GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.260.066/02 (zaaknummer rechtbank Gelderland 347818) beschikking van 6 augustus 2019 op het verzoek tot schorsing inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats] ,verzoekster, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. M. Metin te Arnhem, en [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. T. Janssen te Rotterdam. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 24 mei 2019; - het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing met producties 1 tot en met 3; - een journaalbericht van 18 juli 2019 van mr. Janssen met productie 4 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 23 juli 2019 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Metin. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.J.M. Dubach (waarnemend voor mr. T. Janssen). Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen. 2.3 Na de mondelinge behandeling zijn – zonder toestemming van het hof – ingekomen een journaalbericht van mr. Metin van 24 juli 2019 met een brief en, als reactie daarop, een journaalbericht van mr. Dubach van 26 juli 2019 met een brief. Nu de brieven betrekking hebben op het verzoek van de moeder om een raadsonderzoek, dat tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is geweest, slaat het hof acht op deze brieven. 3De feiten 3.1 Partijen zijn op [datum] 2010 te [plaats] met elkaar gehuwd. Partijen hebben beiden een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend (de moeder bij de rechtbank Gelderland op 16 oktober 2018 en de vader bij de rechtbank Noord-Holland op 21 december 2018). De echtscheidingsprocedure loopt nog. 3.2 Het minderjarige kind van partijen is: - [kind] (verder te noemen: [kind] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [plaats] . Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [kind] uit. 3.3 Bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaard – vonnis in kort geding van 30 november 2018 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voor zover hier van belang: - de moeder veroordeeld om binnen zes weken na betekening van het vonnis met [kind] terug te verhuizen naar een woning in de buurt van de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres] , althans naar een woning binnen een straal van vijf kilometer van die woning; - als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald - totdat nader door de rechtbank zal worden beslist - dat [kind] iedere week van woensdag uit school tot vrijdag aanvang school bij de vader verblijft alsmede één weekend per maand van vrijdag uit school tot maandag aanvang school; - de moeder veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het (her)inschrijven van [kind] op [school] voor 21 december 2018; - aan de vader vervangende toestemming verleend voor de (her)inschrijving van [kind] op [school] , indien de moeder haar medewerking niet verleent aan die inschrijving; - [kind] aan de vader toevertrouwd met ingang van 11 januari 2019 voor het geval dat de moeder voor die datum niet met [kind] is terugverhuisd, zoals hiervoor weergegeven. 3.4 Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 30 november 2018 (gelijktijdig behandeld met voornoemd kort geding) heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voor zover hier van belang: - bepaald dat [kind] aan de moeder wordt toevertrouwd, gelet op de veroordeling van de moeder in het kort geding van 30 november 2018 om met [kind] terug te verhuizen naar [woonplaats] ; - als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat [kind] iedere week van woensdag uit school tot vrijdag aanvang school bij de vader verblijft, alsmede één weekend per maand van vrijdag uit school tot maandag aanvang school en de helft van de schoolvakanties. 3.5 Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 27 februari 2019 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: - de hoofdverblijfplaats van [kind] bij de vader vastgesteld; - als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat [kind] : - bij de moeder verblijft van vrijdag uit school tot zondagavond, waarbij de moeder [kind] in [woonplaats] op school zal ophalen en de vader haar op de zondagavond weer bij de moeder zal ophalen. Eenmaal per twee maanden zal [kind] gedurende het weekend bij de vader blijven en niet naar de moeder gaan; - minimaal om de dag mag videobellen met de moeder of zoveel meer als de ouders zelf afspreken; - de helft van de schoolvakanties bij de moeder zal doorbrengen, in nader onderling overleg te verdelen; - het meer of anders verzochte afgewezen. 3.6 De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 27 februari 2019 (zaaknummer 200.260.066/01). Het hof heeft de vader tot 21 augustus 2019 in de gelegenheid gesteld daartegen een verweerschrift in te dienen. 4De motivering van de beslissing ten aanzien van het verzoek tot schorsing 4.1 Aan de orde is het verzoek van de moeder aan het hof om de tenuitvoerlegging van de beschikking van 27 februari 2019 geheel of gedeeltelijk op te heffen dan wel te schorsen totdat op het hoger beroep tegen die beschikking is beslist. 4.2 De vader voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar schorsingsverzoek, althans dit verzoek af te wijzen. wettelijk kader 4.3 Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 4.4 Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.