GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.264.091/01 (uithuisplaatsing) (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/127142 / JE RK 19-290) beschikking van 3 september 2019 inzake [verzoekster] , verder te noemen: de moeder, en [verzoeker] , verder te noemen: de vader, beiden wonende te [A] , verzoekers in hoger beroep, verder gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden, en de raad voor de kinderbescherming, regio Noord Nederland, locatie Groningen, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad. Als overige belanghebbende is aangemerkt: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, gevestigd te Assen, verder te noemen: de GI. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 augustus 2019; - een journaalbericht van mr. De Boer van 13 augustus 2019 met productie(s); - een faxbericht van de raad van 19 augustus 2019 met productie(s). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2019 plaatsgevonden, tegelijk met de behandeling van het verzoek van de ouders tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling. Dit verzoek is van de onderhavige zaak afgesplitst en geregistreerd onder zaaknummer 200.264.091/02. Verschenen zijn de ouders, bijgestaan door mevrouw [B] , beëdigd tolk in de Koerdische taal, en mr. De Boer. Ook zijn verschenen de heer [C] namens de raad en de heer [D] namens de GI. 2.3 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI met toestemming van het hof de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 1 april 2019 overgelegd. 3De feiten 3.1 De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2019. 3.2 Uit een eerder huwelijk van de moeder zijn geboren de thans nog minderjarigen [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] . Zij zijn in Duitsland uithuisgeplaatst en verblijven bij de grootmoeder (moederszijde). 3.3 De ouders oefenen het gezag over [de minderjarige1] gezamenlijk uit. 3.4 Bij beschikking van 24 maart 2019 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft de kinderrechter [de minderjarige1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg verleend, dan wel om [de minderjarige1] in het ziekenhuis te laten verblijven zolang dat om medische redenen noodzakelijk is, voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 8 april 2019. Iedere nadere beslissing is aangehouden. 3.5 Bij beschikking van 1 april 2019 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] verlengd tot 24 juni 2019. Bij die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 24 juni 2019. 3.6 [de minderjarige1] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige1] met ingang van 20 juni 2019 tot 20 juni 2020 onder toezicht gesteld van de GI. Ook is bij die beschikking met ingang van 20 juni 2019 tot 20 juni 2020 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg verleend. 4.2 De ouders verzoeken het hof de beschikking van 20 juni 2019 te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en in zoverre opnieuw beslissende het inleidend verzoek van de raad tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] voor de duur van een jaar alsnog af te wijzen en tevens alsnog een onderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv (naar onder meer de opvoedvaardigheden van de ouders) te gelasten door het NIFP, dan wel een gelijkwaardig instituut. 4.3 De raad heeft mondeling verweer gevoerd. 5De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge artikel 1:265b, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.2 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en thans nog aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt. 5.3 [de minderjarige1] is als baby zeer kwetsbaar en geheel afhankelijk van haar opvoeders. Uit het dossier komen ernstige zorgen naar voren over de veiligheid in de thuissituatie van [de minderjarige1] . De raad heeft in zijn rapport van 31 mei 2019 aangegeven dat zij tijdens de zwangerschap van de moeder is blootgesteld aan spanning en geweld, wat stressvol voor haar is geweest, en dat haar veiligheid in de thuissituatie onvoldoende is gewaarborgd. De raad heeft zijn conclusies onder andere gebaseerd op informatie van het Jugendamt in de toenmalige woonplaats van de moeder in Duitsland, dat bij de ouders betrokken is in verband met de uithuisplaatsing van de oudste vier kinderen van de moeder. Het Jugendamt heeft aangegeven dat er grote zorgen zijn over huiselijk geweld tussen de ouders, kindermishandeling door de vader en een dreigende ontvoering van [de minderjarige1] . Om die reden heeft het Jugendamt verzocht [de minderjarige1] direct na de geboorte uit huis te plaatsen. 5.4 Uit de stukken van het Jugendamt blijkt dat [de minderjarige2] begin dit jaar op school heeft aangegeven dat zij niet naar huis durfde te gaan vanwege de vele ruzies thuis en het huiselijke geweld van de vader jegens de moeder. [de minderjarige2] heeft verklaard dat de vader tijdens een ruzie tegen haar had geschreeuwd en had gedreigd om haar van het balkon te gooien. Ook vertelde zij dat de vader drugs gebruikte en dat zij een keer door hem aan de haren was getrokken. De moeder heeft in een gesprek met een medewerker van het Jugendamt de uitspraken van [de minderjarige2] bevestigd en verklaard dat er ruzies tussen haar en de vader waren omdat hij zeer jaloers is. Ook heeft zij verklaard dat zij niet van de vader kon scheiden omdat zij zwanger van hem was en vermoedde dat hij de baby zou meenemen als ze uit elkaar zouden gaan. [de minderjarige4] en [de minderjarige3] hebben de ruzie tussen de vader en [de minderjarige2] bevestigd. De grootvader heeft eveneens aangegeven dat er sprake was van woordenwisselingen in het gezin en dat de moeder van plan was van de vader te scheiden. De vader heeft daarentegen ontkend wat [de minderjarige2] over de ruzie heeft verklaard en uitgelegd dat hij [de minderjarige2] op dat moment terecht grenzen heeft gesteld omdat zij een relatie zou hebben met een jongen uit haar buurt of haar neef. 5.5 Volgens het Jugendamt heeft de moeder in gesprekken met de ambulante gezinshulpverleners in Duitsland onder andere verklaard dat de vader zich jegens haar agressief gedroeg, dat hij 's avonds marihuana gebruikte en dat zij vanwege zijn jaloezie de woning niet mocht verlaten. Ook heeft de moeder aangegeven dat de vader haar tijdens een autorit aan de haren heeft getrokken en haar verschillende keren op het hoofd heeft geslagen. De moeder heeft hiervan op 5 februari 2019 aangifte gedaan bij de politie. In de aangifte heeft zij ook verklaard dat de vader [de minderjarige2] een keer had uitgescholden en haar daarbij ook aan de haren had getrokken en dat de moeder dat allemaal had gezien. Later heeft de moeder de aangifte ingetrokken en een ambivalente houding aangenomen jegens de vader. Hij is uiteindelijk weer bij haar teruggekomen. De moeder heeft aangegeven dat zij zich eenzaam voelde, zij de vader een tweede kans wilde geven en dat hij zou doorslaan als hij niet kreeg wat hij wilde. 5.6 Uit de stukken blijkt bovendien dat in Nederland incidenten hebben plaatsgevonden die de ernstige zorgen vanuit het Jugendamt over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de ouders bevestigen. Er zijn twee flinke ruzies tussen de ouders geweest waarvan de gezinsvoogden gedeeltelijk getuige zijn geweest. De raad en de GI hebben daardoor de indruk dat de vader dominant is en de moeder volgzaam en afhankelijk. 5.7 De ouders ontkennen het huiselijk geweld van de vader en de ruzies in de thuissituaties. De moeder heeft verklaard dat zij de aangifte tegen de vader onder druk van de autoriteit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.