GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.224.270 arrest van 29 januari 2019 inzake 1 [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2], beiden wonende te [woonplaats] , eiser tot herroeping, hierna (in mannelijk enkelvoud): [eiser] , advocaat: mr. W.H. van Zundert, tegen de gezamenlijke erven van wijlen [naam overledene] , te weten 1. [gedaagde sub 1], wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats] , 3. [gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats] , 4. [gedaagde sub 4], wonende te [woonplaats] , gedaagden tot herroeping, hierna (in mannelijk enkelvoud): [gedaagden] , advocaat: mr. J.C. van Nie. 1Het verdere verloop van het geding tot herroeping 1.1 Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het arrest in het incident in deze zaak van 27 februari 2018. Bij dat arrest is beslist in het incident en is [eiser] in de gelegenheid gesteld om in de hoofdzaak een akte uitlating producties te nemen. [eiser] heeft van die gelegenheid op de rol van 3 april 2018 gebruik gemaakt. 1.2 Vervolgens is op verzoek van [eiser] pleidooi bepaald. De pleidooizitting heeft op 6 december 2018 plaatsgevonden. Daarbij hebben partijen de zaak door hun advocaten laten bepleiten. De advocaten hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Er is akte verleend van de door [eiser] voorafgaande aan de pleidooizitting ingediende stukken. 1.3 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De beoordeling van de vordering tot herroeping 2.1 Bij arrest van 7 februari 2012 heeft dit hof (onder zaaknummer 200.089.204) uitspraak gedaan in het hoger beroep tussen [eiser] als appellant en [gedaagden] als geïntimeerde. Daarbij heeft het hof het hoger beroep tegen de tussen partijen door de rechtbank Almelo gewezen tussenvonnissen van 5 augustus 2009 en 18 november 2009 verworpen en het tussenvonnis van 13 oktober 2010 en het eindvonnis van 9 maart 2011 bekrachtigd. Bij het eindvonnis is [eiser] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [gedaagden] , nader op te maken bij staat. Aan deze veroordeling ligt, kort weergegeven, ten grondslag dat [eiser] bij zijn verzoek aan de gemeente om de agrarische bestemming van de woning van [gedaagden] te handhaven [gedaagden] onbevoegd heeft vertegenwoordigd en daarmee onrechtmatig jegens [gedaagden] heeft gehandeld. De rechtbank achtte de mogelijkheid van schade aanwezig en heeft geoordeeld dat het verweer van [eiser] ten aanzien van de schade in de schadestaatprocedure aan de orde zal komen. Vervolgens is er een schadestaatprocedure gevolgd, die heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Overijssel van 3 april 2013. Bij dat vonnis heeft de rechtbank de door [gedaagden] geleden schade begroot op € 30.000,- en [eiser] veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan [gedaagden] , te vermeerderen met rente en proceskosten. In het hoger beroep tegen deze uitspraak hebben partijen ter zitting van 7 augustus 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat [eiser] aan [gedaagden] ter finale kwijting een bedrag van € 25.000,- betaalt. [eiser] heeft hieraan niet binnen de overeengekomen termijn voldaan, waarna [gedaagden] de vaststellingsovereenkomst heeft ontbonden. 2.2 [eiser] heeft bij exploten van 20 en 21 september 2017 [gedaagden] gedagvaard voor dit hof en onder overlegging van producties gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het arrest van 7 februari 2012 zal herroepen en de in de vorm van een proces-verbaal vastgelegde vaststellingsovereenkomst van 7 augustus 2013 zal vernietigen, onder afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten van alle instanties. De vordering richt zich dus niet, en dat zou in deze procedure ook niet kunnen, tegen het vonnis van de rechtbank van 3 april 2013 in de schadestaatprocedure. [eiser] heeft - samengevat - aan zijn vordering tot herroeping ten grondslag gelegd dat [gedaagden] heeft verzwegen dat hij niet in beroep is gegaan van een nieuwe beslissing op bezwaar van 29 september 2010, dat hij de gemeente heeft verzocht om wijziging van het bestemmingsplan af te wachten en dat hij heeft afgezien van het verzoek tot verandering van de agrarische bestemming van de woning van [gedaagden] in de bestemming van burgerwoning. Uit nieuwe stukken is gebleken, aldus [eiser] , dat [gedaagden] de schade had kunnen voorkomen en dat causaal verband tussen de tekortkoming van [eiser] en de waardedaling van de woning van [gedaagden] ontbreekt. 2.3 Het hof stelt voorop dat een vordering tot herroeping alleen met succes kan worden ingesteld tegen een uitspraak die mede berust op door de wederpartij gepleegd bedrog of op stukken waarvan de valsheid na de uitspraak is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of indien de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. De gronden waarop [eiser] zijn vordering tot herroeping baseert, hebben alle betrekking op het ontbreken van de door [gedaagden] gestelde schade althans het ontbreken van causaal verband tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [gedaagden] gestelde schade dan wel op het door [gedaagden] niet voldoen aan zijn schadebeperkingsplicht (eigen schuld). In het arrest waarvan herroeping wordt gevorderd en in de daaraan voorafgaande vonnissen van de rechtbank is niet over de omvang van de schade en over het causaal verband geoordeeld. De rechtbank heeft uitdrukkelijk overwogen dat het verweer van [eiser] ten aanzien van de schade in de schadestaatprocedure aan de orde zal komen. Deze bevoegdheid heeft de rechter (vergelijk onder andere Hoge Raad 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2774). Ook het hof is in de uitspraak waarvan herroeping wordt gevorderd aan de beoordeling van de (omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.