GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.263.502/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/165729 / FJ RK 19-199) beschikking van 17 oktober 2019 inzake [verzoeker] , wonende te [A] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden, en de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gevestigd te Leeuwarden, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbende is aangemerkt: [de moeder] , wonende te [B] , verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, ingekomen op 11 juli 2019; - het verweerschrift van de moeder; - een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 6 augustus 2019 met productie(s); - een brief van de raad voor de kinderbescherming van 19 augustus 2019; - een brief van de GI van 26 augustus 2019. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 3 september 2019 plaatsgevonden. De vader is verschenen, bijgestaan door mr. Nijenhuis. Ook was mr. Schütz aanwezig. Zoals door het hof bij brief van 20 augustus 2019 is aangekondigd, is ter zitting enkel het verzoek tot het aanmerken van de vader als belanghebbende behandeld. 3De feiten 3.1 De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit die relatie is [in] 2010 geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] erkend. 3.2 De moeder oefent het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder. 3.3 Bij beschikking van 26 april 2018 heeft het hof [de minderjarige] op verzoek van de vader onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 26 april 2018 tot 26 april 2019. 3.4 De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. 3.5 De vader heeft de rechtbank verzocht hem in de procedure over de verlenging van de ondertoezichtstelling aan te merken als belanghebbende. 3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] afgewezen. Ook heeft de kinderrechter het verzoek van de vader om als belanghebbende te worden aangemerkt afgewezen. 4De omvang van het geschil 4.1 De vader verzoekt de beschikking van 19 april 2019 te vernietigen en opnieuw beslissende: - te bepalen dat hij belanghebbende is in de procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling; - het verzoek van de GI en het verzoek van de vader toe te wijzen en de ondertoezichtstelling te verlengen althans opnieuw uit te spreken voor de duur van een jaar met handhaving althans benoeming van het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid tot GI. 4.2 De moeder voert verweer en verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4.3 De GI heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof ten aanzien van het verzoek van de vader om hem als belanghebbende aan te merken. 5De motivering van de beslissing 5.1 Zoals gesteld is in dit stadium van de zaak alleen aan de orde de vraag of de vader, die niet met het gezag over [de minderjarige] is belast, in de onderhavige procedure als belanghebbende dient te worden aangemerkt en dus ook of hij ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep. 5.2 De vader heeft aangevoerd dat hij als belanghebbende dient te worden aangemerkt in deze procedure, nu het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen en de GI van deze beslissing niet in hoger beroep is gegaan. Daarbij is van belang dat de ondertoezichtstelling destijds op zijn verzoek is uitgesproken. Aangezien de vader op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een eigen bevoegdheid heeft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen wanneer de GI daartoe niet overgaat, kan het volgens hem niet de bedoeling zijn dat hem geen hoger beroep toekomt indien de GI geen hoger beroep instelt tegen de afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. 5.3 Tevens heeft de vader - kort gezegd - aangevoerd dat hij belanghebbende is vanwege de omstandigheid dat de ondertoezichtstelling is uitgesproken in verband met het uitblijven van statusvoorlichting, zodat de ondertoezichtstelling mede is gericht op de positie van de vader in het leven van [de minderjarige] alsmede zijn wens om contact te hebben met [de minderjarige] . De stand van zaken ten aanzien van de statusvoorlichting is voor de vader onduidelijk. Ook stelt de vader dat in het verleden family life is ontstaan tussen [de minderjarige] en hem, nu hij in de eerste anderhalf jaar een rol heeft gespeeld in het leven van [de minderjarige] . 5.4 Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 798, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet onder belanghebbende worden verstaan, degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Tot de in artikel 798, eerste lid, Rv beschermde rechten of verplichtingen behoren ook de rechten die worden beschermd door internationale verdragen, zoals het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor zover daarop door een burger rechtstreeks een beroep kan worden gedaan. 5.5 De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) overwogen dat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.