Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005120-18 Uitspraak d.d.: 31 oktober 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 11 september 2018 met parketnummer 05-740248-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1994] , wonende [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw recht doen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1primair:hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1subsidiair:hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) snijwond en/of enig ander zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam te steken; 1meer subsidiair:hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2: hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, te weten aan de Johan de Wittlaan , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit: - met een auto naar die [slachtoffer] toe rijden en/of - ( vervolgens) uit de auto stappen en/of - ( vervolgens) (met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp) naar die [slachtoffer] toe rennen en/of - ( vervolgens) die [slachtoffer] in het (boven)lichaam te steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of - ( vervolgens) (in de richting van) die [slachtoffer] een steen te slaan en/of te gooien. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Voorwaardelijk verzoek De raadsman heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om [getuige 1] ter terechtzitting van het hof als getuige te horen indien het hof geen geloof hecht aan de reeds door hem afgelegde verklaring. [getuige 1] is reeds op verzoek van de verdediging bij de raadsheer-commissaris als getuige gehoord, tijdens welk verhoor de raadsman in de gelegenheid is gesteld vragen aan de getuige stellen en hij ook van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt Mede gelet daarop acht het hof het niet noodzakelijk om hem ook nog ter zitting van het hof als getuige te horen. Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de raadsman daarom af. Bewezenverklaring De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd. Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1primair:hij op of omstreeks15mei2018teArnhem,in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2: hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, te weten aan de Johan de Wittlaan , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit: - met een auto naar die [slachtoffer] toe rijden en/of - (vervolgens) uit de auto stappen en/of - (vervolgens) (met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp) naar die [slachtoffer] toe rennen en/of - (vervolgens)die [slachtoffer] in het (boven)lichaam te steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of - (vervolgens) (in de richting van) die [slachtoffer] een steen te slaan en/of te gooien. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Beroep op noodweer Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat verdachte zich ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten kan beroepen op noodweer en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft daartoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd. Aangever [slachtoffer] was degene die de confrontatie met verdachte zocht door met een mes in zijn hand op hem af te rennen. Uit de verklaringen van verdachte en [getuige 1] - de broer van de verdachte - blijkt dat [slachtoffer] een mes bij zich had. Ook de getuige [getuige 2] heeft mogelijk een mes gezien bij [slachtoffer] . Toen verdachte het mes zag, rende hij de Statenlaan in. Daarbij viel hij op de motorkap van een auto. [slachtoffer] probeerde verdachte toen met het mes te steken. Daarna sloeg hij verdachte. Om zich te verdedigen tegen deze aanval door [slachtoffer] , heeft verdachte een mes gepakt waarmee hij [slachtoffer] één keer heeft gestoken. Dit deed hij uit noodweer. Vervolgens rende verdachte weg, de Statenlaan in. De raadsman heeft verder aangevoerd dat er sprake is van een zogenoemde Meer-en-Vaart-situatie, nu het hiervoor beschreven scenario niet kan worden weerlegd door de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. Indien een alternatief scenario dat door de verdediging wordt aangedragen niet kan worden uitgesloten, moet dat scenario door het hof worden gevolgd, aldus de raadsman. Het hof zal er dus van uit moeten gaan dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep toekomt op noodweer omdat - kort gezegd - geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Oordeel van het hof Het hof acht de aan het beroep op noodweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt daartoe dat de verklaring van de verdachte dat (ook) de aangever [slachtoffer] een mes bij zich had weliswaar wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] , de broer van de verdachte, maar niet door enig ander bewijsmiddel. Ook niet door de verklaringen van de getuige [getuige 2] , nu deze niet eenduidig verklaart over de vraag wie er al dan niet een mes bij zich had. Daarnaast is er geen mes in de omgeving van de plaats delict aangetroffen dat van [slachtoffer] afkomstig zou kunnen zijn. En ook op de camerabeelden van het incident is niet te zien dat [slachtoffer] een mes bij zich droeg. Die camerabeelden weerleggen daarentegen wel de verklaring van de verdachte dat hij (nadat [slachtoffer] hem probeerde te steken) de Statenlaan in is gerend. Op deze beelden is namelijk te zien dat verdachte - na de door hem gestelde confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] die om de hoek van de Statenlaan heeft plaatsgevonden en waarbij de verdachte [slachtoffer] heeft gestoken - achter [slachtoffer] aan is gerend de Johan de Wittlaan in. In deze straat heeft vervolgens nog een confrontatie tussen hen plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] een reclamebord in verdachtes richting heeft gegooid. Nu naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat (ook) [slachtoffer] een mes bij zich had, concludeert het hof dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. De stelling van de raadsman dat een alternatief scenario van de verdediging moet worden gevolgd als dit scenario niet door bewijsmiddelen kan worden weerlegd, vindt geen steun in het recht. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen. Ten overvloede merkt het hof op dat van een Meer-en-Vaart-situatie waarbij het alternatieve scenario niet strijdig is met de bewijsmiddelen, maar wel met de bewezenverklaring in casu geen sprake is Het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde levert op: de eendaadse samenloop van poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbaarheid van de verdachte Beroep op noodweerexces Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt en om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Oordeel van het hof Nu het hof reeds hiervoor heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging was geboden, wordt het beroep op noodweerexces reeds om die reden verworpen. Hetgeen hiervoor door het hof is overwogen in het kader van de verwerping van het beroep op noodweer dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Verdachte is derhalve strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren (en voorts met aftrek van voorarrest). De rechtbank heeft verdachte voor de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman - onder meer - aangevoerd dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - de volgende omstandigheden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op het slachtoffer [slachtoffer] door hem eenmaal met een mes in zijn lichaam te steken. Het slachtoffer is hierdoor ernstig gewond geraakt. Het bij hem toegebrachte letsel had tot zijn dood kunnen leiden. Met zijn handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij ervoor heeft gekozen om zijn geschil met [slachtoffer] op klaarlichte dag op een gewelddadige wijze uit te vechten en dat het door verdachte gebruikte geweld zich heeft afgespeeld op de openbare weg in een drukke buurt waar zich veel mensen op straat bevinden. Dergelijke strafbare feiten brengen gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving. Het hof heeft in het voordeel van verdachte in de strafoplegging meegewogen dat hij volgens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 september 2019 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Bij de strafoplegging houdt het hof verder in het voordeel van de verdachte rekening met zijn jeugdige leeftijd. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar (met aftrek van voorarrest), passend en geboden is. Vanwege de jeugdige leeftijd van verdachte ziet het hof aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan hem op te leggen. Het hof hoopt dat deze voorwaardelijke gevangenisstraf hem ervan weerhoudt om opnieuw een strafbaar feit te plegen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.052,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.