Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002037-18 Uitspraak d.d.: 5 september 2019 TEGENSPRAAK Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 10 april 2018 met parketnummer 05-880847-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, thans verblijvende in [detentie] , Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 20 december 2018 en 22 augustus 2019. Het hof heeft van de zijde van de verdediging kennisgenomen van de volgende stukken: een appelschriftuur van 20 april 2018; een e-mail van mr. M.A.W. Nillessen van 15 februari 2019. Van de zijde van het openbaar ministerie heeft het hof op 19 december 2019 en 21 augustus 2019 reacties op de onderzoekswensen van de verdediging ontvangen. Het hof heeft voorts kennisgenomen van wat er op de zittingen van 20 december 2018 en 21 augustus 2019 door verdachte en zijn raadsman, mr. J.-H.L.C.M. Kuijpers, en door de advocaat-generaal naar voren is gebracht. Verzoek van de verdediging tot nader forensisch onderzoek De verdediging heeft ter terechtzitting van 22 augustus 2019 – zoals eerder ter terechtzitting van 20 december 2018 verzocht en herhaald per e-mail van 15 februari 2019 – verzocht om: 1. Het ter beschikking stellen van de ruwe data van de camerabeelden van café [naam café] . Volgens de verdediging geldt ten aanzien van de camerabeelden dat het origineel en de montage niet dezelfde frames en delen van scenes bevatten. De raadsman heeft daarom verzocht om de beschikking te krijgen over de ruwe data van de camerabeelden, zodat de verdediging de mogelijkheid krijgt om in eigen beheer nader onderzoek naar de beelden te kunnen (laten) doen. Het hof wijst het verzoek toe. Het hof geeft de advocaat-generaal de opdracht om een kopie van het ruwe beeldmateriaal aan de raadsman te verstrekken, zodra – na overleg tussen de raadsman en het Team Digitale Opsporing – duidelijk is geworden om welk beeldmateriaal het precies gaat. Getuigenverzoeken De raadsman heeft ter terechtzitting van 22 augustus 2019 de volgende getuigenverzoeken, zoals gedaan bij appelschriftuur van 20 april 2018 en besproken ter terechtzitting van 20 december 2018, gehandhaafd. Het betreft het horen van de volgende getuigen: [getuige 1] ; [getuige 2] ; [getuige 3] ; [getuige 4] ; De begeleiders van het WOD-traject (B-2604, B-2606, B-2610); de A-nummers; officier van justitie mr. A. van Veen; [getuige 5] ; [getuige 6] ; A-4103 en A-4104; B-2813; De overige eerder gedane getuigenverzoeken zijn door de raadsman niet gehandhaafd. De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van het horen van de getuigen aangesloten bij het standpunt dat door haar ambtsgenoot is opgenomen in een schriftelijke reactie van 19 december 2018 en ter terechtzitting van 20 december 2018 is toegelicht. Zij heeft zich daarmee – kort gezegd – niet verzet tegen het horen van getuigen [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] . Voor het horen van de andere door de verdediging gevraagde getuigen ziet zij geen verdedigingsbelang of noodzaak. Verzoek tot het horen van [getuige 1] (de getuige onder nr. 1): Het verzoek tot het horen van getuige [getuige 1] dient naar oordeel van het hof te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang. Het hof is van oordeel dat het verdedigingsbelang voldoende is aangetoond en zal het verzoek tot het horen van medeverdachte [getuige 1] toewijzen. Het hof zal bepalen dat deze getuige tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zal worden gehoord. Verzoek tot het horen van [getuige 2] en [getuige 3] en de A-nummers (de getuigen onder nrs. 2, 3 en 6): Het hof stelt voorop dat voor het horen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en het horen van de A-nummers (A-2244, A-2245, A-3971) het noodzaakcriterium geldt, nu deze getuigen in eerste aanleg reeds ten overstaan van de rechter-commissaris zijn gehoord. Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het horen van deze getuigen is aangevoerd – niet noodzakelijk dat deze getuigen nader worden gehoord. Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 2] en [getuige 3] en het horen van de A-nummers af. Verzoek tot het horen van [getuige 4] (de getuige onder nr. 4): Het hof stelt vast dat het verzoek tot het horen van getuige [getuige 4] beoordeeld moet worden aan de hand van het verdedigingsbelang. Het hof is van oordeel dat het verdedigingsbelang ten aanzien van het horen van [getuige 4] voldoende is aangetoond en zal dit verzoek daarom toewijzen. Het hof zal de stukken in handen stellen van de raadsheer‑commissaris, teneinde de getuige door deze te laten horen. Verzoek tot het horen van de begeleiders van het WOD-traject en officier van justitie mr. A. van Veen (de getuigen onder nrs. 5 en 7): Op het verzoek tot het horen van de begeleiders van het WOD-traject (B-2604, B-2606, B‑2610) en officier van justitie mr. A. van Veen is het verdedigingsbelang van toepassing. Het hof is van oordeel dat de verdachte door het niet horen van de gevraagde getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad, nu de A-nummers in eerste aanleg reeds door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging zijn gehoord. Het hof merkt daarbij op dat het eerdere verhoor van de A-nummers bij de rechter-commissaris onvoldoende concrete, specifiek door de verdediging benoemde en nog niet beantwoorde vragen heeft opgeleverd die het horen van de thans gevraagde getuigen relevant maken, zodat het verzoek ook onvoldoende is onderbouwd. Het hof wijst het verzoek daarom af. Verzoek tot het horen van [getuige 5] en [getuige 6] , (de getuigen onder nrs. 8 en 9): Het hof stelt vast dat het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] beoordeeld moet worden aan de hand van het verdedigingsbelang. Het hof is van oordeel dat het verdedigingsbelang ten aanzien van het horen van deze getuigen voldoende is aangetoond en zal dit verzoek daarom toewijzen. Het hof zal de stukken in handen stellen van de raadsheer-commissaris, teneinde de getuigen door deze te laten horen. Verzoek tot het horen van A-4103, A-4104 en B-2813 (de getuigen onder nrs. 10 en 11): Het hof wijst het verzoek tot het horen van de getuigen A-4103, A-4104 en B-2813 af. Het hof is – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het horen van deze getuigen is aangevoerd – van oordeel dat verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van deze getuigen, onder meer nu het hof wel het verzoek tot het horen van getuigen [getuige 5] en [getuige 6] toewijst. Verzoeken in de zaak van medeverdachte [getuige 1] De raadsman heeft zich ter terechtzitting van 22 augustus 2019 – zoals reeds aangekondigd per e-mail van 15 februari 2019 – aangesloten bij de onderzoekswensen in de zaak van medeverdachte [getuige 1] . De beslissing van het hof op die onderzoekswensen in de zaak van verdachte is gelijk aan de beslissing in de zaak van medeverdachte [getuige 1] . Het hof overweegt aldus het volgende: 1. Het voorleggen van de brief van de raadsman van medeverdachte [getuige 1] van 26 juli 2019 en de pleitaantekeningen van 22 augustus 2019 aan de deskundigen die op 18 juli 2019 bij de bijeenkomst met deskundigen van het NFI aanwezig zijn geweest, teneinde te controleren of de in deze stukken opgenomen verslaglegging een goede weergave vormt van wat er tijdens deze bijeenkomst is besproken. Ter terechtzitting is het hof gebleken dat de advocaat-generaal het verzoek van de raadsman van medeverdachte [getuige 1] tot het voorleggen van de brief van 26 juli 2019 reeds in gang heeft gezet. Daarnaast heeft de advocaat-generaal aangegeven dat zij haar weergave van het gesprek zoals opgenomen in haar reactie van 21 augustus 2019 ook aan de op 18 juli 2019 aanwezige deskundigen wil voorleggen. De advocaat-generaal heeft daarbij opgemerkt dat zij de deskundigen tijdens de bijeenkomst op 18 juli 2019 niet heeft horen zeggen dat het beantwoorden van de vraag wie op welk moment met welk wapen in welke richting en dus op wie heeft geschoten in alle gevallen pure speculatie is, zoals de raadsman van medeverdachte [getuige 1] in zijn pleitaantekeningen van 22 augustus 2019 stelt. Een dergelijke opmerking is volgens de advocaat-generaal alleen gemaakt in het kader van de bespreking van de mogelijkheden van het maken van een video-animatie. Het hof wijst het verzoek van de raadsman toe, voor zover aan dit verzoek niet reeds gevolg is gegeven. Gelet op het voorgaande acht het hof het daarnaast geraden dat de advocaat-generaal ook haar weergave van het gesprek zoals opgenomen in haar reactie van 21 augustus 2019 voorlegt aan de op 18 juli 2019 aanwezige deskundigen. Daarbij geldt voor alle voor te leggen stukken dat de deskundigen slechts geacht worden daarop te reageren, voor zover deze stukken een feitelijke weergave bevatten van wat er tijdens de bijeenkomst op 18 juli 2019 is besproken. 2. Nader RNA-onderzoek aan het shirt van [slachtoffer] en beantwoording van de vraag of er al dan niet conclusies kunnen worden getrokken uit het lichaamsmateriaal dat op de kogel AAIT3977 is aangetroffen. Ter terechtzitting heeft de raadsman van medeverdachte [getuige 1] gesteld dat de conclusie van de rechtbank dat de aanwezigheid van leverweefsel, spierweefsel en bloed van [slachtoffer] op kogel AAIT3977 betekent dat dit slachtoffer met deze kogel is doorschoten, niet getrokken kan worden op basis van de forensische onderzoeksbevindingen. Het in dit verband gedane verzoek tot nader RNA-onderzoek aan het shirt van [slachtoffer] is door de raadsman in voorwaardelijke vorm gedaan. Indien alle procespartijen ervan uitgaan dat niet uitsluitend op basis van het aantreffen van RNA-materiaal op de kogel AAIT3977 de conclusie kan worden getrokken dat er sprake is van een doorschot kan dit verzoek komen te vervallen. Indien dit niet het geval is wil de raadsman van medeverdachte [getuige 1] door middel van nader onderzoek het RNA-materiaal op het shirt vergelijken met het RNA-materiaal op de betreffende kogel, om aan te tonen dat het RNA-materiaal op de kogel terecht kan zijn gekomen via de wond die ook heeft geleid tot de aanwezigheid van RNA-materiaal op het shirt, zodat reeds daarom de door de rechtbank getrokken conclusie onjuist is. Het hof wil en kan zich op dit moment niet uitspreken over hoe de aanwezigheid van RNA‑materiaal op kogel AAIT3977 en het shirt van [slachtoffer] – al dan niet in combinatie met het overige forensische en andere bewijsmateriaal – na de inhoudelijke behandeling van de zaak door het hof zal worden geïnterpreteerd, maar is van oordeel dat nader RNA-onderzoek niet noodzakelijk is. Zoals volgt uit de verslaglegging van de bijeenkomst met deskundigen van het NFI, zullen er ook na het gevraagde onderzoek meerdere mogelijke oorzaken voor de aanwezigheid van het RNA-materiaal op de kogel blijven bestaan, waaronder de mogelijkheid dat het RNA-materiaal op de kogel terecht is gekomen door het uit een wond vloeien van bloed met weefselmateriaal. Het onderzoek zal dus niet significant meer duidelijkheid opleveren dan er op dit moment is, waarbij het hof opmerkt dat de uiteindelijke selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal aan het hof is voorbehouden. Het verzoek wordt derhalve afgewezen. 3. Het opstellen van een nader proces-verbaal door de betrokken verbalisant(en), waarin nauwgezet wordt verantwoord waar, onder welke omstandigheden en hoe de kogel AAIT3977 is aangetroffen, waarom die kogel pas op het allerlaatste moment is aangetroffen en welke handelingen zijn verricht – vanaf het moment van de melding – met het lichaam van [slachtoffer] , onder wiens lichaam die kogel zou zijn gevonden. Het hof acht het noodzakelijk om een aanvullend proces‑verbaal op te laten maken omtrent het aantreffen van kogel AAIT3977. Het hof wijst het verzoek toe en geeft de advocaat-generaal opdracht een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken waarin de door de raadsman van medeverdachte [getuige 1] opgeworpen vragen dienen te worden beantwoord: Wanneer, op welke wijze en onder welke omstandigheden is de kogel AAIT3977 voor het eerst aangetroffen en hoe verhoudt het aantreffen van deze kogel zich tot de handelingen die op de plaats delict met betrekking tot het lichaam van [slachtoffer] zijn verricht? 4. Nader onderzoek naar de positie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.