GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.225.454/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5458215 \ CV EXPL 16-11907) arrest van 3 september 2019 in de zaak van Forte GGZ B.V., gevestigd te Groningen, appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Forte GGZ, advocaat: mr. R.K. Torn, kantoorhoudend te Amsterdam, tegen De Friesland Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Leeuwarden, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: De Friesland, advocaat: mr. J. Ekelmans, kantoorhoudend te 's-Gravenhage. 1Het verdere verloop van het geding 1.1 Na het tussenarrest van 13 november 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgehad, gelijktijdig met twee andere zaken tussen dezelfde partijen (zaaknummers 200.236.872/873). Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. 2De vaststaande feiten 2.1 In 2015 heeft Forte GGZ geestelijke gezondheidszorg verleend aan een patiënt die bij De Friesland was verzekerd op grond van een Alles Verzorgd Polis. Dat is een zogenoemde naturaverzekering. Die geeft de verzekerde in principe recht op de zorg zelf en niet op vergoeding van de kosten daarvan. Om aan haar verplichting te voldoen, heeft De Friesland met zorgaanbieders overeenkomsten gesloten over de te verlenen zorg, de daaraan verbonden budgetplafonds, kwaliteitseisen en de in rekening te brengen prijs. 2.2 Verzekerden met een polis met naturadekking mogen ook zorg afnemen van zorgverleners waarmee De Friesland geen contract heeft gesloten. In die gevallen is De Friesland verplicht een vergoeding te betalen. Dat was hier het geval, omdat De Friesland voor dat jaar geen overeenkomst met Forte GGZ had gesloten. De vergoeding die op grond van de polisvoorwaarden aan de verzekerde moest worden betaald, bedroeg 80% van 'het laagste door De Friesland gecontracteerde tarief'. 2.3 Forte GGZ heeft geen kosten aan de verzekerde in rekening gebracht, maar heeft De Friesland direct een factuur gestuurd voor de door haar verleende zorg, gebaseerd op de tarieven van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De Friesland heeft daarna 80% van het laagste door haar gecontracteerde tarief betaald. GGZ Forte heeft De Friesland echter gesommeerd ook het resterende bedrag van de factuur te betalen (€ 1.774,70). De verzekerde had zijn vordering inmiddels voor het niet uitgekeerde deel van de factuur aan deze zorgverlener overgedragen. 2.4 In de loop van de procedure heeft De Friesland een iets hogere uitkering gedaan, die volgens haar overeenkomt met 75% van 'het gemiddelde gecontracteerde tarief'. Partijen zijn het erover eens dat bij de verdere beoordeling aan de zijde van De Friesland van deze maatstaf moet worden uitgegaan. 3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 Forte GGZ heeft bij de kantonrechter gevorderd dat De Friesland wordt veroordeeld tot betaling van € 1.774,70, althans € 1.732,70, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Die vordering is afgewezen. In dit hoger beroep is aan deze vordering toegevoegd dat De Friesland tenminste wordt veroordeeld € 862,24 te betalen. Ook is een verklaring voor recht gevraagd die inhoudt dat De Friesland voor de verzekerde een feitelijke hinderpaal heeft opgeworpen om zich te wenden tot een niet-gecontracteerde aanbieder van zijn keuze op het moment dat zij bovenop het eigen risico van verzekerde een bedrag van € 1.774,70,- niet-vergoed laat. 4Beoordeling van de grieven Uitgangspunten (ECLI:NL:HR:2019:853) 4.1 De wetgever heeft bij de invoering van de Zorgverzekeringswet vrije marktwerking in de zorg tot stand willen brengen. Daarbij is ervoor gekozen onderscheid te maken tussen wel en niet-gecontracteerde zorg. Bij de inkoop van die zorg is een regierol toegekend aan de zorgverzekeraars. Het doel van die constructie is in essentie de beheersing van de kosten in de zorg. Bij de uitoefening van zijn regierol heeft de zorgverzekeraar de vrijheid om zelf de hoogte te bepalen van de vergoeding bij niet-gecontracteerde zorg, zolang hij maar niet in strijd handelt met het zogenoemde hinderpaalcriterium (waarover hierna meer) en in gelijke gevallen een gelijke berekeningswijze hanteert. 4.2 Deze rol kan de verzekeraar alleen vervullen als bij gebruik van niet-gecontracteerde zorg geen recht bestaat op een bijna volledige vergoeding van de gemaakte kosten. De door de wetgever beoogde prikkel aan het adres van verzekerden om te kiezen voor gecontracteerde zorg zou dan immers wegvallen. De korting mag weliswaar niet zo hoog zijn dat die een 'feitelijke hinderpaal' vormt voor het inroepen van zorg bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder, maar dat staat niet in de weg aan een algemene korting, zoals de door De Friesland gehanteerde korting van 25% van het gemiddeld gecontracteerde tarief. Het is dus niet zo dat een zorgverzekeraar de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg alleen mag verminderen met een beperkt bedrag, zoals administratiekosten, of anderszins rekening moet houden met de beperkte bestedingsruimte van de minst draagkrachtige zorggebruikers. Ook is onjuist dat hier een doorslaggevende betekenis toekomt aan het NZa-tarief, als dat hoger is dan het gemiddeld overeengekomen tarief. 4.3 Al het voorgaande neemt niet weg dat de vraag of het hinderpaalcriterium zich in bepaalde gevallen toch verzet tegen een generieke korting, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa. Die instelling heeft in het rapport Rechtmatige uitvoering Zorgverzekeringswet 2014 over het hinderpaalcriterium geschreven dat een vergoedingspercentage voor niet-gecontracteerde zorg van minder dan 75% van het marktconforme tarief naar verwachting een feitelijke hinderpaal zal opleveren, tenzij de zorgverzekeraar kan motiveren en onderbouwen waarom het lagere percentage geen feitelijke hinderpaal zal opleveren. De hoogte van de vergoeding wordt door de NZa alleen getoetst als de vergoeding is beperkt tot minder dat 75% van het gemiddeld gecontracteerde tarief. De NZa baseert zich daarbij op de jurisprudentie, waarin dat percentage inmiddels algemeen als de ondergrens wordt gehanteerd. Dit uitgangspunt heeft zij nadien in het zogenoemde Toetsingskader beoordeling modelovereenkomsten herhaald. Het is tegelijkertijd ook het criterium dat nu ter beoordeling aan het hof is voorgelegd. Er is immers geen reden om aan te nemen dat de gemiddeld door De Friesland gecontracteerde zorg niet marktconform zou zijn. In dit geval heeft Forte GGZ niet onderbouwd dat sprake is van een feitelijke hinderpaal 4.4 De Friesland gaat uit van een gemiddeld door haar gecontracteerd tarief voor de in deze zaak geleverde zorg van € 3.749,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.