GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.256.752/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/165389 / KG ZA 19-44) arrest in kort geding van 30 juli 2019 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: de man, advocaat: mr. J.E. Smal, kantoorhoudend te Limmen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: de vrouw, advocaat: mr. E. Douma, kantoorhoudend te Joure. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 19 februari 2019 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 maart 2019 (met grieven); - de conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding; - de memorie van antwoord/tevens van voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties) d.d. 23 april 2019; - de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties) van 21 mei 2019; - een akte uitlating producties van de vrouw van 18 juni 2019; 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten ontleend aan de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis van 19 februari 2019, aangevuld met enige in hoger beroep als vaststaand aan te merken feiten. 3.1 Partijen zijn [in] 2012 in gemeenschap van goederen gehuwd. De man heeft op 17 oktober 2018 een verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. Bij beschikking van 3 april 2019 is de echtscheiding van partijen uitgesproken. Inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand heeft op 24 april 2019 plaatsgevonden. 3.2 Op 5 september 2018 heeft de vrouw maritaal beslag doen leggen op de kajuitzeilboot ‘ [C] ’ die partijen tot woning diende en waarvan beide partijen voor de helft eigenaar waren. Dit schip was op het moment van beslaglegging uit het water gehaald en bevond zich op het terrein van Jachthaven Hindeloopen. Het schip is in bewaring gegeven aan [D] (geen familie van de vrouw) van genoemde jachthaven. 3.3 De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 5 december 2018 dit beslag alsmede de inbewaringstelling op verzoek van de man opgeheven. De man had in die procedure (voor zover van belang) gevorderd: -de vrouw te veroordelen om het beslag en/of de inbewaringstelling op te heffen, althans te bepalen dat de vrouw veroordeeld wordt de bewaringstelling op te heffen; - te bepalen dat de kosten voor opheffing van het beslag, en het daadwerkelijk weder te water laten van het schip voor rekening van de vrouw komen; - te bepalen dat de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, indien de vrouw vanaf twee dagen na betekening van het vonnis haar medewerking niet verleent. 3.4 De voorzieningenrechter heeft in die uitspraak overwogen dat de man onbetwist heeft aangevoerd dat hij het schip nodig heeft als showcase van zijn werk. Dit kan niet zolang het schip op een bok op een jachtwerf staat. Daarnaast staat vast dat voor de man het schip zijn woon- en werkplek is. De voorzieningenrechter vond dat het belang van de man zwaarder woog dan dat van de vrouw, waarbij is meegewogen dat de vrouw erg snel is overgegaan tot beslaglegging van het schip. Volgens de voorzieningenrechter had de vrouw het beslag lichtvaardig gelegd. In het dictum heeft de voorzieningenrechter het beslag en de inbewaringstelling van het schip opgeheven en bepaald dat de kosten van opheffing van het beslag en het daadwerkelijk opnieuw te water laten van het schip voor rekening van de vrouw komen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter, onder 5.4 van het dictum, bepaald “dat de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag dat de vrouw vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis, haar medewerking niet verleent om het vonnis na te komen, met een maximum van € 20.000,-“. 3.5 De man heeft dit vonnis op 6 december 2018 aan de vrouw betekend. 3.6 De bewaarder heeft op 11 december 2018 aan de man bericht: “Hallo [appellant] , Ik heb van je begrepen dat je het schip zo snel mogelijk te water wil hebben. Ik ga kijken hoe ik dat in de planning erbij krijg. De boot staat op dit moment 'n beetje klem. Ik schat in dat het voor deze week nog beetje lastig is maar begin volgende week moet lukken.” Op 13 december 2018 schreef hij: “Maandag 17 december kunnen we schepen transporteren zodat de [C] vrijkomt. Dinsdag 18 december kan dan dus de boot te water. Eerder past niet in de planning. Voorwaarde voor deze aktie is dat de kosten ,die nog openstaan voor dit schip, betaald zijn. In combinatie met het voorstel wat ik gedaan heb , is de totaal openstaande post € 1.143,57 incl BTW” Op 14 december 2018 heeft hij vervolgens bericht: “De openstaande factuur is betaald . Volgens planning wordt het schip maandag vrij gereden en dinsdag te water gelaten.” 3.7 De vrouw heeft op 14 december 2018 de factuur van de bewaarder voldaan. 3.8 Op 18 december 2018 is het schip in het water getakeld en aan de man ter beschikking gesteld. 3.9 De man heeft aanspraak gemaakt op € 8.000,- aan verbeurde dwangsommen en daartoe de deurwaarder op 14 januari 2019 een aanzegging laten uitbrengen. Hij heeft begin februari 2019 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de bank (Knab) en onder de stichting Openbaar Primair Onderwijs de Basis. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 De vrouw heeft in eerste aanleg (in conventie) kort samengevat gevorderd de opheffing van de door de man gelegde executoriale (derden)beslagen uit hoofde van het vonnis van 5 december 2018, een verbod om het vonnis van 5 december 2018 verder te executeren, terugbetaling van hetgeen onder de beslagen was geïnd en een veroordeling van de man in de kosten van de procedure. 4.2 De man heeft in eerste aanleg (in reconventie) kort samengevat gevorderd de betaling van € 16.875,50 als schadevergoeding voor gederfde inkomsten als gevolg van het door de vrouw gelegde beslag, en van € 5.152,85 aan advocaatkosten. 4.3 De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 19 februari 2019 de vorderingen van de vrouw nagenoeg integraal toegewezen en de vorderingen van de man afgewezen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het door de man gelegde beslag onrechtmatig is. De opvatting van de man dat de vrouw een dwangsom verbeurde als zij geen feitelijke medewerking verleende aan de afgifte en tewaterlating van het schip, is volgens de voorzieningenrechter onjuist. 5De beoordeling van de grieven en de vordering in hoger beroep 5.1 De man vordert in zijn conclusie van de appeldagvaarding (waarin de grieven zijn opgenomen) - samengevat - de vernietiging van het vonnis van 19 februari 2019 en opnieuw rechtdoende:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.