GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.254.952/01 en 200.254.972/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/220910 / FA RK 18-1830) beschikking van 15 oktober 2019 in de zaak met zaaknummer 200.254.952/01 van [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. R. Haze te Rotterdam, en de raad voor de kinderbescherming, regio Overijssel, locatie Zwolle, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: 1 [de vader] , wonende te [A] , verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam, 2. de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Arnhem, verder te noemen: de voogd, 3. [de pleegouders], wonende te [B] , verder te noemen: de pleegouders, en in de zaak met zaaknummer 200.254.972/01 van [de vader] , wonende te [A] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam, en de raad voor de kinderbescherming, regio Overijssel, locatie Zwolle, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: 1 [verzoekster] , wonende te [A] ,verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. R. Haze te Rotterdam, 2. de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Arnhem, verder te noemen: de voogd, 3. [de pleegouders], wonende te [B] , verder te noemen: de pleegouders. 1 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018 en schriftelijk vastgesteld op 20 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep In de zaak met zaaknummer 200.254.952/01 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 21 februari 2019; - het verweerschrift van de raad; - een journaalbericht van mr. Haze van 8 maart 2019 met productie(s); - een journaalbericht van mr. Haze van 25 maart 2019 met productie(s); - een brief van de voogd van 30 april 2019; - een brief van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (als informant) van 23 mei 2019. In de zaak met zaaknummer 200.254.972/01 2.2 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 21 februari 2019; - het verweerschrift van de raad; - een journaalbericht van mr. De Gruijl van 22 maart 2019 met productie(s); - een brief van de voogd van 30 april 2019; - een brief van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (als informant) van 23 mei 2019. In beide zaken 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 16 september 2019 plaatsgevonden. De zaken zijn tegelijkertijd behandeld. Verschenen zijn: - de moeder, vergezeld van haar begeleidster mevrouw [C] (werkzaam bij [D] ) en bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - namens de raad mevrouw mr. [E] ; - namens de voogd de heer [F] ; - [de pleegvader] . 3De feiten 3.1 Uit de - inmiddels verbroken - relatie van de moeder en de vader is [in] 2016 geboren [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). 3.2 Bij beschikking van 31 januari 2017 is [de minderjarige] (voorlopig) onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel. Daarnaast is een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Nadien zijn de maatregelen steeds verlengd tot laatstelijk, bij beschikking van 21 november 2018, 24 mei 2019. 3.3 [de minderjarige] verblijft sinds 31 januari 2017 bij de pleegouders (een perspectiefbiedend pleeggezin). 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder en de vader over [de minderjarige] beëindigd en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland tot voogd benoemd. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen. In de zaak met zaaknummer 200.254.952/01 4.2 De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] . De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking (zo begrijpt het hof:) in zoverre te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van (zo leest het hof:) de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] af te wijzen. 4.3 De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking (zo begrijpt het hof:), voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen, kosten rechtens. 4.4 De vader, de voogd en de pleegvader hebben ter zitting hun standpunt kenbaar gemaakt. In de zaak met zaaknummer 200.254.972/01 4.5 De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige] . De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking (zo begrijpt het hof:) in zoverre te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige] af te wijzen. 4.6 De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking (zo begrijpt het hof:), voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen, kosten rechtens. 4.7 De moeder, de voogd en de pleegvader hebben ter zitting hun standpunt kenbaar gemaakt. 5De motivering van de beslissing Wijziging standpunt moeder 5.1 Ter zitting heeft de moeder haar standpunt gewijzigd in die zin dat zij van mening is dat de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken, maar dat er geen reden is voor beëindiging van haar gezag omdat zij in vrijwillig kader haar medewerking zal verlenen. Het hof stelt vast dat de grieven zoals geformuleerd in het beroepschrift derhalve geen bespreking meer behoeven. Het hof zal hierna inhoudelijk ingaan op het gewijzigde standpunt van de moeder. In beide zaken 5.2 Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 5.3 Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. 5.4 Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.