GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.252.742 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 463547) beschikking van 20 augustus 2019 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. F.L.M. Broeders te Utrecht, en [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. W.J. van der Kroon te Zoetermeer. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, ingekomen op 15 januari 2019; - het verweerschrift, ingekomen op 13 maart 2019; - een journaalbericht van mr. Broeders van 7 juni 2019 met producties 1 tot en met 3; - een journaalbericht van mr. Broeders van 11 juni 2019 met productie 4. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.1 Het huwelijk van partijen is op [datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van [datum] in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Partijen hebben drie volwassen kinderen. Het jongste kind [kind] (hierna: [kind] ), geboren op [geboortedatum] 1999, woonde tot 1 januari 2019 bij de vrouw. 3.3 Bij echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op 22 september 2006, zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie verstrekt van € 400,- bruto per maand. Dit convenant is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking en maakt daarvan deel uit. Ingevolge de wettelijke indexering bedroeg de partneralimentatie in 2018 € 482,25 per maand. 4De omvang van het geschil 4.1 In geschil is het verzoek van de vrouw om verlenging van de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vrouw afgewezen. 4.2 De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De vrouw verzoekt het hof – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wordt verlengd tot 1 juni 2030, dan wel voor de termijn die en het bedrag dat het hof juist acht; indien de termijn wordt verlengd tot een eerdere datum dan 1 juni 2030: te bepalen dat deze termijn na ommekomst kan worden verlengd. 4.3 De man voert verweer en verzoekt het hof – naar het hof begrijpt – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens. 5De motivering van de beslissing 5.1 Op grond van artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 5.2 Ingevolge artikel 1:157 lid 5 BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. 5.3 De onder 5.1 vermelde twaalfjaarstermijn is in deze zaak op 7 november 2018 geëindigd. De vrouw heeft haar verlengingsverzoek op 10 juli 2018 bij de rechtbank ingediend. Nu het verzoek is ingediend binnen de in artikel 1:157 lid 5 BW bedoelde termijn, kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek. 5.4 Het hof overweegt voorts als volgt. Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) is het uitgangspunt van de wetgever dat de alimentatieverplichting na twaalf jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze verantwoordelijkheid rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van twaalf jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien: - in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen; - de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk; - de verwachting van partijen toen zij huwden; - de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet om – het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen – een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen. 5.5 Allereerst dient het hof te beoordelen of beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man voor de vrouw ingrijpend is. Indien dat niet het geval is zal het verzoek van de vrouw aanstonds worden afgewezen zonder nader onderzoek van de hiervoor in 5.4 genoemde factoren. 5.6 De alimentatie bedroeg aan het einde van de twaalfjaarstermijn
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.