← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2019:6843

WAHV 200.218.524 27 augustus 2019 CJIB 198971813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 15 juni 2017 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Bij het beroepschrift is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 27 augustus 2018 is namens de betrokkene nog een brief ontvangen. Beoordeling

  1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
  2. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
  3. De inleidende beschikking is op 30 juni 2016 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 11 augustus
  4. Het als beroepschrift aangemerkte schrijven is gedateerd 15 augustus
  5. Uit een stempel blijkt dat het op 16 augustus 2016 door de officier van justitie is ontvangen. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
  6. De gemachtigde stelt dat hij reeds vóór 16 augustus 2016 beroep heeft ingesteld, namelijk bij schrijven van 4 juli
  7. Dat schrijven is ten onrechte niet als beroepschrift in onderhavige zaak aangemerkt, aldus de gemachtigde. De CVOM had het daarin onjuist vermelde CJIB-nummer kunnen opmerken. In dat beroepschrift is namelijk een kenmerk vermeld, te weten BCVOM/20160649/FH2/
  8. Het nummer 20160649 staat voor het eigen zaaknummer van de gemachtigde. [betrokkene] staat voor ' [betrokkene] , tweede casus' en 1813 zijn de laatste 4 cijfers van het CJIB-nummer. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bij dat beroepschrift gevoegde machtiging is ondertekend door F. Hazeu, is de gemachtigde van mening dat dit schrijven als beroepschrift in onderhavige zaak had moeten worden aangemerkt.
  9. Het schrijven van 4 juli 2016, door de CVOM ontvangen op 5 juli 2016, bevindt zich bij de stukken. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: "Betreft 197971813 bezwaar + Wob Onze referentie BCVOM/20160649/ [betrokkene] /1813 (…) Geachte heer, mevrouw, Hierdoor maakt gemachtigde, [D] , bezwaar tegen de beschikking met bovenstaand CJIB nummer, namens cliënt. Volgens deze beschikking zou mijn cliënt een verkeersovertreding hebben begaan. Deze beschuldiging is echter onjuist. Ik maak bezwaar tegen deze beschikking en zal de feiten en omstandigheden later aanvoeren. (…). Bijlage 1: Machtiging"
  10. De bij het beroepschrift gevoegde machtiging bevat geen concrete zaakgegevens. In de getypte tekst wordt gesproken over de volmachtgever. Bij het veld 'naam en handtekening volmachtgever' staat naast de handtekening handgeschreven ' [betrokkene] '.
  11. Het hof leidt uit de stukken af dat de officier van justitie het schrijven van 4 juli 2016 heeft aangemerkt als gericht tegen de beschikking met CJIB-nummer
  12. Dit is het nummer dat duidelijk in het beroepschrift is vermeld. Op 19 juli 2016 is het zaakoverzicht van die zaak opgevraagd en daaruit blijkt dat het beroepschrift ook aan die zaak gekoppeld kon worden. Uit dat zaakoverzicht blijkt namelijk dat de beroepstermijn tegen de inleidende beschikking, opgelegd vanwege een snelheidsovertreding, op 1 juli 2016 verstreek, terwijl het schrijven van de gemachtigde op 5 juli 2016 is ingekomen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de gemachtigde in zijn schrijven geen specifieke zaakgegevens heeft genoemd, is het hof van oordeel dat de dit schrijven terecht is aangemerkt als een beroepschrift gericht tegen de beschikking met CJIB-nummer
  13. Dat de daarbij gevoegde machtiging is ondertekend door [betrokkene] , leidt niet tot een ander oordeel.
  14. Het voorgaande leidt ertoe dat het schrijven van 15 augustus 2016, waarin wel het juiste CJIB-nummer is opgenomen, terecht is aangemerkt als een beroepschrift in onderhavige zaak. Dat beroep is niet tijdig ingesteld. Nu niet gebleken is van een verschoonbare termijnoverschrijding, hebben de officier van justitie en de kantonrechter juist beslist. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
  15. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.