt in dat de (jaar)winst van de Buitenlandse Vennootschappen over de totale periode waarin deze (rechts)personen actief zijn geweest in Nederland voor een deel belast is voor de heffing van de vennootschapsbelasting en voor een ander deel voor de heffing van inkomstenbelasting en premieheffing. Partij B heeft primair gesteld dat de Buitenlandse Vennootschappen feitelijk in Nederland zijn gevestigd. Subsidiair heeft Partij B gesteld dat de Buitenlandse Vennootschappen een vaste inrichting in Nederland hebben. Partij B heeft meer subsidiair gesteld, dat een of meer van de in Nederland gevestigde (rechts)personen van Partij A in gelieerde verhoudingen met de Buitenlandse Vennootschappen verrekenprijzen hebben gehanteerd die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. (...) De aldus door de Buitenlandse Vennootschappen behaalde resultaten dienen naar het oordeel van Partij B dientengevolge op grond van het primaire, subsidiaire en/of meer subsidiaire standpunt (nagenoeg geheel) te worden belast in Nederland. Partij A is bij het oprichten en onderhouden van de Buitenlandse Vennootschappen geadviseerd, begeleid en ondersteund door de belastingadviseur(s). Ten tijde van het bestaan van de Buitenlandse Vennootschappen, heeft het Nederlandse deel van de structuur van Partij A aanzienlijke verliezen geleden. Indien de Buitenlandse Vennootschappen niet zouden zijn opgericht dan wel deze Buitenlandse Vennootschappen niet de activiteiten hadden verricht die zij hebben verricht, had Partij A de in de Buitenlandse Vennootschappen gedane werkzaamheden binnen vennootschapsstructuur verricht. Alsdan had de winst die door de Binnenlandse Vennootschappen is behaald zodanig kunnen worden gealloceerd dat deze had kunnen worden verrekend met de verliezen van het Nederlandse deel van de structuur. (...) 4. Inhoud van de overeenkomst - De winst van de Buitenlandse Vennootschappen over de periode 2001 tot en met 2008 (hierna: Buitenlandse Winst) wordt, onder inhouding van een cost plus van 5%, onderworpen aan de Nederlandse belastingheffing. - De in het buitenland geheven belasting over de Buitenlandse Winst wordt als kosten in mindering gebracht op de in Nederland te belasten Buitenlandse Winst. - 50% van de Buitenlandse Winst wordt toegerekend aan Smit Kwekerijen II BV, Eden Collection BV en vervolgens zo nodig aan Smit Sappemeer Beheer BV, conform het overzicht opgenomen onder bijlage 1. - [geïntimeerde1] Beheer BV enerzijds en Eden Collection BV, Smit Kwekerijen II BV en/of Smit Sappemeer Beheer BV anderzijds zijn overeengekomen dat een bedrag van € 1.000.000 (zegge één miljoen euro) van de Buitenlandse Winst die in principe zou worden toegerekend aan [geïntimeerde1] Beheer BV, aan eerstgenoemde vennootschappen zal worden toegerekend. Partij B stemt hiermee in. - Voor voornoemde winst toerekening van € 1.000.000 stelt [geïntimeerde1] Beheer BV Eden Collection BV schadeloos voor een bedrag van € 220.000 voor de hierdoor door laatstgenoemde in dit verband te derven verliescompensatie. Deze schadeloosstelling is niet onderworpen aan de heffing van omzetbelasting. - De schadeloosstelling van € 220.000 zal worden belast bij Eden Collection BV in het jaar 2011. [geïntimeerde1] Beheer BV kan dit bedrag ten laste van haar resultaat brengen in het jaar 2007. - De aan Eden Collection BV, Smit Kwekerijen II BV en zo nodig Smit Sappemeer Beheer B V toegerekende Buitenlandse Winst, zal op pragmatische gronden worden Verrekend met de bij deze vennootschappen aanwezige verliezen. Een overzicht van de verliezen per vennootschap is opgenomen in het overzicht onder bijlage 4. - De resterende Buitenlandse Winst wordt toegerekend aan deels de heer [geïntimeerde1] (hierna: de heer [geïntimeerde1] ) en deels [geïntimeerde1] Beheer BV, conform het overzicht opgenomen onder bijlage 2. o De resterende winst (onder inhouding van een cost plus van 5%) van King Smit Flowers Ltd en Koning Smit IPR SA wordt toegerekend aan [geïntimeerde1] Beheer BV. De hieraan te relateren vennootschapsbelasting zal [geïntimeerde1] Beheer BV verhalen op de heer [geïntimeerde1] . Het verhaalde bedrag is voor de heffing van de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen te kwalificeren aftrekbaar negatief loon voor de heer [geïntimeerde1] . o De resterende winst (onder inhouding van een cost plus van 5%) van Koning Smit Holding NV wordt toegerekend aan de heer [geïntimeerde1] als winst uit onderneming. De inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen die ter zake door de heer [geïntimeerde1] verschuldigd is zal worden verminderd met de inkomstenbelasting die de heer [geïntimeerde1] heeft betaald als gevolg van dividenduitkeringen van Koning Smit Holding NV aan de heer [geïntimeerde1] (bijlage 3). - Het resultaat van King Smit Flowers Ltd wordt vanaf 1 januari 2008 toegerekend aan Eden Collection BV. - Het resultaat van Koning Smit IPR SA over de jaren 2009 en verder wordt toegerekend aan [geïntimeerde1] Beheer BV voor 50% en O.J. Smit Beheer BV en/of Eden Collection BV voor in totaal 50%. - Het resultaat van Koning Smit Holding NV over de jaren 2009 en verder wordt toegerekend aan de heer [geïntimeerde1] als winst uit onderneming voor 50%. De andere 50% van het resultaat wordt toegerekend aan Eden Collection BV. - Het resultaat tot en met 2008 wordt voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en vennootschapsbelasting in het jaar 2007 met de alsdan geldende tarieven gecorrigeerd. Overige voorwaarden De kwekersrechten (dan wel licenties daarvan of aanspraken daarop) welke tot het vermogen van de Buitenlandse Vennootschappen behoren, worden conform bijlage 5 overgedragen aan Eden Collection BV, [geïntimeerde1] Beheer BV en Koning & Koning BV. Voornoemde rechten worden op nihil gewaardeerd op de balans van de Nederlandse verkrijger(
- s)behorend tot Partij A. Indien de overdracht van deze rechten leidt tot kosten of tot belastingheffing bij de Buitenlandse Vennootschappen, dan zal deze belastingheffing voor de winst van de Nederlandse verkrijgers fiscaal neutraal worden afgewikkeld. Voor voordelen voortvloeiend uit immateriële activa die tot het vermogen van de Buitenlandse Vennootschappen behoren en waarvoor een kwekersrecht is verleend na 1 januari 2007 zal, na overdracht aan de Nederlandse verkrijger(s), de octrooibox (tot 1 januari 2010) en de innovatiebox (vanaf 1 januari 2010) als bedoeld in artikel 12b Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden aangevraagd. Na toetsing aan de relevante voorwaarden zal beoordeeld worden of en in hoeverre dit artikel van toepassing is. De kwekersrechten worden geacht door de in Nederland gevestigde verkrijgende rechtspersonen zelf te zijn voortgebracht. De in het buitenland ten aanzien van deze kwekersrechten betaalde (voortbrengings)kosten worden toegerekend aan deze rechtspersonen. De Buitenlandse Vennootschappen zullen geen nieuwe activiteiten ontwikkelen. De Buitenlandse Vennootschappen zullen worden geliquideerd en/of ontbonden, zodra dit op grond van het recht van het land waar de Buitenlandse Vennootschappen zijn gevestigd mogelijk is en hiertoe zijdens partij A geen bezwaren bestaan in verband met nog lopende juridische procedures. Aandeelhouders van de Buitenlandse Vennootschappen zullen alle noodzakelijke (formele) besluiten nemen om uitvoering te kunnen geven aan het voorgaande in deze alinea. 2.27 [geïntimeerden] c.s. hebben [D] , Crop en Aksos aansprakelijk gesteld voor geleden schade en betaalde kosten, verbonden aan de internationale constructies. 3. De vordering in eerste aanleg, de beslissing van de rechtbank en de vordering in hoger beroep 3.1 De procedure in eerste aanleg is gevoerd tegen Crop, Aksos en [D] . Aksos en [D] zijn afzonderlijk in hoger beroep gekomen. Die zaak - die gelijktijdig met deze zaak door het hof ter zitting is behandeld, en waarin ook gelijktijdig uitspraak wordt gedaan - staat bij het hof geregistreerd onder nummer 200.193.965. 3.2 [geïntimeerden] c.s. hebben gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart (
- i)dat Crop door de wijze waarop zij heeft gehandeld in het kader van de advisering, implementatie e.d. van de internationale fiscale structuur, c.q. heeft nagelaten adequaat te handelen, toerekenbaar tekort is geschoten jegens [geïntimeerden] c.s., althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en (
- ii)dat de tussen partijen in de loop der jaren ter zake van de in de dagvaarding omschreven werkzaamheden gesloten overeenkomsten zijn ontbonden, voor zover nodig in verband met de ongedaanmakingsverplichting, aldus de terugbetaling van alle door [geïntimeerden] c.s. ten onrechte betaalde declaraties, die door Crop ter zake van de werkzaamheden aan hen zijn verzonden en die door [geïntimeerden] c.s. zijn voldaan. Ook is gevorderd dat Crop wordt veroordeeld om aan [geïntimeerden] c.s. hun schade te betalen, waaronder mede begrepen al hetgeen zij uit hoofde van de door Crop in de loop der jaren gezonden declaraties hebben voldaan, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ten slotte is een veroordeling gevraagd tot betaling van een voorschot van € 300.000,-, ook te vermeerderen met wettelijke rente. 3.3 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 24 februari 2016, zoals verbeterd op 22 april dat jaar, voor recht verklaard dat Crop door de wijze waarop zij heeft gehandeld in het kader van de advisering en implementatie van de internationale fiscale constructies, c.q. heeft nagelaten adequaat te handelen, toerekenbaar tekort is geschoten jegens [geïntimeerden] c.s. en dat de tussen partijen in de loop der jaren gesloten overeenkomsten zijn ontbonden. Crop is veroordeeld om aan [geïntimeerden] c.s. te vergoeden hun schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, respectievelijk zal worden geleden, nader op te maken bij staat, met veroordeling tot betaling van een voorschot van € 75.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4De beoordeling van de grieven De herstelfunctie van het hoger beroep 4.1 In grief I heeft Crop de rechtbank verweten dat zij buiten het debat van partijen is getreden. Het hof begrijpt dat die grief meer specifiek ziet op de maatstaf bij de bepaling van de op Crop rustende waarschuwingsplicht (MvG 2.25). Wat daarvan ook zij, gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep, stond het [geïntimeerden] c.s. vrij die maatstaf alsnog aan hun vordering ten grondslag te leggen, zoals zij ook hebben gedaan. Daarmee is het belang aan dit verwijt komen te ontvallen. Voor het overige lenen de grieven zich voor de volgende gemeenschappelijke, thematische bespreking. De diverse overeenkomsten en de partijen bij die overeenkomsten 4.2 De rechtbank is ervan uitgegaan dat geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen de oorspronkelijke eisers onderling, en heeft hen bij de beoordeling als één partij beschouwd. Nu daartegen geen bezwaren zijn aangevoerd, zal het hof de rechtbank daarin volgen. Wat betreft de betrokkenheid van Crop is de rechtbank uitgegaan van de periode vanaf medio 2000 tot 1 maart 2005 - de datum waarop [D] bij Crop uit dienst is getreden. In hoger beroep staat ook dat als onbestreden vast. 4.3 In grief 3 heeft Crop opgemerkt dat twee overeenkomsten van opdracht met haar zijn gesloten die hebben geleid tot respectievelijk de memo van 23 oktober 2000 en die van 27 mei 2004. [geïntimeerden] c.s. hebben dat uitgangspunt niet bestreden. Daarom zal het hof het overnemen. Naast deze twee overeenkomsten is echter ook sprake van een opdracht (althans van voortbouwende opdrachten) tot de implementatie van het advies uit 2000. Het hof verwijst wat dat aangaat naar de overeenkomsten uit 2002 en 2004 en het addendum uit 2005 met KSH (producties 7 en verder bij de inleidende dagvaarding) en de daarmee verband houdende werkzaamheden die Crop heeft verricht. De aard van de gegeven opdrachten 4.4 De rechtbank heeft eveneens onbestreden overwogen dat de advisering door Crop een fiscale achtergrond had. Vaststaat wat dat betreft dat de toenmalige accountant van [geïntimeerden] c.s. in 2000 heeft voorgesteld contact op te nemen met Crop, in verband met de mogelijkheden voor het opzetten van internationale constructies en het behalen van mogelijke belastingvoordelen. De kern van de zaak 4.5 Het gaat er in deze zaak in essentie om of Crop bij het geven van het advies van 23 oktober 2000 over de zogenoemde royalty routing en de implementatie daarvan, en bij het geven van het advies van 27 mei 2004 (trading) heeft gehandeld overeenkomstig de eisen die aan een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur onder de hiervoor geschetste omstandigheden kunnen worden gesteld. In eerste aanleg lag de nadruk daarbij op de schending van een op Crop rustende waarschuwingsplicht ter zake van de risico's die aan de geadviseerde constructies waren verbonden. In dit hoger beroep benadrukken [geïntimeerden] c.s. door hen gestelde inhoudelijke tekortkomingen. Die onderbouwen zij als volgt (ontleend aan de akte van 5 maart 2019). 4.6 Crop heeft een internationale structuur geadviseerd en geïmplementeerd die fiscaal niet houdbaar was. Met name de geadviseerde en vastgelegde verrekenprijzen waren fiscaal niet houdbaar omdat: - als gevolg van de advisering en implementatie niets veranderde in de feitelijke bedrijfsuitoefening met betrekking tot de kwekerijen, ontwikkeling van plantensoorten, aanvraag van kwekersrechten, de verkoop van planten etc.; - alle feitelijke bedrijfsactiviteiten altijd vanuit Sappemeer verricht zijn gebleven en niet naar het buitenland zijn verplaatst; - de werkzaamheden die op de Antillen verricht, beperkt zijn geweest tot het doen van administratie door het trustkantoor aangaande de royalty’s, waarbij de administratie overigens vanuit Sappemeer werd aangeleverd; - het trustkantoor nooit inhoudelijk betrokken is geweest bij de activiteiten van [geïntimeerden] c.s.; daarvoor ontbrak simpelweg de kennis en kunde; - winstverschuiving op basis van overeenkomsten in fiscale zin niet mogelijk was en is, omdat in het fiscale het wezen altijd boven de schijn gaat (‘substance over form’); - een juist advies zou zijn geweest om niet over te gaan tot de opzet van de internationale, complexe structuur. 4.7 Voor alle duidelijkheid benadrukt het hof op deze plaats dat het verwijt van [geïntimeerden] c.s. in ieder geval niet luidt dat met artikel 8b lid 3 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet VPB '69) een bewijsrisico in het leven werd geroepen waarvoor had moeten worden gewaarschuwd. Dit artikellid biedt de Belastingdienst de mogelijkheid om bij gebrek aan de vereiste onderbouwing de administratie van de vennootschappen te verwerpen (artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen) en daarmee te bewerkstelligen dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard (artikel 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen), waardoor de Inspecteur met een redelijke schatting van de winst kan volstaan (zie in die zin met name de akte van [geïntimeerden] c.s. van 5 maart 2019 onder 4 en 5). 4.8 Bij de beantwoording van de vraag of Crop in de onder 4.5 bedoelde zin is tekortgeschoten, staat voorop dat de inhoud van de op Crop rustende verplichtingen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en dat bij de beoordeling in dat licht onderscheid moet worden gemaakt tussen
- a)de waarschuwingsplicht die aan de advisering kan zijn verbonden,
- b)de houdbaarheid van de voorgestelde en ingevoerde constructie en
- c)het zakelijke karakter van de daarbij gehanteerde tarieven. Het hof zal dat hierna thematisch uitwerken. Ad
- a)Inleiding 4.9 Fiscaalrechtelijk dienen gelieerde partijen met elkaar te handelen alsof zij onafhankelijke derden waren. Dat is het zogenoemde 'at-arm's-length-beginsel'. 4.10 Bij de verdere beoordeling stelt het hof - net als de door Crop zelf ingeschakelde professor [J] , op wiens advies zij een beroep doet - voorop dat op 1 januari 2002 het al genoemde artikel 8b Wet VPB '69 in werking is getreden. Het eerste lid van dat artikel is kort gezegd de codificatie van het genoemde beginsel. Toen Crop in 2000 haar eerste advies gaf, was de documentatieplicht nog niet ingevoerd, en bestond er ook onvoldoende aanleiding toe bij de advisering en de daaraan verbonden waarschuwingsplicht met die toekomstige regeling uitdrukkelijk rekening te houden. Ad
- a)Crop heeft bij de advisering over royalty routing en de trading geen waarschuwingsplicht geschonden 4.11 Ter zake van de zogenoemde royalty routing en de tradingstructuur geldt dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur onder de gegeven omstandigheden voorafgaand aan de implementatie van het daaromtrent gegeven advies zou hebben gewezen op de al in 2002 gecodificeerde verplichting om zakelijke prijzen vast te stellen. In de fase van advisering hoefde een waarschuwing voor de gevolgen van onzakelijke prijsstelling slechts van algemene aard te zijn. 4.12 Dat Crop in de hiervoor besproken waarschuwingsplicht is tekortgeschoten, is niet afdoende onderbouwd. Daarbij moet worden bedacht dat de uitvoerende medewerker van Crop ( [D] ) in 2005 bij Aksos in dienst is getreden, en dat hij toen - naar het hof begrijpt: voorafgaand aan de feitelijke uitwerking van de tradingstructuur - meerdere malen in algemene zin erop heeft gewezen dat de prijzen zakelijk dienden te zijn. Het ligt in de rede dat de fiscus dergelijke tarieven niet zou accepteren als aan die eis niet zou worden voldaan, en dat de in het buitenland gevallen winst dan aan de Nederlandse vennootschappen zou kunnen worden toegerekend. Een afzonderlijke waarschuwing in die zin hoefde daarom niet te worden gegeven. 4.13 Er is dan ook geen ruimte voor de ontbinding van de tussen Crop en [geïntimeerden] c.s. gesloten overeenkomst(
- en)van opdracht tot het geven van het advies ter zake van de royalty routing en (
- of)trading. Ad
- b)Schending van enige waarschuwingsplicht omtrent de gehanteerde constructies zou hoe dan ook zonder gevolgen zijn gebleven. Dat de constructie van de royalty routing (Nederlandse Antillen) of de trading ondeugdelijk was, is namelijk niet afdoende onderbouwd 4.14 In zijn brief van 20 januari 2009 heeft de Belastingdienst opgemerkt dat de kern van haar bezwaren is 'dat waar geen mensen aanwezig zijn er geen functies zijn en geen beloningen kunnen vallen'. Meer subsidiair concludeert deze dienst dat een passende beloning voor de functies die Zwitserland, Curaçao en Cyprus uitoefenden niet meer was dan een cost plus 5. De belastingdienst toont zich in deze brief bereid het verleden op basis van die correctie op te lossen, zonder oplegging van bestuurlijke boetes. In de vaststellingsovereenkomst die later op 20 mei 2011 is gesloten, wordt dat uitgangspunt overgenomen. De geadviseerde constructie heeft dus geen nadelige gevolgen gehad. In onderdeel 13.4 van de memorie van antwoord onderkennen ook [geïntimeerden] c.s. zelf dat de vennootschapsstructuren als zodanig niet door de Belastingdienst zijn aangetast. Ad
- c)De implementatie: Crop is wel aansprakelijk voor de gevolgen van het eventuele onzakelijke karakter van de gehanteerde tarieven bij de royalty routing; het hof heeft behoefte aan deskundige voorlichting 4.15 Bij de beantwoording van de vraag of Crop aansprakelijk kan worden gesteld voor het hanteren van tarieven die niet 'at arm's length' waren, is van belang dat vast staat (
- i)dat artikel 8b Wet VPB '69 in 2002 in werking is getreden, (
- ii)dat Crop bij de implementatie van het advies over de royalty routing Curaçao een leidende rol heeft gespeeld, (iii) dat daarbij haar expertise op internationaal fiscaal terrein centraal stond, (
- iv)dat de vaste accountant van [geïntimeerden] c.s. (in de persoon van de heren [K] en [F] ) niet over gespecialiseerde kennis op dit terrein beschikte, (
- v)dat de nieuwe regelgeving nog niet had geresulteerd in concrete richtlijnen (handreikingen), (
- vi)dat [D] (Crop) zich indertijd op het standpunt heeft gesteld dat een zogenaamde royalty ruling (APA) niet kon worden verkregen, en (vii) dat Crop toen niet het advies heeft gegeven zelf een functionele analyse te laten opstellen waaruit het zakelijke karakter van de tussen de gelieerde partijen overeengekomen voorwaarden zou kunnen blijken. Voor het overige is evenmin gebleken (viii) dat de gehanteerde tarieven op enigerlei wijze konden worden verantwoord. Elke gesubstantieerde onderbouwing van de gehanteerde intercompany-tarieven ontbreekt in dit dossier namelijk, en over de wijze waarop de verrekenprijzen zijn vastgesteld, biedt het dossier hoegenaamd geen aanwijzingen. Voor de goede orde wijst het hof erop dat het hierbij - anders dan Crop heeft betoogd - niet gaat om een onderbouwde weging van aan derden in rekening gebrachte prijzen, maar om (de administratieve onderbouwing van) het zakelijke karakter van de tussen de gelieerde vennootschappen zelf gemaakte financiële afspraken. Aan de in dat verband op Crop rustende verplichting is onder de gegeven omstandigheden niet al voldaan doordat zij in algemene bewoordingen erop heeft gewezen dat de gehanteerde tarieven een zakelijk karakter moeten hebben en de vaststelling ervan vervolgens aan derden heeft overgelaten - als dat toen al is gebeurd; het dossier biedt aan dat standpunt geen steun. Crop heeft immers bij de opzet en implementatie van de constructie, met inbegrip van de tarieven, het voortouw genomen en heeft - waar dat in de omstandigheden van dit geval wel haar taak was - de toegepaste tarieven op geen enkele manier op hun zakelijke karakter getoetst of om onderbouwing ervan gevraagd. Crop wordt niet van haar coördinerende en controlerende taken ontheven door het enkele feit dat zij zelf niet kon inschatten of de gehanteerde prijzen aan de te stellen eisen voldeden. 4.16 De conclusie luidt dat Crop is tekortgeschoten in de nakoming van, kort gezegd, de implementatie-overeenkomst(
- en)die [geïntimeerden] c.s. met haar ten aanzien van de royalty routing (Curaçao) hadden gesloten indien het onzakelijke karakter van de gehanteerde tarieven komt vast te staan. Er zou in dat geval geen aanleiding toe bestaan een uitzondering te maken op de hoofdregel dat deze tekortkoming de ontbinding van die overeenkomst(
- en)tot het implementeren van het in 2000 gegeven advies rechtvaardigt. Nu daarover niet afzonderlijk is geklaagd, betekent dit, dat de door [geïntimeerden] c.s. geleverde prestatie (de betaling van facturen van Crop) dan ongedaan zou moet worden gemaakt. 4.17 Het hof heeft behoefte aan deskundige voorlichting over de vraag of de bij de royalty routing Curaçao gehanteerde tarieven al dan niet 'at arm's lenth' waren. Dit deskundigenbericht is nodig, omdat het hof niet in staat is eigenmachtig het zakelijke karakter van deze tarieven vast te stellen. 4.18 Het hof overweegt de volgende vragen aan de deskundige te stellen. - voldeden de bij de royalty routing Curaçao gehanteerde tarieven aan de in artikel 8b Wet VPB '69 vereiste; waren die tarieven at arm's length? - geeft uw onderzoek aanleiding tot het maken van aanvullende opmerkingen? 4.19 Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld om bij gelijktijdig te verzoeken akte zelf vragen te formuleren en om zich uit te laten over de door het hof voorgestelde vragen, over de personen, hoedanigheden en relevante kwaliteiten van de te benoemen deskundige(n), zijn bereikbaarheid (adressen, telefoonnummers en e-mailadressen), de marges waarbinnen diens loon mag of moet liggen (waaronder de maximale hoogte daarvan) en de verdere (algemene) voorwaarden waaronder de opdracht aan de deskundige zou moeten worden verstrekt. 4.20 Het hof verzoekt aan partijen tijdig met elkaar in overleg te treden over in ieder geval de persoon van de te benoemen deskundige en zo mogelijk gezamenlijk een persoon voor te dragen. Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof aan partijen in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen, dan wel mee te delen dat partijen zich op dit punt refereren aan het oordeel van het hof. 4.21 Volgens de hoofdregel van artikel 195 Rv moeten [geïntimeerden] c.s. als eisende partijen het voorschot dragen. Voorschot op de vergoeding tot ongedaanmaking 4.22 Uit de overgelegde berekeningen wordt voldoende aannemelijk dat het totaal van de in het voorgaande bedoelde, terug te betalen facturen het toegewezen voorschot van € 75.000,- overstijgt, zodat de bestreden beslissing in dat opzicht in stand zou kunnen blijven. Verwijzing naar de schadestaatprocedure 4.23 Voor de beantwoording van de vraag of de kans op schade door de tekortkomingen aannemelijk is, dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de huidige situatie en de situatie dat zakelijke tarieven zouden zijn gehanteerd. Voor de hypothetische situatie zou moeten worden uitgegaan van de door de deskundige te adviseren tarieven. Voor de huidige situatie geldt dat de Belastingdienst ondanks alles geen boetes heeft opgelegd, en uiteindelijk akkoord is gegaan met een aangepaste prijsstelling. Van dat laatste hebben [geïntimeerden] c.s. enig voordeel gehad. 4.24 Het hof beschikt niet over voldoende handvatten om deze schade al te begroten of daarvan zelfs maar een schatting te maken, maar gegeven de omvang van de gemaakte kosten zou - zoals de rechtbank ook heeft overwogen - de kans op schade uiteindelijk waarschijnlijk wel aannemelijk worden geacht. Dat betekent dat ruimte zou bestaan voor verwijzing naar de schadestaat. Geen toerekening van fouten van derden 4.25 Anders dan door Crop wordt aangevoerd, staan eventuele fouten ter zake van implementatie en advisering door adviseurs [K] en [F] , die verantwoordelijk waren voor de aangiften vennootschapsbelasting en de samenstelling van de jaarrekening, en (
- of)[D] en Aksos niet als `tussenkomende zelfstandige oorzaak` aan de hiervoor getrokken conclusie in de weg, in die zin dat de geleden schade daardoor niet meer aan Crop zou kunnen worden toegerekend (conclusie van dupliek 5.13 en 5.14; MvG 2.15, 4.16 en 4.17). Eigen schuld, 'ongedaanmaking' van gemaakte fouten 4.26 In de Memorie van Grieven onder 3.5 heeft Crop naar het hof begrijpt subsidiair aangevoerd dat [D] , toen hij in dienst van Crop was, nooit de taak heeft gehad verrekenprijzen vast te stellen. [geïntimeerden] c.s. hadden moeten begrijpen dat het [D] niet was toegestaan de winst te verplaatsen. De toerekening van deze fouten van [D] aan Crop wordt daarmee ongedaan gemaakt. In ieder geval is er in de rechtsverhouding tussen Crop en [geïntimeerden] c.s. sprake van eigen schuld van [geïntimeerden] c.s. als bedoeld in artikel 6:101, lid 1, BW. Zij hadden [D] niet jarenlang zijn gang mogen laten gaan zonder contact met Crop op te nemen om te onderzoeken of [D] met instemming van Crop geheel buiten de scope van het memo van 23 oktober 2000 de verrekenprijzen binnen de groep van [geïntimeerden] c.s. vaststelde, met als resultaat dat die partijen, waarvan de bedrijfsvoering niet veranderde, op grote schaal belastingbesparingen realiseerde. Volgens Crop had de vraag bij Smit c.s. moeten opkomen of dit wel in overeenstemming was met het Nederlandse belastingrecht, meer in het bijzonder: of dit inderdaad door Crop beoogd was met het memo van 23 oktober 2000, en of Crop op dit punt achter [D] stond. 4.27 Dit verweer wordt verworpen, omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat [geïntimeerden] c.s. (bij wie het aan gespecialiseerde kennis op dit terrein nu juist ontbrak) in enig opzicht de verantwoordelijkheid dienen te dragen voor het handelen van werknemers van de door hen ingeschakelde, gespecialiseerde fiscaal adviseur. Op grond van welke rechtsregel, en op grond van welke feiten de toerekening van fouten van die werknemer bij de uitvoering van de gegeven opdrachten 'ongedaan gemaakt' zouden kunnen worden, valt al helemaal niet in te zien. Het hof onderschrijft wat de rechtbank in dit verband in het vonnis van 24 februari 2016 onder 4.9 heeft overwogen. 4.28 De vraag of, en in hoeverre [geïntimeerden] c.s. kan worden verweten dat zij hun schade in de onderhandelingen met de Belastingdienst onvoldoende hebben beperkt, zoals in een nadere akte van 5 februari 2019 door Crop is aangevoerd, dient te worden beoordeeld in de schadestaatprocedure. In dit geschil is niet aannemelijk gemaakt dat de vergoedingsplicht van Crop geheel dient te vervallen omdat de billijkheid dat onder de gegeven omstandigheden eist. Daarbij dient te worden bedacht dat de zaak alleen naar de schadestaat zal worden verwezen als het onzakelijke karakter van de gehanteerde tarieven bij de royalty routing Curaçao is komen vast te staan. Geen onrechtmatig handelen van Crop 4.29 Niet is onderbouwd dat Crop - de diverse opdrachten weggedacht - tegenover [geïntimeerden] c.s. op enige manier onrechtmatig heeft gehandeld. De niet behandelde grieven 4.30 De grieven bevatten geen klachten die zijn aangevoerd zonder dat het voorgaande wordt miskend, en die desalniettemin tot vernietiging van enig onderdeel van het bestreden vonnis kunnen leiden. Voor zover de grieven en de daarop gegeven toelichtingen niet zijn behandeld, kan het daar dan ook bij blijven. Voor enige bewijsopdracht is geen ruimte. De beslissing: Het hof, rechtdoende in hoger beroep; verwijst de zaak naar de roldatum 16 juli 2019 voor het nemen van een akte door beide partijen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.18-4.20; houdt elke verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. M. Willemse en mr. P. Van der Wal en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2019.