GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.235.991/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5983377) arrest van 17 september 2019 in de zaak van [appellante] , wonende te [A] , appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [appellante], advocaat: mr. I.M. Peeperkorn, kantoorhoudend te Zwolle, tegen Stichting Nijestee, gevestigd te Groningen, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Nijestee, advocaat: mr. C.E. van der Wijk, kantoorhoudend te Groningen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 maart 2019 hier over. 1.2 Het verdere verloop na het tussenarrest blijkt uit het proces-verbaal van de op 29 augustus 2019 - met instemming van partijen enkelvoudig - gehouden comparitie van partijen, waarbij [appellante] spreeknotities heeft overgelegd. 1.3 Vervolgens hebben partijen arrest verzocht en heeft het hof arrest bepaald op de voorafgaand aan de comparitie overgelegde gedingstukken, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie. 2De vaststaande feiten 2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsover-wegingen 2.2 tot en met 2.7 van het vonnis van 2 januari 2018. Aangevuld met feiten die in hoger beroep eveneens vast staan, zijn de feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt. 2.2 [appellante] huurt sinds 15 december 1979 van Nijestee de bovenwoning aan de [a-straat] 27B te [A] . 2.3 De naastgelegen bovenwoning aan de [a-straat] 29A te [A] wordt sinds circa 1980 door Nijestee verhuurd aan de heer [B] (hierna te noemen: [B] ). 2.4 De voordeur van de bovenwoning van [appellante] bevindt zich direct naast de voordeur van de bovenwoning van [B] . Aan de achterzijde van de bovenwoningen grenzen de balkons aan elkaar, die van elkaar zijn gescheiden door een bakstenen muurtje. 2.5 [appellante] ervaart sinds langere tijd, in ieder geval sinds september 2010, overlast van [B] en heeft hierover meerdere klachtbrieven verzonden aan Nijestee. Daarnaast heeft [appellante] in 2011 en 2012 bij de politie diverse aangiftes tegen [B] gedaan. 2.6 In 2011 heeft [appellante] bij de Klachtencommissie Gezamenlijke Corporaties Groningen (hierna: KGCG) een klacht ingediend over het gebrek aan aanpak door Nijestee van de door haar ervaren overlast van [B] . De KGCG heeft op 25 mei 2011 een bemiddelingsgesprek geadviseerd tussen [appellante] en [B] en de klacht vervolgens op 26 juli 2011 ongegrond verklaard. [appellante] is niet tot zo’n gesprek bereid. 2.7 Bij vonnis van de kantonrechter te Groningen van 6 december 2012 is de vordering van [appellante] , die strekte tot de veroordeling van Nijestee om tegen [B] een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst te voeren, afgewezen. Daartoe is samengevat overwogen dat [appellante] haar stelling dat [B] de door haar gestelde, in ieder geval sinds september 2010 optredende overlast heeft veroorzaakt, onvoldoende heeft onderbouwd. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. 2.8 Ook in de periode na het vonnis van 6 december 2012 heeft [appellante] aangiftes gedaan tegen [B] . Zij heeft op 15 februari 2013 bij de politie aangifte gedaan van smaad en laster vanwege valse verklaringen die zijn afgelegd door omwonenden. Verder heeft zij meldingen gedaan bij de politie op 2 juni 2014, 14 oktober 2014, 26 november 2014 en 10 december 2014 over vernielingen, mishandeling en verbale dreigementen. 2.9 Op 23 december 2016 heeft [appellante] aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd door [B] op 18 december 2016. Op 3 januari 2017 heeft [appellante] aangifte jegens [B] gedaan van verbale dreigementen jegens [B] . 2.10 In een beschikking van de strafkamer van dit hof van 16 oktober 2018 is op beklag van [appellante] de vervolging bevolen van [B] ter zake van mishandeling, gepleegd op 18 december 2016 te Groningen. In deze beschikking is onder meer vermeld: In een mutatie d.d. 23 december (hof leest:) 2016 wordt gerelateerd dat beklaagde op 18 december 2016 tegenover verbalisanten verklaarde dat hij zag dat klaagster verf richting zijn voordeur veegde, waar hij haar op aansprak. Daarop volgde een woordenwisseling en een worsteling, waarbij de steel van de bezem tegen haar gezicht was gekomen. Verbalisanten constateerden dat er een zwelling onder klaagsters rechteroog was te zien. Er is tot op heden geen vervolging tegen [B] ingesteld. 3Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de vordering in hoger beroep 3.1 [appellante] heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd de veroordeling van Nijestee tot herstel van de gebreken aan de woning van [appellante] door de overlast die veroorzaakt wordt door [B] , te doen eindigen door het instellen van een ontbindings-vordering tegen [B] , dan wel door het aanbieden van andere woonruimte, een en ander binnen vier weken, op straffe van een dwangsom, en de vermindering van de huurprijs van de woning van [appellante] met de helft, te rekenen vanaf zes maanden voorafgaande aan de dag van de dagvaarding totdat aan de overlast, veroorzaakt door [B] , een einde is gekomen, met veroordeling van Nijestee in de proceskosten. 3.2 De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 januari 2018 de vordering van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de kantonrechter samengevat overwogen dat [appellante] haar stellingen niet nader heeft onderbouwd en gepreciseerd en dat er geen (begin van) bewijs is dat [B] verantwoordelijk is voor de gedragingen waar zij over klaagt. 3.3 [appellante] vordert in het hoger beroep de vernietiging van het vonnis van 2 januari 2018 en alsnog de toewijzing van haar vordering. 4De beoordeling van de grieven en de vordering 4.1 [appellante] heeft twee grieven tegen het vonnis van 2 januari 2018 opgeworpen. Met haar eerste grief betoogt [appellante] , ook onder verwijzing naar de onder 2.10 bedoelde beschikking, dat zij wel aan haar stelplicht heeft voldaan en voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [B] verantwoordelijk is voor de gedragingen waarover zij klaagt. [appellante] verbindt daaraan de conclusie dat Nijestee niet voldoet aan haar hoofdverplichting van het verschaffen van huurgenot, zodat sprake is van een gebrek, dat hersteld moeten worden via een tegen [B] gerichte procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en via een vermindering van de huurprijs. Haar tweede grief keert zich tegen de proceskostenveroordeling. 4.2 [appellante] verwijt Nijestee dat zij nalaat een ontbindings- en ontruimingsvordering in te stellen tegen haar buurman [B] , die eveneens van Nijestee huurt. Wil een huurovereenkomst door de rechter op grond van toerekenbare tekortkoming kunnen worden ontbonden, moet sprake zijn van onbehoorlijk gedrag van de huurder van een woning jegens (een) omwonende(n). De huurder die onrechtmatig overlast bezorgt aan omwonenden, schiet ook tekort in de nakoming van de verbintenis jegens de verhuurder om zich als een goed huurder te gedragen, wat de verhuurder een grondslag geeft voor een ontbindingsvordering (zie HR 16 oktober 1992, NJ 1993/167, ECLI:NL:HR:1993:ZC0719, Van Gent / Wijnands). 4.3 Het is dan ook aan [appellante] , gelet op de gemotiveerde betwisting van Nijestee, om voldoende feiten en omstandigheden te stellen - en zo nodig te bewijzen - dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.