Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006320-17 Uitspraak d.d.: 4 november 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 14 november 2017 met parketnummer 05-740137-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1977] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft daarnaast kennis genomen van dat wat door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Winters, en door de advocaat van de benadeelde partij, mr. B.J.F. Hofmans, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij vonnis van 14 november 2017 door de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, wegens het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, plegen van ontuchtige handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 17.010,05 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het onder meer tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- ten laste gelegd dat: primairhij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2015 te Groesbeek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [1999] , buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door geslachtsgemeenschap met haar te hebben en/of met haar te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt. subsidiairhij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2015 te Groesbeek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [1999] , buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd door met die [slachtoffer] te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat aangeefster tot in detail verteld heeft wat er volgens haar gebeurd is. Uit de verklaringen van collega’s en het ex-vriendje van aangeefster blijkt dat zij allemaal in de gaten hadden dat er iets speelde. Er zijn ook al eerdere incidenten geweest waarbij verdachte te handtastelijk werd op de werkvloer. De aangifte vindt steun in de Whats App-gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster. Hieruit blijkt dat het om meer gaat dan enkel tongzoenen. Standpunt verdediging De verdediging heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair aan hem ten laste gelegde feit. Het tongzoenen heeft verdachte bekend. Dit valt echter niet binnen de delictsomschrijving van artikel 245 Sr, maar dient gekwalificeerd te worden als ontuchtige handeling. Om deze reden heeft de verdediging zich voor wat betreft het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. De aangifte is onbetrouwbaar. De overige verklaringen zijn gebaseerd op deze onbetrouwbare aangifte. Aangeefster is naar eigen zeggen bekend met liegen, waardoor met haar verklaring zeer terughoudend moet worden omgegaan. De verklaring van aangeefster is daarnaast ingegeven door haar ouders. Steunbewijs is er onvoldoende en dit laat de mogelijkheid van interpretatie open. Aangeefster heeft de werkelijkheid verdraaid. Verdachte heeft wel seks gehad in de badkamer, maar niet met aangeefster maar met zijn toenmalige vriendin [(ex-)vriendin verdachte] . Aangeefster wist dat dit gebeurd was. Aangeefster heeft gedaan alsof dit tussen haar en verdachte gebeurd is. De door de rechtbank aangehaalde WhatsApp-berichten leveren geen enkel bewijs op voor geslachtsgemeenschap, hiervoor is teveel ruimte voor interpretatie. Van het bericht ‘Maar dat we half seks hebben gehad heb ik ni gezegd’ zit in het dossier bovendien enkel een screenshot, terwijl dit bericht niet terugkomt in de backup van de berichtentijdlijn. Uit een aanvullend opgemaakt proces-verbaal blijkt dat de politie hiervoor verschillende verklaringen bedacht heeft. Een van de verklaringen is dat aangeefster het bericht of binnen 7 minuten of binnen 68 minuten heeft verwijderd. Uit het screenshot is echter niet af te leiden wanneer deze is gemaakt. De mogelijkheid blijft open dat er geknoeid is met het screenshot. ‘Half seks’ zou er bovendien juist op kunnen duiden dat er geen seks heeft plaatsgevonden. In aanvulling hierop heeft verdachte aangegeven dat aangeefster toegang had tot zijn telefoon en dat het zeer goed mogelijk is dat zij de berichten zelf gestuurd heeft. Oordeel hof Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof gaat uit van de volgende bewijsmiddelen. Op 28 oktober 2015 heeft [slachtoffer] (geboren op [1999] ) aangifte gedaan van ontucht, gepleegd in Groesbeek in de periode van 15 juni 2015 tot en met 19 oktober 2015. Zij heeft verklaard dat zij op zoek was naar werk en via een vriendin uitkwam bij het café van verdachte. Na een sollicitatiegesprek werd zij daar aangenomen. Zij werkte daar zwart en op wisselende tijden. In de eerste week werd aangeefster door verdachte toegevoegd aan de groepsapp van het werk. Later kreeg zij ook privé-appjes van verdachte. In het begin ging dat alleen over het werk. Door de manier waarop verdachte keek naar aangeefster en door dingen die hij tegen haar zei, kreeg zij gevoelens voor hem. Op een dag was aangeefster in een schuur bij het café om wijn te halen. Verdachte kwam heel dicht bij haar staan en zei dat zij blufte. Hij stond met zijn buik tegen haar rug aan, sloeg een arm om haar lichaam en liet zijn hoofd op haar schouder rusten. Aangeefster wist dat het bluffen sloeg op een kus. Aangeefster draaide zich om en gaf verdachte een kus op de mond. De volgende avond gaf verdachte aangeefster een kus op haar mond. Na die zoen kreeg aangeefster een app van verdachte dat het eigenlijk niet kon en dat haar vader hem zou vermoorden. Aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte elkaar heel vaak een kus op de mond hebben gegeven. Na de tweede of derde keer kussen werd er ook getongzoend. Tijdens het zoenen zat verdachte aan haar kont. Later zijn zij meer gaan voelen, maar niet onder de kleding. Verdachte voelde bij de vagina en borsten van aangeefster. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster meerdere keren gezoend heeft; dit zoenen bestond (ook) uit tongzoenen. Verdachte wist dat aangeefster 15 jaar oud was. De eerste zoen vond plaats in de opslagschuur. Verdachte pakte aangeefster ook weleens bij haar billen. Rond 15 september 2015 was aangeefster aan het werk in de keuken. Verdachte had al twee keer geprobeerd om aangeefster mee naar boven te krijgen. Dit had aangeefster geweigerd. Op of rond voornoemde dag moest aangeefster van verdachte eten naar boven brengen. Verdachte liep achter haar aan en bleef bij de deur van de badkamer staan. Toen aangeefster weer naar beneden liep begonnen zij en verdachte te zoenen. Verdachte deed de badkamerdeur open. Samen struikelden zij naar binnen. Verdachte maakte zijn riem en de riem van aangeefster los. Hij deed haar broek en zijn broek omlaag. Hierdoor hingen hun broeken op de knieën. Toen ging de piemel van verdachte in de vagina van aangeefster. Dit gebeurde zonder condoom. Aangeefster stond hierbij voorover gebukt tegen de badrand aan en verdachte stond achter haar. Na ongeveer twee minuten kwam er iemand de trap oplopen. Verdachte en aangeefster schrokken en deden snel de kleren weer aan. Hierna zijn zij naar beneden gegaan. Later die avond maakte verdachte nog een grapje van: “Ik zal je vader maar niet vertellen dat ik mijn lul drie minuten in zijn dochter heb gehad”. Daarnaast zei hij tegen aangeefster dat zij het die avond wel kon afmaken omdat zij bij [getuige 3] zou slapen. Verdachte heeft één keer seks met aangeefster gehad. De reden dat aangeefster als datum 15 september 2015 inschat als de datum waarop het gebeurd is, is dat zij op 10 september ongesteld werd en dat meestal vier of vijf dagen duurt. De dag dat ze seks hadden, was zij niet meer ongesteld. Verdachte zei tegen aangeefster dat zij het nooit aan iemand moesten vertellen en als het uitkwam dat ze dan zouden zeggen dat ze elkaar alleen een kus op de mond hadden gegeven. In eerste instantie heeft aangeefster tegen haar (ex-)vriendje en ouders verteld dat zij en verdachte gezoend hebben. Twee dagen later (het hof begrijpt: op 18 oktober 2015) heeft zij aan haar ouders verteld dat zij en verdachte ook seks gehad hadden. Haar vader heeft hierover verklaard dat aangeefster hem het volgende vertelde. Het was gebeurd een dag na haar ongesteldheid, 15 september. Die dag was zij al twee keer benaderd door verdachte. Aangeefster heeft dit toen afgewezen. Zij moest toen eten brengen naar een Pool die boven woont. Verdachte is aangeefster toen achterna gelopen. Zij zijn samen de badkamer ingegaan. Aangeefster moest zich omdraaien en toen heeft verdachte haar echt geneukt. Er was geen condoom gebruikt. Het was broek omlaag, erin en dat was het. De eerste persoon die wist dat er iets speelde tussen aangeefster en verdachte was [getuige 2] , een collega en schoolgenoot van aangeefster. Zij wist dit al voordat er seks was geweest, maar nadat verdachte en aangeefster seks hadden gehad heeft aangeefster dat ook aan haar verteld. Op 18 oktober hoorde het (ex-)vriendje van aangeefster, [getuige 3] , voor het eerst dat aangeefster en verdachte ook seks hadden gehad. Dit hoorde hij van [klasgenoot] , een klasgenoot van aangeefster. Op 21 oktober 2015 vertelde aangeefster aan getuige [getuige 3] dat verdachte twee keer had aangedrongen op seks. Aangeefster had dat twee keer afgeslagen. Bij de derde keer moest aangeefster een bord eten naar boven brengen. Verdachte was haar gelijk achterna gegaan, heeft haar opgewacht bij de trap en heeft haar meegenomen naar de badkamer. Zij hebben toen seks gehad, zonder condoom. Aangeefster zei tegen [getuige 3] : “Broek uit, erin en eruit en broek aan”. Aan het dossier is een uitdraai van WhatsApp-gesprekken toegevoegd die tussen het account van verdachte en dat van aangeefster hebben plaatsgevonden: Op 15 september 2015 vraagt verdachte aan aangeefster of zij morgen een paar uurtjes wil werken. Aangeefster antwoordt vervolgens “ja hoor, dan kom ik wel gelijk vanuit school”. Vervolgens blijkt dat dit dan rond half 5 / 5 uur zou zijn. Op 16 september schrijft aangeefster dat zij er al om 16.00 uur kan zijn. Verdachte schrijft vervolgens: “Dan ben ik er al meisje”. Op 17 september 2015 om 08.13 uur vraagt aangeefster aan verdachte: “Heb je er spijt van [verdachte] ?” Waarop verdachte antwoordt: “Het is de leeftijd [slachtoffer] ”. Op 21 september 2015 om 18.34 uur schrijft verdachte aan aangeefster: “ [(ex-)vriendin verdachte] en ik gaan het weer proberen”. “Sorry”. “En ik heb het vertelt”. “Maar ze zegt verder niks”. Aangeefster schrijft vervolgens om 18.36 uur: “O god”. “Ze vermoord me” . Om 18.41 uur schrijft zij vervolgens: “Ze vermoord me niet ”. En dan om 20.01 uur: “Hoe moet ik nou weten of dat ene wel tussen ons blijft [verdachte] ?”. Waarop verdachte antwoordt: “Geloof me dat hou ik bij me” (00.47 uur). Van een deel van deze gesprekken bevindt zich in het dossier ook een screenshot. Uit dit screenshot blijkt dat verdachte om 18.36 uur aan aangeefster heeft geschreven: “Maar dat we half seks hebben gehad heb ik ni gezegd”. Dit screenshot is ook gemaakt om 18.36 uur. Het hof constateert dat dit bericht geplaatst kan worden tussen de berichten van aangeefster: ‘Ze vermoord me”(18.36 uur) en “Ze vermoord me niet ”(18.41 uur). Het hof overweegt als volgt. Het hof zal eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Naar het oordeel van het hof is de verklaring van aangeefster over de ontuchtige handelingen gedetailleerd. De verklaring bevat details over de handelingen die plaatsvonden en de dingen die gezegd zijn door verdachte na het seksuele contact. Aangeefster verklaart ook gedetailleerd over het moment waarop het seksueel binnendringen heeft plaatsgevonden; zij koppelt dit aan haar menstruatiecyclus. Uit de WhatsApp-gesprekken blijkt bovendien dat aangeefster toen ook gewerkt heeft en dat verdachte op die dag in het café aanwezig was. Aangeefster verklaart genuanceerd over haar gevoelens voor verdachte en lijkt de feiten op geen enkele wijze aan te dikken. In de omstandigheid dat aangeefster pas op een later moment tegen haar ouders heeft verteld dat er seks had plaatsgevonden, en dat zij vervolgens pas na gesprekken met haar ouders aangifte heeft gedaan ziet het hof geen aanleiding om haar verklaring onbetrouwbaar te achten. Deze gang van zaken past bij de volgens aangeefster met verdachte afgesproken geheimhouding en beperking tot het, desnoods, alléén vertellen dat er was gezoend én bij het gegeven dat aangeefster gevoelens voor verdachte koesterde. Met de rechtbank is het hof bovendien van oordeel dat het verhaal van aangeefster door getuigen op essentiële punten wordt bevestigd: de datum waarop de geslachtsgemeenschap zou hebben plaatsgevonden, de situatie die aan de seks vooraf ging, de twee eerdere pogingen die verdachte zou hebben ondernomen om seks te hebben met aangeefster, de duur en aard van de seks en het feit dat er geen condoom is gebruikt. Het hof is van oordeel dat deze verklaringen weliswaar op zich niet voldoende zijn om als aanvaardbaar steunbewijs te kunnen dienen, nu het gaat om verklaringen van horen zeggen die tot aangeefster zijn te herleiden, maar deze zijn wel mede dragend voor het betrouwbaarheidsoordeel dat het hof dient te geven ten aanzien van de verklaring van aangeefster. In de omstandigheid dat uit het dossier blijkt dat aangeefster weleens liegt ziet het hof wel aanleiding om voorzichtig om te gaan met haar verklaringen, maar het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de verklaringen van aangeefster over wat er tussen haar en verdachte is voorgevallen als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en derhalve voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Naar het oordeel van het hof vindt de aangifte tevens steun in de zich in het dossier bevindende WhatsApp-gesprekken die plaatsvonden tussen aangeefster en verdachte. Het standpunt van de verdediging dat het zeer goed mogelijk is dat er geknoeid is met het screenshot waarin het bericht “Maar dat we half seks hebben gehad heb ik ni gezegd” is vastgelegd, acht het hof op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Ook de verklaring van verdachte dat aangeefster dat bericht vanaf de telefoon van verdachte naar haar eigen telefoon zou (kunnen) hebben verzonden, acht het hof onaannemelijk, dit te meer nu verdachte ter zitting verklaard heeft dat hij de berichten die om 18.34 uur verzonden zijn wel zelf verstuurd heeft. Verder is niet aannemelijk geworden dat aangeefster die dag een motief had om een dergelijke berichten vanuit de telefoon van verdachte aan haar zelf te sturen, omdat zij op dat moment nog gevoelens had voor verdachte. Dat het bericht op een later moment wellicht door aangeefster verwijderd is, waardoor deze niet in de berichtentijdlijn staat, is in lijn met de afspraak die aangeefster had met verdachte dat zij niks zouden vertellen over seksueel contact. Uit de WhatsApp-gesprekken blijkt bovendien dat zowel aangeefster als verdachte vaker berichten wisten. Verdachte lijkt dit te doen zodat zijn vriendin de berichten niet kan lezen. Gelet op hetgeen hiervoor is besproken is acht het hof het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Op basis van vaste jurisprudentie kan een tongzoen niet als seksueel binnendringen in de zin van artikel 245 Sr worden aangemerkt, doch enkel als een ontuchtige handeling. Het hof spreekt verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrij. Door de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en de verdere redactie van de tenlastelegging komt het hof niet toe aan een beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde tongzoenen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: primairhij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2015 te Groesbeek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [1999] , buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door geslachtsgemeenschap met haar te hebben en/of met haar te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezen verklaarde levert op: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden. De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de rechtbank, met uitzondering van de voorwaarden van begeleid wonen, budgetbeheer en dagbesteding. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden. Verdachte is als werkgever een seksuele relatie aangegaan met zijn drieëntwintig jaar jongere, minderjarige werkneemster. Hiermee heeft hij misbruik gemaakt van zijn, uit het grote leeftijdsverschil voortvloeiend, overwicht en van zijn positie als leidinggevende. Het slachtoffer zag in verdachte een persoon die zij kon vertrouwen. Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen in grove mate geschonden en heeft de gevoelens van een extra kwetsbaar, minderjarig meisje ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele gerief. Hij heeft hiermee een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte is met zijn handelen volledig voorbijgegaan aan de psychische gevolgen die zijn handelen (zouden kunnen) hebben voor het slachtoffer. Hierbij weegt het hof mee dat de ervaring met betrekking tot slachtoffers van seksueel misbruik leert dat deze slachtoffers veelal geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering benadeelde partij alsmede uit de ingediende slachtofferverklaring is het hof gebleken dat de psychische gevolgen ook in onderhavige zaak voor het slachtoffer groot zijn. Het hof merkt hierbij op dat verdachte bekend was met de kwetsbaarheid van het slachtoffer, wat hem evenwel niet van zijn handelen heeft weerhouden. Bij de bepaling van de strafmaat houdt het hof rekening met straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. Gelet op de ernst van het feit is een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. Het hof houdt daarnaast rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 september 2019 betreffende verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld is. Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf zoals geëist door de advocaat-generaal in beginsel een passende reactie is op een ernstig feit als het onderhavige. Rekening houdend met het tijdsverloop en de leeftijd van het slachtoffer ten tijde van het feit (bijna 16) is het hof echter van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden – waarvan 9 maanden voorwaardelijk – zoals ook is opgelegd door de rechtbank, passend en geboden is en volstaat. Het forse voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur, zodat verdachte zich aan de algemene en bijzondere te stellen voorwaarden zal houden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.270,05, bestaande uit: 1. Materiële schade a. Gederfde inkomsten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.