GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.241.780/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/117948) arrest van 5 november 2019 in de zaak van [appellant] in zijn hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [A] , wonende te Assen, appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. W.H. Bussink, kantoorhoudend te Assen, tegen Zorggroep Perspectief B.V., gevestigd te Assen, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Zorggroep Perspectief, advocaat: mr. J.M. Pol, kantoorhoudend te Assen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Ter uitvoering van het tussenarrest van 12 maart 2019 heeft op 27 september 2019 een comparitie van partijen plaats gevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Ter comparitie heeft ieder van partijen de akte genomen die vooraf aan hof en wederpartij was toegezonden. Partijen hebben ter comparitie verwijzing naar de rol van 15 oktober 2019 gevraagd voor beraad royement. Van royement is het echter niet gekomen. Partijen hebben arrest gevraagd op basis van de voorafgaand aan het arrest van 12 maart 2019 overgelegde procesdossiers aangevuld met de hiervoor genoemde stukken. 2De verdere beoordeling van de grieven en de vordering Inleiding 2.1 In het tussenarrest is partijen verzocht zich uit te laten over een drietal kwesties: a. de vraag of en in hoeverre de door Zorggroep Perspectief geleverde zorg, anders dan de bestuursrechter heeft aangenomen en [appellant] stelt, wel degelijk is aan te merken als zorg als bedoeld in artikel 6 Bza en over de daarmee samenhangende bewijsvraag; b. de vraag of de door [appellant] geleden schade kan worden toegerekend aan Zorggroep Perspectief en/of kan worden aangemerkt als door de tekortkoming van Zorgroep Perspectief veroorzaakte schade; c. de vraag of onverschuldigde betaling kan dienen als grondslag voor (eventuele) toewijzing van de vordering. ad a: art 6 Bza-zorg? 2.2 Zorggroep Perspectief heeft betoogd dat [appellant] verzuimd heeft haar te betrekken bij het onderzoek door het Zorgkantoor naar de ingediende declaraties en de bezwaar- en beroepsprocedure. Als dat wel was gebeurd had nadere onderbouwing en/of toelichting door Zorggroep Perspectief uitkomst kunnen bieden. Daarbij komt dat het Zorgkantoor niet het standpunt innam dat geen sprake was van zorg in de zin van artikel 6 Bza, maar dat onvoldoende is aangetoond welke zorg geleverd is. Dat laatste is veroorzaakt doordat [A] zijn medewerking heeft geweigerd en doordat Zorggroep Perspectief niet gevraagd is informatie aan te leveren. Dat de verleende zorg wel degelijk zorg is als bedoeld in artikel 6 Bza blijkt voorts uit de inhoud van het Werkplan en het Zorgplan van [A] . In vergelijkbare gevallen is bovendien de verleende zorg wél aangemerkt als zorg in de zin van artikel 6 Bza. 2.3 Het hof beoordeelt dit betoog als volgt. Het is juist dat het Zorgkantoor mede in zijn beslissing heeft betrokken dat onvoldoende gegevens zijn aangeleverd, maar dat doet niet af aan het gegeven dat in die bestuursrechtelijke procedure én in deze civiele procedure op de eerste plaats moet worden vastgesteld of de verleende zorg vergoedbare zorg (artikel 6 Bza) was of niet. 2.4 De bestuursrechter heeft in de uitspraken van 23 juni 2016 vastgesteld dat in geschil is de vraag of de door Zorggroep Perspectief verleende zorg is aan te merken als zorg in de zin van artikel 6 Bza (begeleiding). De bestuursrechter heeft uitgebreid gemotiveerd dat en waarom de verleende zorg niet is aan te merken als zorg in de zin van artikel 6 Bza (begeleiding), maar als zorg bedoeld in artikel 8 Bza (behandeling). In dat oordeel zijn, zo blijkt uit die motivering, de inhoud van het Werkplan en het Zorgplan betrokken. Mede op basis daarvan heeft de bestuursrechter geoordeeld dat de activiteiten van Zorggroep Perspectief in de kern niet gericht waren op begeleiding, maar op behandeling. Redengevend daarvoor was vooral dat [A] in het Werkplan wordt omschreven als een persoon die door zijn verstandelijke en emotionele beperkingen niet in staat is om zelfstandig in de maatschappij te functioneren en vooral behandeling in de vorm van gespreksvoering, psycho-educatie en praktische ondersteuning behoefde en kreeg. Zorggroep Perspectief heeft in de ter zitting van 27 september 2019 genomen akte nog wel anders betoogd, maar heeft deze redenering van de bestuursrechter - die het hof juist voorkomt - niet kunnen weerleggen. 2.5 Zoals ook de bestuursrechter in navolging van het Zorgkantoor heeft onderkend zou desondanks ruimte kunnen bestaan om de feitelijk verleende zorg aan te merken als begeleiding (artikel 6 Bza). In de overgelegde zorgovereenkomst, facturen, urenregistraties, zorgplan en zorgtoelichting is echter, aldus de bestuursrechter, niet aangegeven uit hoeveel uur per dag, per week en per gepland moment deze begeleiding bestond. Het is vooral met het oog op deze passage in de uitspraken van de bestuursrechter dat Zorggroep Perspectief bij tussenarrest in de gelegenheid is gesteld nadere informatie aan te leveren. Die informatie is echter uitgebleven. Van Zorggroep Perspectief had verwacht mogen worden dat zij helder en duidelijk, aan de hand van urenstaten en daaraan gekoppelde declaraties, inzichtelijk zou hebben gemaakt welke zorg wanneer aan [A] is verleend en wat de aard van die verleende zorg precies was. Nu een dergelijke onderbouwing is uitgebleven geldt dat het verweer van Zorggroep Perspectief tegen de vordering van [appellant] als onvoldoende gemotiveerd moet worden aangemerkt. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Het beroep van Zorggroep Perspectief op vergelijkbare gevallen gaat voorts niet op reeds omdat onvoldoende onderbouwd is dat van vergelijkbare gevallen sprake is nu Zorggroep Perspectief onvoldoende onderbouwd heeft dat zij wel degelijk zorg als bedoeld in artikel 6 Bza heeft verleend. 2.6 Bij deze stand van zaken geldt als uitgangspunt verder dat de door Zorggroep Perspectief verleende zorg niet is geweest zorg in de zin van artikel 6 Bza (begeleiding). ad b: toerekening 2.7 Zorggroep Perspectief voert aan dat [A] niet aanwezig was bij een huisbezoek van het Zorgkantoor en niet reageerde op verzoeken van het Zorgkantoor. Ook heeft [A] verzuimd voldoende gegevens over de inhoud van de verleende zorg over te leggen aan het Zorgkantoor. Bovendien heeft [A] nagelaten Zorggroep Perspectief te betrekken bij het afleggen van verantwoording aan het Zorgkantoor en het latere bezwaar- en beroeptraject. Om deze redenen kan eventuele schade niet aan haar worden toegerekend, aldus Zorggroep Perspectief. 2.8 Het hof overweegt dat in artikel 6:98 BW is bepaald dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in een zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Bij de beoordeling van dit aspect van de zaak staat voorop dat, zoals hiervoor uiteengezet, Zorggroep Perspectief, in strijd met wat tussen partijen was overeengekomen, zorg heeft verleend (behandeling, artikel 8 Bza) die niet voor vergoeding in aanmerking kwam. Het rechtstreeks, voorzienbare, gevolg hiervan was dat het ter dekking van wel vergoedbare kosten (artikel 6 Bza, begeleiding) aan [A] toegekende en uitbetaalde budget zou worden teruggevorderd. Dat is de schade die [A] leed en lijdt als gevolg van de tekortkoming van Zorggroep Perspectief. Het was aan Zorggroep Perspectief, als professioneel zorgverlener, ervoor te waken dat [A] slechts zorg geleverd kreeg die uit het PGB-budget kon worden voldaan (zie tussenarrest, overweging 5.14). De schade van [A] is om deze redenen toerekenbaar aan Zorggroep Perspectief. 2.9 Hierover zou nog anders gedacht kunnen worden indien de schade (mede) is ontstaan doordat [A] , zoals Zorggroep Perspectief aanvoert, nalatig is geweest in het meewerken aan het afleggen van de juiste verantwoording aan het Zorgkantoor. Uitgaande van het gestelde gebrek aan medewerking van de kant van [A] , zou dat gebrek slechts mede schadeveroorzakend kunnen worden genoemd als zou kunnen worden vastgesteld dat de schade zou zijn voorkomen indien die medewerking wél was verleend. Daar wringt echter de schoen. Zoals hiervoor uiteengezet heeft Zorggroep Perspectief in deze procedure onvoldoende onderbouwd dat de door haar verleende zorg wel degelijk zorg in de zin van artikel 6 Bza was. Dat maakt dat in deze procedure uitgangspunt is dat Zorggroep Perspectief zorg heeft verleend die niet was overeengekomen en die niet gedekt werd door het PGB-budget. Dat, uitgaande daarvan, het gebrek aan medewerking van [A] nog op enigerlei wijze de terugvorderingsbesluiten van het Zorgkantoor heeft veroorzaakt is, indien al aangevoerd door Zorggroep Perspectief, onvoldoende onderbouwd. 2.10 De slotsom op dit onderdeel is dat de schade toerekenbaar is aan Zorggroep Perspectief. ad c: grondslag 2.11 Partijen zijn eensluidend in hun stellingname dat onverschuldigde betaling niet kan/moet gelden als grondslag onder de vordering van [appellant] . Het hof laat die (mogelijke) grondslag daarom verder buiten beschouwing. Verzuim en schade 2.12 Omdat Zorggroep Perspectief andere zorg heeft verleend dan is overeengekomen is het pgb-budget door het Zorgkantoor teruggevorderd. Het gaat in dit verband om de bedragen van € 21.184,13 over 2013 en € 12.149,60 over 2014, samen € 33.333,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.