GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.254.698/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/189210 / JE RK 18-908) beschikking van 2 juli 2019 inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep,in eerste aanleg: verweerster,verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. S.M. Wolfert te Leek, en de raad voor de kinderbescherming regio Noord-Nederland, kantoorhoudend te Groningen, verweerder in hoger beroep,in eerste aanleg: verzoeker,verder te noemen: de raad. Als overige belanghebbende is aangemerkt: de gecertificeerde instellingStichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,kantoorhoudend te Groningen,verder te noemen: de GI. Als informant is aangemerkt: [de vader] , wonende te [B] , verder te noemen: de vader, advocaat: mr. B. Jans te Groningen. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 29 januari 2019 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, ex artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 18 februari 2019;- een journaalbericht van mr. Wolfert van 5 maart 2019 met productie(s);- een brief van de raad van 26 maart 2019;- een brief van de raad van 7 mei 2019 met bijlage;- een journaalbericht van mr. Wolfert van 14 mei 2019 met productie(s); - een journaalbericht van mr. Wolfert van 27 mei 2019 met productie(s). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 29 mei 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, namens de raad mw. [C] en ook de vader is verschenen. Door mr. Wolfert zijn pleitaantekeningen overgelegd. 3Feiten 3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2008 (hierna: [de minderjarige] ). 3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 21 december 2018, heeft de raad verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ter onderbouwing is verwezen naar het daarbij gevoegd raadsrapport van 20 december 2018. 3.3 Namens de moeder is op 28 januari 2019 een verweerschrift ingediend. 3.4 De kinderrechter heeft het verzoek ter terechtzitting op 29 januari 2019 behandeld en vervolgens aanstonds mondeling uitspraak gedaan (zaaknummer C/18/189210 / JE RK 18-908) inhoudend dat [de minderjarige] onder toezicht wordt gesteld van de GI met ingang van 29 januari 2019 tot 29 januari 2020. Die uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.5 Bij afzonderlijke mondelinge uitspraak van 29 januari 2019 (zaaknummer C/18/177294 / FA RK 17-1966) is, voor zover van belang, het gezamenlijk gezag van partijen over [de minderjarige] beëindigd en bepaald dat het gezag voortaan alleen aan de moeder toekomt. Die uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4De omvang van het geschil 4.1 Het geschil in deze procedure betreft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 29 januari 2019 tot 29 januari 2020. 4.2 De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen en zij verzoekt het hof voormelde mondelinge uitspraak van de kinderrechter van 29 januari 2019 met zaaknummer C/18/189210 / JE RK 18-908, te vernietigen en het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog als ingetrokken te beschouwen dan wel de raad niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek van de raad alsnog af te wijzen. 4.3 De raad heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd. 5De motivering van de beslissing5.1 De moeder klaagt in haar eerste grief dat het de (kinderrechter in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.