GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.255.049 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 471933) arrest in kort geding van 18 juni 2019 in de zaak van [Appellant] , wonende te [Woonplaats] , appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: de eindexamenkandidate, advocaat: mr. H.J. Stuyt, tegen 1. de stichting Stichting voor Christelijk Voortgezet Onderwijs voor Zuidoost-Utrecht/Christelijk College Zeist, gevestigd te Driebergen-Rijsenburg, hierna: de stichting, advocaat mr. A.C. Ranke, 2. [Geïntimeerde 2], woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, hierna: de examinator advocaat mr A.C. Ranke 3. [Geïntimeerde 3], woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, hierna: de gecommiteerde advocaat mr. B.P.L. Vorstermans geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk: geïntimeerden, en [Geïntimeerde 2] en [Geïntimeerde 3] gezamenlijk: de correctoren 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het in deze zaak gewezen tussenarrest van 7 mei 2019. Bij dat arrest is een meervoudige comparitie van partijen gelast. 1.2 De eindexamenkandidate heeft nog bij akte op de rol van 7 mei 2019 producties 28 tot en met 33 en bij bericht van 9 mei 2019 productie 34 in het geding gebracht. De stichting en de examinator hebben producties 7, 8 en 9 bij bericht 9 mei 2019 in het geding gebracht. 1.3 De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 20 mei 2019 (hierna: de zitting in hoger beroep). De advocaten hebben, aan de hand van pleitnotities, de standpunten toegelicht en partijen hebben vragen van het hof beantwoord. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 2.1 De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft in het vonnis van 11 januari 2019 (hierna: het vonnis) onder de nummers 2.1 tot en met 2.13 beschreven welke feiten vaststaan. Ook het hof gaat van die feiten uit. 3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 De eindexamenkandidate heeft bij de voorzieningenrechter – samengevat – gevorderd dat de examinator en de gecommitteerde worden veroordeeld om over te gaan tot herbeoordeling van het examen Management & Organisatie (hierna: M&O) van de eindexamenkandidate (hierna: het examen) met inachtneming van de deskundigenverklaringen en conform het correctievoorschrift. Subsidiair heeft zij gevorderd dat de stichting wordt veroordeeld de Inspectie van het Onderwijs te verzoeken een derde beoordelaar aan te wijzen om het examen te herbeoordelen met inachtneming van de deskundigenverklaringen en conform het correctievoorschrift. 3.2 De voorzieningenrechter heeft de eindexamenkandidate ontvankelijk verklaard in haar vorderingen en het spoedeisend belang aangenomen, maar de vorderingen (primair en subsidiair) afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe kort samengevat overwogen dat er geen sprake is van aperte procedurele of inhoudelijke onjuistheden, of van aperte onzorgvuldigheden, die meebrengen dat de beoordeling van het examen door de correctoren niet deugt. 4De motivering van de beslissing in hoger beroep Kern van de zaak 4.1 De eindexamenkandidate heeft in het schooljaar 2017/2018 vwo-examen gedaan aan het Revius Lyceum, te Doorn (hierna: de school), welke school bestuurd wordt door de stichting. Zij heeft onder andere examen gedaan in het vak M&O. Om te slagen moest zij voor M&O een 5,9 halen. Ze heeft een 5,8 gehaald. De examinator en de gecommitteerde hebben het examen beoordeeld. Bij inzage in het examen door de eindexamenkandidate bleek dat de examinator in eerste instantie voor het antwoord op vraag 10 (de maximale) twee punten had toegekend, terwijl de gecommitteerde geen punten had toegekend voor dat antwoord. Na gezamenlijk overleg zijn zij het eens geworden en hebben zij de eindexamenkandidate geen punten toegekend voor haar antwoord op vraag 10. De eindexamenkandidate heeft in correspondentie en in een interne procedure binnen de stichting verzocht, onder andere op basis van verklaringen van door haar geraadpleegde deskundigen, om een herboordeling van het antwoord op vraag 10. Een en ander heeft niet geleid tot een herbeoordeling. Daarnaast heeft de stichting, na een verzoek daartoe van de eindexamenkandidate, gemeld dat de Inspectie voor het Onderwijs geen derde beoordelaar wil inschakelen, omdat er geen geschil bestaat tussen de examinator en de gecommitteerde. 4.2 Deze zaak gaat dus om vraag 10 van het examen M&O en het antwoord daarop van de eindexamenkandidate. De opgave was als volgt: De eindexamenkandidate heeft de vraag als volgt beantwoord: In het correctievoorschrift staat het volgende antwoord vermeld: 166.000 - 45.000 - 0,3 x (166.000 - 150.000) = € 116.200 Spoedeisend belang 4.3 Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening nog een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. 4.4 Op de zitting is gebleken dat de eindexamenkandidate, na te zijn gezakt voor het centraal examen in 2018, het vak “Elementair Spaans” heeft gevolgd aan het Luzac College – Lyceum. Dit vak heeft zij voor de zitting in hoger beroep, maar na het vonnis van de voorzieningenrechter met goed gevolg afgerond. De eindexamenkandidate heeft daarmee alsnog het vwo-diploma met het profiel “Cultuur & Maatschappij” behaald. Dat diploma is voldoende om te worden toegelaten tot de opleiding “Global Law” aan de universiteit van Tilburg, welke studie de eindexamenkandidate in september 2019 zal gaan volgen, zoals zij op de zitting in hoger beroep verklaarde. Wanneer zij zou zijn geslaagd voor het vak M&O, zou zij (ook) het vwo-diploma met het profiel “Economie & Maatschappij” behaald hebben, waarmee zij (in de toekomst) tot andere opleidingen kan worden toegelaten. 4.5 De eindexamenkandidate heeft, zoals zij onbetwist op de zitting in hoger beroep heeft aangevoerd, belang bij haar vordering. Voor eventuele toekomstige studies kan voor de toelating een diploma vereist zijn met het profiel “Economie & Maatschappij” in plaats van het profiel “Cultuur & Maatschappij”. Het spoedeisend belang is echter aan haar vordering komen te ontvallen, nu zij haar vwo-diploma heeft gehaald en zij de studie “Global Law” kan gaan volgen. 4.6 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer Hoge Raad 15 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:666)) levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld (in deze de eindexamenkandidate), deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak. Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen). Ondanks dat het spoedeisend belang is komen te vervallen, zal het hof de zaak (onder andere vanwege de proceskostenveroordeling) inhoudelijk beoordelen. Het juridisch kader De toepasselijke wet- en regelgeving over het centraal eindexamen 4.7 De volgende wet- en regelgeving is van belang bij de beoordeling van het geschil tussen de eindexamenkandidate en geïntimeerden. De inhoud van het examen en de vaststelling van de wijze waarop dit moet worden beoordeeld, behoort tot de verantwoordelijkheid van het College voor Toetsen en Examens (CvTE), een zelfstandig bestuursorgaan in de zin van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, dat onder toezicht staat van de minister van OCW, maar dat onafhankelijk kan opereren. 4.8 De taken van het CvTE zijn vastgelegd in de Wet CvTE. Artikel 2 Wet CvTE luidt (voor zover in deze procedure van belang) als volgt: “(…) 2. Het College is belast met de volgende taken op het gebied van de centrale examens (…): c. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven; d. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores; e. het geven van regels voor de omzetting van de scores in cijfers; (…)” 4.9 De in artikel 2 lid 2, onder d, Wet CvTE genoemde taak is uitgewerkt in de door het CvTE vastgestelde ‘Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen VO 2015’ (hierna: de Regeling beoordelingsnormen). Artikel 2 lid 1 Regeling beoordelingsnormen luidt als volgt: “De beoordelingsnormen voor de centrale examens worden weergegeven in een correctievoorschrift bij iedere toets. Dit bestaat uit: a. regels voor de beoordeling, op grond van het Examenbesluit; b. algemene regels, op grond van deze regeling; c. vakspecifieke regels, op grond van een besluit van het College voor Toetsen en Examens op grond van artikel 6 of 12 van deze regeling; d. een beoordelingsmodel bij iedere toets.” De beoordelingsnormen worden dus weergegeven in een correctievoorschrift, dat bij iedere toets wordt opgesteld en waarin is weergegeven hoe de betreffende toets moet worden beoordeeld. In deze zaak gaat het om het “Correctievoorschrift VWO 2018 management & organisatie, tijdvak 2”, zoals dat door de eindexamenkandidate is overgelegd als productie 12 bij de dagvaarding voor de voorzieningenrechter (hierna: het correctievoorschrift). Het correctievoorschrift is een algemeen verbindend voorschrift. 4.10 Het correctievoorschrift bepaalt in de algemene regels, voor zover in deze procedure van belang, in artikel 3: Voor de beoordeling van het examenwerk zijn de volgende bepalingen uit de regeling van het College voor Toetsen en Examens van toepassing: (…) 2 Voor het antwoord op een vraag worden door de examinator en door de gecommitteerde scorepunten toegekend, in overeenstemming met correctievoorschrift. Scorepunten zijn de getallen 0, 1, 2, ..., n, waarbij n het maximaal te behalen aantal scorepunten voor een vraag is. Andere scorepunten die een gehele getallen zijn, of een score minder dan 0 zijn niet geoorloofd. 3 Scorepunten worden toegekend met inachtneming van de volgende regels: 3.1 indien een vraag volledig juist is beantwoord, wordt het maximaal te behalen aantal scorepunten toegekend; 3.2 indien een vraag gedeeltelijk juist is beantwoord, wordt een deel van de te behalen scorepunten toegekend in overeenstemming met het beoordelingsmodel; 3.3 indien een antwoord op een open vraag niet in het beoordelingsmodel voorkomt en dit antwoord op grond van aantoonbare, vakinhoudelijke argumenten als juist of gedeeltelijk juist aangemerkt kan worden, moeten scorepunten worden toegekend naar analogie of in de geest van het beoordelingsmodel; (…) 3.6 indien in een antwoord een gevraagde verklaring of uitleg of afleiding of berekening ontbreekt dan wel foutief is, worden 0 scorepunten toegekend tenzij in het beoordelingsmodel anders is aangegeven; (…) 3.8 indien in het beoordelingsmodel een gedeelte van het antwoord tussen haakjes staat, behoeft dit gedeelte niet in het antwoord van de kandidaat voor te komen; 4.11 In de “Handreiking: hoe om te gaan met geschil na inzage examenwerk” van het CvTE (hierna: de Handreiking) is beschreven hoe na de vaststelling van de score en het cijfer kan worden gehandeld: “ Inleiding Deze handreiking is een suggestie voor scholen over hoe om te gaan met een geschil over de correctie van een examen waarvan het cijfer is vastgesteld. Het Eindexamenbesluit VO voorziet in artikel 42 in regels over de vaststelling van de score door de eerste en tweede corrector, voorafgaande aan de vaststelling van het cijfer, niet in een regeling voor daarna. (…) Geschil na inzage Als de eindexamenkandidaat aannemelijk kan maken dat er een aanwijsbare fout bij de correctie is gemaakt, kan bijvoorbeeld op deze manier worden gehandeld: 1. De eindexamenkandidaat zet zijn/haar argumenten over vernomen fouten op papier. 2. Op verzoek van de directeur kijkt de 1e corrector op grond van deze argumenten of naar zijn mening een aanpassing van de score aan de orde is. 3. De 1e corrector neemt contact op met de 2e corrector, geeft aan welke argumenten de leerling heeft en waarom de 1e corrector deze wel of geen reden vindt voor aanpassing van de score. Op basis van een zorgvuldige voorbereiding voeren de correctoren hierover gemotiveerd overleg. De uitkomst van dit contact wordt schriftelijk vastgelegd (kan in een mailbericht) en wordt gedeeld met de directeur. 3a. Overeenstemming over aanpassing van de score (…) Als de correctoren beiden van mening zijn dat de score niet dient te worden aangepast, laat de directeur dat aan de leerling weten. (…)” 4.12 Artikel 29 lid 2 Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) bepaalt – kort weergegeven – dat het eindexamen wordt afgenomen door de rector, de directeur, de conrector, de adjunct-directeur of een of meer leden van de centrale directie en leraren van de school. Het eindexamen staat onder toezicht van een of meer gecommitteerden. Lid 3 van artikel 29 WVO bepaalt onder meer dat de leerlingen die het eindexamen met goed gevolg hebben afgelegd, een diploma ontvangen. 4.13 Samengevat bepaalt artikel 41 lid 1 van het Eindexamenbesluit Voortgezet Onderwijs (hierna: EVO) dat de directeur van de school, zodra het examen gemaakt is, het gemaakte werk stuurt naar de examinator (met een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen en het proces-verbaal van het examen). De examinator beoordeelt vervolgens het gemaakte examen en past daarbij de beoordelingsnormen toe en zendt daarna de score en het beoordeelde werk aan de directeur. Op grond van artikel 41 lid 3 EVO beoordeelt daarna (nadat hij het werk via de directeur heeft ontvangen) de gecommitteerde het werk en past daarbij eveneens de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores toe. Vervolgens stellen op grond van artikel 42 lid 1 EVO de examinator en de gecommitteerde in onderling overleg de score van het centraal examen vast. Indien zij daarbij niet tot overeenstemming komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Dit bevoegd gezag kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator. Indien het geschil niet wordt beslecht, wordt hiervan melding gemaakt aan de inspectie. De inspectie kan vervolgens een onafhankelijke corrector aanwijzen. Diens beoordeling komt in plaats van de eerdere beoordelingen. De directeur stelt volgens artikel 42 lid 2 EVO het cijfer voor het centraal examen in een vak vast op grond van de score. Een procedure op het grensvlak tussen het burgerlijke recht en het bestuursrecht 4.14 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het uitgangspunt dat de burgerlijke rechter de rechtzoekende niet-ontvankelijk moet verklaren in zijn vordering, wanneer er een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Deze beoordeling moet ambtshalve plaatsvinden. Voor de vraag of er een bestuursrechtelijke weg openstaat of heeft opengestaan, is doorslaggevend of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens die bepaling moet het gaan om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 4.15 Wat onder een bestuursorgaan moet worden verstaan is te lezen in artikel 1:1 Awb: “a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.” 4.16 Voor de vraag of het bevoegd gezag van een school als bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Awb kan worden aangemerkt, moet onderscheid worden gemaakt tussen instellingen van openbaar onderwijs en instellingen van bijzonder onderwijs. In het bijzonder onderwijs (de stichting bestuurt scholen in het bijzonder onderwijs) wordt het bevoegd gezag gevormd door een privaatrechtelijke rechtspersoon. Beslissingen die door het bevoegd gezag van een instelling van bijzonder onderwijs worden genomen, zijn in beginsel privaatrechtelijk van aard (zie de conclusie van A-G De Bock van 19 april 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:509), randnummer 4.31, die verwijst naar Kamerstukken II 1990-1991, 22 061, nr. 3, p. 59). Geschillen naar aanleiding van dergelijke beslissingen dienen te worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Onder omstandigheden kan het bevoegd gezag van een instelling van bijzonder onderwijs echter wel als een bestuursorgaan in de zin van de Awb worden aangemerkt, namelijk als voldaan wordt aan de volgende criteria: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.