WAHV 200.229.933 24 september 2019 CJIB 199581058 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 1 december 2017 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling
- De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig zekerheid is gesteld. Daartoe is overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat, hoewel niet op de voorgeschreven wijze zekerheid is gesteld, dit verzuim niet aan de indiener van het beroepschrift zou mogen worden toegerekend.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat niet tijdig zekerheid is gesteld. De betrokkene heeft slechts één keer een herinneringsbrief ontvangen, op dezelfde datum als de gemachtigde, namelijk 10 september
- Vervolgens is meteen actie ondernomen door op 15 september 2017 te betalen. Dat was tijdig.
- Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan (in dit geval de officier van justitie) aannemelijk moet maken dat een beslissing of ander relevant document is verstuurd. Als dat aannemelijk is gemaakt, is het aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat het document is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
- Als namens de betrokkene door een gemachtigde beroep is ingesteld, moet de post hierover in ieder geval aan de gemachtigde worden toegestuurd (artikel 6:17 Awb).
- Het dossier bevat de volgende kopieën van brieven van de officier van justitie waarin mededeling is gedaan van de verplichting om zekerheid te stellen. Een brief van 23 maart 2017, gericht aan zowel de betrokkene als aan [B] en een brief van 9 april 2017 gericht aan [D] T.a.v. Bc. [B] . De beide aan de gemachtigde gerichte brieven zijn geadresseerd aan het adres zoals vermeld in het beroepschrift van 27 februari 2017, ingekomen bij de CVOM op 28 februari
- In het dossier bevindt zich geen zekerheidsbrief van 10 september 2017 aan de gemachtigde. Een kopie daarvan is door hem niet overgelegd.
- Zekerheidsbrieven worden namens de officier van justitie verzonden door de CVOM. In het arrest van 28 januari 2013 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1110) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. Daarom mag worden aangenomen dat deze brieven daadwerkelijk zijn verstuurd.
- De gemachtigde betwist deze automatische verzending en stelt dat uit de arresten ECLI:NL:CRVB:2011:BT8936 en ECLI:NL:CRVB:2014:784 volgt dat als besluitdatum en (de te vermelden verzenddatum) afwijken, niet aannemelijk is gemaakt dat het stuk is verzonden. Dit leidt het hof evenwel niet tot een ander oordeel.
- De gemachtigde heeft een overzicht overgelegd van zijn ontvangstadministratie met betrekking tot het onderhavige CJIB-nummer. Daarop staat "10-9-2017 Beroep stap 3 CVOM zekerheid stellen." Zoals gezegd, een kopie van die brief heeft hij niet overgelegd. De onder 5 genoemde zekerheidsbrieven staan niet op dit lijstje en dat geldt ook voor diverse andere zich in het dossier bevindende stukken. Ook zijn daarop vermeld, als ontvangen dus, diverse door de gemachtigde verzonden stukken, zoals het administratief beroepschrift d.d. 1 augustus 2016 en de aanvulling van de beroepsgronden d.d. 14 september
- Gelet hierop is de gemachtigde er niet in geslaagd om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat de zekerheidsbrieven van 27 maart 2017 en 9 april 2017 zijn ontvangen. Uit de stukken blijkt ook niet dat de zekerheidsbrieven als onbestelbaar retour zijn gekomen. De stukken behelzen ook overigens niets waaruit kan blijken dat deze brieven de gemachtigde niet hebben bereikt. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de gemachtigde deze wel heeft ontvangen. Ook heeft de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt dat hij een zekerheidsbrief van 10 september 2017 heeft ontvangen.
- Ingevolge de zekerheidsbrief van 9 april 2017 diende uiterlijk twee weken na de dag van verzending van die brief zekerheid te zijn gesteld. Er is eerst op 15 september 2017 betaald. Er is niet gebleken dat het niet tijdig stellen van zekerheid verschoonbaar is. De kantonrechter heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
- Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.