GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.215.492/02 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 402240) arrest van 3 september 2019 in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , appellant, wonende te [woonplaats] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, eiser in het incident, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J. van der Pijl, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Alcina Cosmetic Nederland B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, verweerster in het incident, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: Alcina, advocaat: mr. O. Diels. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 november 2016. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 15 februari 2017, - de memorie van grieven, tevens houdende incidentele vordering houdende schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv. 2.2 De zaak is op 31 oktober 2017 ambtshalve geroyeerd. Vervolgens heeft [appellant] op 7 mei 2019 om hervatting van de procedure verzocht. 2.3 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - de memorie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel appel, tevens antwoord in het incident ex artikel 351 Rv, - de schriftelijke pleidooien in het incident ex artikel 351 Rv, - de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel. 2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald. 3De motivering van de beslissing in het incident 3.1 Bij vonnis van 16 november 2016 heeft de rechtbank onder meer [appellant] veroordeeld tot betaling aan Alcina van een bedrag van € 579.553,56, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [appellant] is in hoger beroep gekomen en heeft in zijn memorie van grieven een incidentele vordering op basis van artikel 351 Rv ingesteld. [appellant] heeft primair de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis gevorderd, subsidiair slechts voor zover het de executie dan wel verkoop van zijn woning betreft. Uit het schriftelijke pleidooi van [appellant] blijkt dat [appellant] thans afziet van zijn primaire incidentele vordering en enkel zijn subsidiaire incidentele vordering handhaaft. 3.2 [appellant] heeft bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad een executiegeschil op grond van artikel 438 lid 2 Rv aanhangig gemaakt en onder meer primair gevorderd Alcina te bevelen de executie van het vonnis van 16 november 2016 te staken dan wel de executie te schorsen, subsidiair slechts voor zover het de executieverkoop van zijn woning betreft, totdat in hoger beroep een einduitspraak is gedaan. Bij vonnis van 13 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen. Uit dat vonnis blijkt dat [appellant] destijds onder meer het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Alcina maakt misbruik van haar executiebevoegdheid. Alcina heeft beslag gelegd op de woning van [appellant] en zijn gezin. De hypotheekhouder zal de woning executoriaal gaan verkopen. [appellant] heeft aangevoerd dat hij in staat is om een bedrag van € 140.000,-, dat gelijk is aan de overwaarde van de woning, te voldoen aan Alcina. Dat bedrag kan hij lenen van een derde, mits een tweede hypotheek op zijn woning kan worden gevestigd. Daarmee zou de verkoop kunnen worden voorkomen. Alcina heeft echter geweigerd daaraan mee te werken. [appellant] en zijn gezin hebben een groot belang bij het behoud van de woning. Zij komen op straat te staan, indien de woning wordt verkocht. Alcina heeft geen belang bij een snelle verkoop van de woning. [appellant] kan het bedrag van de overwaarde voldoen aan Alcina en daarnaast zal de waarde van de woning gezien de marktontwikkelingen alleen maar stijgen in de periode dat het hoger beroep dient. 3.3 Het hof stelt voorop dat een geëxecuteerde, naast het recht om in kort geding een vordering tot schorsing van de executie in te stellen op grond van artikel 438 lid 2 Rv, in beginsel ook het recht toekomt een soortgelijke vordering door middel van een incident op grond van artikel 351 Rv in te stellen in hoger beroep (zie ook het arrest van dit hof van 2 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2927). Indien echter voordat in het incident in hoger beroep uitspraak is gedaan, de vordering tot schorsing krachtens artikel 438 lid 2 Rv is afgewezen en door de geëxecuteerde geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of anderszins zijn gebleken, die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen, dan kan zulks meebrengen, afhankelijk van de gestelde grond voor de schorsing van de executie, dat het hof wegens strijd met de goede procesorde aan een inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering niet toekomt. 3.4 In dit geval hebben zich na de beslissing van de voorzieningenrechter nieuwe feiten en omstandigheden voorgedaan. Het is voor [appellant] uiteindelijk niet mogelijk gebleken om de geldlening van € 140.000,- bij een derde af te sluiten. Daardoor kan [appellant] ook het bedrag van € 140.000,- niet aan Alcina voldoen. Voorts heeft de executie ten aanzien van de verkoop van de woning lange tijd stilgelegen. In het voorjaar van 2019 is aan [appellant] medegedeeld dat de executieverkoop alsnog doorgang zal vinden. Verder is de gezinssituatie van [appellant] veranderd. Twee van de drie kinderen van [appellant] wonen niet meer thuis. Het derde kind van [appellant] woont nog wel thuis en heeft inmiddels een dochter, die ook bij [appellant] inwoont. De dochter van [appellant] heeft geen eigen inkomen en woning, aldus [appellant] . 3.5 Deze nieuwe feiten en omstandigheden rechtvaardigen een beoordeling van de incidentele vordering van [appellant] . Daarbij stelt het hof onder verwijzing naar Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, met daarin maatstaven voor de beoordeling van de incidenten van de artikelen 234, 235 en 351 Rv, het volgende voorop. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.